Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor april, 2010

Vanaf de berg

dinsdag, 20 april, 2010

Exodus 19:1-15

Er zijn nogal wat heilige bergen in de wereld. De Griekse goden woonden op de Olympus bijvoorbeeld en de 10 geboden werden gegeven vanaf de Horeb in de Sinaï woestijn. Een berg brengt je dichterbij het hogere. Als jouw god hoog in de hemel zit dan ben je op de top van de berg er het dichtste bij. Dat is een menselijke ervaring die in de dagen van de Bijbel zo sterk was dat een profeet zelfs moest verbieden om nog langer offers te brengen voor de bergen in het land. Die hoefde je echt niet te aanbidden. Ook in het verhaal van de uittocht gaat het niet om de berg zelf maar om de ontmoeting met God op die berg. Dat was een God die met het volk meetrok, maar nu moesten de spelregels scherper worden vastgelegd. Ze hadden al een aantal wetten en regels ontdekt, ze hadden de adviezen van Jetro, de priester van Midjan, gevolgd, ze hadden al een paar keer ruzie gehad over de richting die ze als volk moesten inslaan en ze hadden al een oorlog met een ander volk overleefd. Nu na drie maanden, een goddelijke tijd, kwamen ze aan bij de berg in de woestijn Sinaï en daar werd het volk een echt volk. Het woord heilig wekt nogal eens wat misverstanden. Het betekent apart gezet, er zit ook het woord heel in, het is ongebroken, een eenheid. Zo kan een heilig mens een heel mens zijn, de rollen die die mens vervuld vallen samen, je kunt altijd hetzelfde van die mens verwachten. Dat geldt natuurlijk ook voor een God, die is één, ook al lijkt die God in Vader, zoon en heilige geest nog zo verschillend. Heilig hoeft daarom nog niet volmaakt te zijn, want volmaakt is vaak een kwestie van smaak. Dat het volk nu een heilig volk wordt drukt het verhaal uit door ook de grond van de berg heilig te verklaren en heiligingsriten in te voeren. Er moet schoongemaakt worden, van buiten en van binnen. De sexuele onthouding betekent reiniging van lust en begeerte, je heerst niet over een ander als je heilig bent. In Kanaaän zou bij vele volken het sexuele juist onderdeel van de godsdienst zijn, Israël zet zich daartegen af. Het volk moet ook op eigen benen leren staan. Tot nu toe is het net als kleine vogels gedragen op de vleugels van de moedervogel. Adelaars doen dat wel niet maar het beeld is er niet minder mooi om. Dat het volk nu een echt volk wordt is verbonden met de slavernij in Egypte. Toen de kinderen van Israël, de nakomelingen van Jakob, uittrokken uit Egypte trok er een hoop volk mee. Dat wordt nu ook opgenomen in het volk Israël. Twaalf stammen zullen er zijn en zij zullen één volk vormen. Dat volk wordt een koninkrijk van priesters genoemd. De Koning is God zelf en alle onderdanen zijn priester van die God, zij offeren, zij dienen die God. Ze zullen er achter komen hoe die God gediend wil worden. Wij kennen dat, heb God lief boven alles en Uw naaste als Uzelf zal er klinken. Alleen op die manier, door dat gebod te volgen kunnen alle leden van dat volk priester zijn. En laat je niks wijs maken door dominees, priesters en andere voorgangers, dat alle gelovigen priester zijn is nooit anders geworden, alle gelovigen verkondigen het gebod van de God van Israël. Mozes liet het de oudsten bevestigen, alles wat God gesproken heeft zullen wij doen, klonk het. Daarvoor is die gemeenschap nodig, ook vandaag nog, maar ook over de kerk wordt gesproken als over een koninkrijk van koninklijke priesters, één Heer, God zelf, en de dienst aan de naaste als vaste opgave, ook vandaag weer.

Hij koos uit heel Israël doortastende mannen

maandag, 19 april, 2010

Exodus 18:13-27

Hoe bestuur je een volk? In elk geval niet in je eentje zoals zoveel dictators nog steeds schijnen te denken. Maar je bestuurt een volk door democratie in te voeren. Jetro, de schoonvader van Mozes, heeft dat duidelijk gezien. De wetten en de regels van de God van Israël zijn niet dat je de ogen maar moet sluiten en blind doen wat de leider van het volk te vertellen heeft. Recht in Israël is zorgen dat elk mens tot zijn recht komt en dat betekent luisteren, hoor en wederhoor toepassen en belangen afwegen en keuzes maken. Dat kost tijd, dat kost moeite en dat kan Mozes dus niet alleen. Jetro adviseert hem om afgevaardigden aan te stellen. De oudsten waren er al, die hadden immers vrede gesloten met Jetro en nu moesten er ook rechters komen, lagere rechters en hogere rechters. Lagere rechters over groepen van 10 en van 50 en hogere rechters over groepen van 100 en van 1000 en als ze er dan helemaal niet uitkwamen dan zou Mozes recht spreken, het aan de God van Israël voorleggen. Al die rechters hadden zich te verdiepen in de wetten en regels van de God van Israël. Zo zet je rechtspraak op, zo zorg je dat van boven naar beneden de richtlijnen voor het volk duidelijk worden en van beneden naar boven de problemen in het volk bij het bestuur terecht komen. Dat laatste vergeten wij nog welk eens, bij ons zijn rechtspraak en bestuur strikt gescheiden. Ook al maakt de rechtspraak grove fouten, het bestuur merkt er niks van en er is veel aktie en geroep nodig om het bestuur en de rechtspraak zo wakker te maken dat ze een herzieningscommissie instellen en uiteindelijk de hoogste rechter in ons land overtuigen van de dwalingen die in de rechtspraak kunnen worden gemaakt. Voor de rechters in ons land betekent het dat onuitvoerbare wetten stilzwijgend terzijde worden gelegd en het bestuur in de waan wordt gelaten dat hun onuitvoerbare wetten zonder problemen worden uitgevoerd. Van boven naar beneden gaat het nog wel maar van beneden naar boven hapert het voortdurend. Wat dat betreft kunnen ook wij veel van Jetro leren. Mozes neemt de lessen van zijn schoonvader ter harte, ook al is dat een vreemdeling een priester van de god van een ander volk. Maar de Bijbel is niet voor niets zo negatief over Amalek. Niet een oorlog laten voeren van de ene God tegen de andere, van het ene volk tegen de andere, van het ene geloof tegen het andere. Nee volken moeten leren samen te werken, van elkaar te leren, elkaar te ondersteunen. Dat is wat Israël en Midjan ons in dit verhaal vertellen. In het geloof van Israël loopt dat er op uit dat alle volken uiteindelijk zich zullen wenden tot de God van Israël, dat alle volken de mensen tot hun recht laten komen, heersers hebben als dienaren, samen in de wereld de vrede bewaren. In die wetenschap en na die les kan Mozes zijn schoonvader uitgeleide doen en Jetro kan in vrede terugkeren naar zijn land, wetende dat ook zijn dochter en kleinzoons tot hun recht zullen komen. Want Mozes zoekt wel betrouwbare mannen, maar vrouwen die voor hem spreken heeft hij al. Wij hoorden Mirjam de profetes al zingen en weten dat zijn vrouw Sippora op tijd had gezorgd voor de besnijdenis van zijn zoon Gersom. Niet alleen mannen spelen een rol in dit verhaal. Wij mogen zorgen dat ook ons bestuur en onze rechtspraak er op gericht zullen zijn mensen tot hun recht te laten komen. In onze straten, in onze dorpen en wijken, in onze steden en provincies en in ons land. Als we daarmee bezig gaan wordt de wereld ook een stukje beter, een goed doel om vandaag en deze week weer aan te werken.

Die priester was in Midjan

zondag, 18 april, 2010

Exodus 18:1-12

In het Oude Testament heeft elk volk een eigen god of eigen goden. Pas in de loop van de geschiedenis van het volk Israël breekt het besef door dat de God van Israël eigenlijk de enige God is en dat al die andere goden eigengemaakte goden zijn. Voor buitenstaanders is dit heel lang een vreemde opvatting gebleven. Pas in het Romeinse wereldrijk beginnen mensen te spreken over de goden als over vergelijkingen om zaken te verduidelijken en nemen ze aan dat die goden niet als personen of wezens ook echt bestaan. In die gedachtenwereld dringt zich dan de beweging van Christenen op die een heel andere opvatting hebben over de God van de wereld als de gewone opvatting in niet Joodse religieuze kringen. In het verhaal van Mozes is het zo ver nog niet. De schoonvader van Mozes was priester in Midjan, het land waarheen Mozes was gevlucht nadat hij in Egypte een opzichter had doodgeslagen. Samen met zijn vrouw en zijn oudste zoon Gersom was hij teruggekeerd naar Egypte. Kennelijk heeft hij zijn vrouw en zijn twee zonen op een gegeven moment teruggestuurd naar haar vader. Hoe of wanneer is niet direct duidelijk maar tijden en plaatsen lopen in het verhaal over de Uittocht wel meer door elkaar heen. Vrouw en kinderen keren bij Mozes terug als hij al bij de Horeb is aangekomen, over de aankomst van het volk bij de Horeb zal pas hierna worden verteld.  Die schoonvader van Mozes, Jetro, is een tolerant man. Hij bewondert de God van Israël om alles wat die voor het volk heeft gedaan en die bewondering steekt hij niet onder stoelen of banken. “Geprezen zij de Heer” klinkt het en uitleggers zeggen dan graag dat die Jetro ook een gelovige was geworden. Die Jetro gelooft inderdaad in de God van Israël. Maar voor ons heeft geloven een andere betekenis gekregen. Geloven in de God van Israël betekent voor ons dat er geen andere goden bestaan. Geloven in de God van Israël betekent voor Jetro dat die God van Israël voor Israël een even machtig God is als zijn eigen God voor hem en zijn volk. Die God van Israël is volgens Jetro in elk geval veel machtiger dan al die goden van andere volken, vooral dan die van Egypte, vooral van die volken die tegen Israël waren opgetreden. Jetro sluit vriendschap met het volk van Israël, het staat er niet maar we mogen aannemen dat hij dat deed in naam van het volk Midjan. De reden daarvan wordt ook duidelijk. Natuurlijk is Jetro als schoonvader van Mozes gebaat bij vrede met Israël. Maar gezien de macht van de God van Israël is het ook voor elk volk zeer raadzaam om vrede met Israël te sluiten. Daarmee kiest Midjan uitdrukkelijk een tegengestelde positie aan Amalek. Oorlog en vrede liggen in elkaars verlengde in dit verhaal. En dan komt de typische manier van offeren van Israël aan de orde. Een woestijnvolk verspilt geen voedsel, offers die helemaal verbrand worden, of offers die achtergelaten worden bij een heiligteken, boom, rots of berg, zijn er bij een woestijnvolk niet bij. Die offers kun je beter zelf opeten al roepend dat de God je zulk heerlijk eten heeft geschonken. Zo eten Mozes en Aäron met alle oudsten samen met Jetro een offermaal, ten overstaan van God. Zo mogen ook wij onze maaltijden genieten, met anderen, met vreemdelingen maar altijd ten overstaan van God die ons duidelijk maakt dat er nooit meer nodig is dan ons dagelijks brood.

Tegen Amalek ten strijde.

zaterdag, 17 april, 2010

Exodus 17:8-16

Rustig rusten is er voor het volk Israël niet bij. Zitten ze eenmaal in de rustplaats Refidim, dat immers rustplaats betekent, zonder water zoals we hebben kunnen lezen, dan worden ze plotseling aangevallen door de Amalekieten. Er is een heel oude vijandschap tussen Israël en Amalek. De naam Amalek komt voor het eerst voor in de genealogie van Esau. Als het volk eenmaal in Kanaaän woont en een koning heeft gekozen krijgt die Koning Saul de opdracht wraak te nemen voor de overval waarover we vandaag lezen. Het meest beroemd is waarschijnlijk Haman de Amalekiet uit het boek Esther. Hij smeed een complot om alle Joden in het Perzische Rijk uit te roeien. Maar in dit verhaal maken we kennis met Jozua, naar wie Jezus van Nazareth veel later vernoemd zou worden. Jozua werd de generaal van de strijders van Israël. Maar niet Jozua bracht de overwinning, dat moet God doen. Strijden voor de goede zaak maakt je sterker. Daarom vechten soldaten graag onder een vlag of een vaandel of een standaard, in elk geval zichtbare tekenen van de goede zaak. In de oudheid was het niet ongewoon om afbeeldingen van je God mee te dragen in de strijd. Romeinen droegen de adelaar, de sterkste vogel mee als teken van macht. Maar Israël heeft niet zo’n teken, er is geen afbeelding van de God van Israël. Het enige wat je kunt doen is je armen in wanhoop ten hemel heffen. Mozes laat dat gebaar zien en schept daarmee het vertrouwen dat het ook kan helpen. Zolang hij dat laat zien putten zijn soldaten er extra moed uit, maar als hij de armen laat zakken, zakt ook de moed. Aäron en Chur ondersteunen hen. Aäron kennen we als de broer van Mozes die priester zal worden. Chur zullen we later tegenkomen als rechter, waarschijnlijk ook priester. In elk geval brengen deze drie met vereende krachten Jozua en zijn leger er toe Amalek te verslaan tot de laatste man. En dan komt de omkering die je zo vaak in de Bijbel vindt. Er wordt een altaar opgericht, dat is nog normaal kun je zeggen want dat komt in alle volken na een oorlog voor, maar dat altaar wordt genoemd “De Heer is mijn banier”. Israël benadrukt dat het geen vlaggen, vaandels of afbeeldingen heeft van hun God waarnaar het leger zich kan richten maar dat God zelf het vaandel is. Je ziet elkaar aan en je moet onvoorwaardelijk op elkaar kunnen bouwen, het voor elkaar kunnen opnemen. Pas als je dat doet vertrouw je op de God van Israël die je heeft bevrijdt uit de slavernij van een volk met eigengemaakte goden. Het volk van Israël zal altijd in oorlog blijven met de laffe overvallers die zich hier in Amalek voor het eerst laten zien. Een onschuldig nomadenvolk dat zich ter ruste had gelegerd aanvallen is een misdaad die onvergeeflijk is. Er worden zelfs geen eisen gesteld of dreigingen geuit. Het doet in onze dagen denken aan de overvallers van de vluchtelingenkampen in Darfur. Ook daar zijn de vluchtelingen een prooi van strijders die roven en verkrachten zonder dat iemand er iets tegen doet. De rest van de wereld is niet in staat die onschuldigen te beschermen, ook al is dat dus wat de God van Israël van ons vraagt. Aan ons om de wereld zo ver te brengen de zonden van Amalek die in onze dagen worden begaan niet ongestraft te laten. Daar kunnen we ook vandaag weer aan werken.

Voor de verbondstekst

vrijdag, 16 april, 2010

Exodus 16:31-17:7

In het gedeelte dat we vandaag lezen moet Mozes vooruitlopen op het volk. Dat volk heeft nog veel te leren. Dat blijkt al uit de naamgeving van het brood, manna, in het Hebreeuws is er een woordenspel tussen “wat?” en manna. Wat eten we vandaag? Manna, zoet als honingkoek, heerlijk brood maar je moet er steeds weer om vragen. Maar vragen om het dagelijks brood blijkt in de geschiedenis helemaal niet zo’n verkeerde zaak. Dus vooruitlopend op alles wat er zal gaan gebeuren moet de priester Aäron een volle omer manna in een kruik doen en die leggen voor de verbondstekst in de tent van de samenkomst. Die tekst en die tent zullen pas later in het verhaal te voorschijn komen. Maar bij de samenkomst tussen volk en God en het verbond dat zij gesloten hebben, het verbond dat ze bevrijd zullen worden van de slavernij, hoort dat dagelijks brood, genoeg is genoeg. Dit brood aten ze zolang ze in de woestijn rondtrokken. Maar opnieuw moesten ze opbreken, in de Nieuwe Bijbelvertaling ontbreekt dat opbreken steeds en dat is jammer, want dat maakt eigenlijk het hele verhaal van de tocht door de woestijn tot een soort verhalend gedicht, ook in zo’n verhalend gedicht kunnen plaatsen en gebeurtenissen door elkaar lopen, ook daarin wordt vooruitgelopen en teruggegrepen als dat voor de dichterlijke bedoeling van het verhaal nodig is. Het opbreken markeert in dit verhaal steeds een nieuw element. Het volgende element is beproeving en twist. Meriba en Mara zijn de sleutelwoorden hier, ze betekenen beproeving en twist. In Psalm 95 komen de namen nog eens terug in een verzoek om het volk niet op deze manier op de proef te stellen. En ook hier moet Mozes vooruitlopen op hetgeen er zal komen. In de rustplaats die ze nodig hadden, en Refidim betekent rustplaats, bleek geen water te zijn. En in plaats van op zoek te gaan naar water en dat wat ze hadden aan drinken met elkaar te delen vlogen ze Mozes aan, geef ons water, anders hadden we beter in Egypte kunnen blijven. De slavernij in Egypte was kennelijk minder erg dan de slavernij van de dorst. Mozes wordt er wanhopig van, wat moet je met zo’n volk. Maar nu moet Mozes met de oudsten van het volk vooruitlopen op dat wat er te gebeuren staat. Hij moet alvast doorgaan naar de Horeb en daar met de Godsstaf op de rotsen slaan. Op dit punt moeten we ons herinneren dat er ook staat geschreven dat het volk bezig was met de wetten voor het volk sinds het opgebroken had bij de Rietzee de woestijn in. De centrale wetgeving zou plaatsvinden bij de Horeb. Geleerden zeggen nu dat het water dat uit de rotsen bij de Horeb stroomde de wetten zijn die het volk in acht moet nemen. Als je samen wilt leven, zeker als je samen wilt overleven in een woestijn, dan heb je regels en wetten nodig waarop je samen kunt vertrouwen en die het mogelijk maken dat elk deelneemt en daardoor overleeft. Beproeving en twist kun je daarbij niet gebruiken. In het boek Numeri staat ook een verhaal over Mozes die op de rotsen slaat en er water uit laat komen. Maar die rotsen staan niet bij de Horeb, die regels zijn dus kennelijk niet van God en Mozes mag dan ook niet het beloofde land in. Kern in het verhaal van vandaag is dus dat we op moeten houden te mopperen op alles wat niet deugt in ons land maar samen moeten werken om wetten en regels te maken die zorgen dat iedereen mee kan doen om samen te kunnen leven. Daar kunnen we ons ook vandaag weer mee bezig houden.

Zes dagen kunt u voedsel verzamelen

donderdag, 15 april, 2010

Exodus 16:13-30

Het volk Israël moet dus echt leren. In de morgen is de woestijn bedekt met brood en in de avond is het kamp bedekt met vogels. En nu moet men leren te verzamelen zoals in Egypte het stro werd verzameld. Maar voedsel heb je nooit meer nodig dan voor één dag. Jezus van Nazareth zou zijn volgelingen veel later leren bidden “geef ons heden ons dagelijks brood”. Maar ook over rust moet het volk leren. Want er is meer dan alleen maar werken en verzamelen. Wie meer verzamelt dan nodig is blijft zitten met stinkende wormen. Wie niet op tijd rust neemt, en zorgt dat er voedsel is voor de rustdag, heeft op de rustdag niet te eten. Je kunt het natuurlijk vertellen maar kennelijk moet een volk dat eerst ondervinden. In onze samenleving gaan we naar een 24 uurs economie heet het. Dag en nacht draaien fabrieken en kantoren, zeven dagen in de week zijn winkels, kantoren en fabrieken open, op zeven dagen en zeven nachten in de week moeten mensen bereid zijn om te werken. Want de vrije tijd is er om te verzamelen, de goederen die de economie draaiend houden en ons nog meer tijd geven om te verzamelen. In de maanden na het begin van de financiële crisis overwogen veel mensen dat ze al die goederen niet direct nodig hadden en dat ze aankopen ook wel kunnen uitstellen, maar daardoor sloeg de crisis nog harder toe. Werken en consumeren dat is het enige dat we hebben te doen. Alleen de rijken kunnen zich daaraan ontworstelen. Zij nemen de extra winsten die gemaakt worden, of waarvan ze het maken kunnen voortoveren, en trekken zich met extra bonussen terug uit het werkende leven. Aan de onderkant van het loongebouw is het niet meer bij te houden. Schoonmakers zijn maanden aan het staken om er een paar dubbeltjes per uur bij te krijgen. De markt voor werken is zo uitgekleed dat ze geen geld meer hebben voor hun dagelijks brood. De economie waarheen wij op weg zijn staat haaks op de economie die ons in het verhaal van het volk Israël wordt voorgehouden. Natuurlijk zijn er mensen die meer willen verzamelen dan ze nodig hebben, maar ze houden er, in het verhaal over Israël, niks meer aan over, natuurlijk zijn er mensen die verzamelen als ze moeten rusten, maar er is niks meer dan je nodig hebt. Die rustdag is een kostbaar geschenk. Op heel veel plaatsen in de Bijbel wordt dat benadrukt. Christenen zijn die rustdag over het algemeen op de eerste dag van de week gaan houden. Maar ook de Heidenen onder de Christenen hebben het geschenk van de ene rustdag in de week dankbaar aanvaard. Op één dag in de week er op kunnen rekenen dat iedereen beschikbaar is om in vrijheid mee om te gaan, om samen te bouwen aan de samenleving, om samen te kunnen omkijken naar de armen in de wereld, om samen te genieten van het mooie dat er op aarde is en het mooie dat mensen kunnen doen en voortbrengen. Als er te veel mensen zijn die moeten werken dan kun je niet meer samen leven op die ene dag in de week. Daarom hoor je Christenen protesteren tegen koopzondagen en tegen overmatig werken op zondag. Niet omdat ze zo nodig naar hun kerken moeten, ze gaan toch wel, maar omdat ze een samenleving willen waarin iedereen samen en tegelijk van kan genieten, elke zondag weer. Daarom mogen we elke week dat kostbare geschenk van die ene vrije dag aanvaarden, ook deze week weer.

Morgenochtend brood in overvloed

woensdag, 14 april, 2010

Exodus 16:1-12

Ook uit het paradijs van Elim moet het volk opbreken, verder de woestijn in op weg naar de Sinai. Ze waren al zo’n 6 weken op pad en de matzes die ze hadden gebakken raakten op en het vlees ook. Ze dreigden hun kuddes te moeten aanspreken en daarmee het kapitaal waarmee ze in een nieuw land een bestaan zouden moeten opbouwen. Hoe overleeft een volk in een woestijn? Voor ons die in een land met vette groene weiden wonen, waar water en voedsel in overbloed is, lijkt het of je in een woestijn snel van honger zal omkomen als je niet voldoende meeneemt. Dat hoeft overigens helemaal niet zo te zijn. Op verschillende plaatsen in de wereld leven volken op plaatsen waar dat voor ons niet mogelijk zou zijn. Hoog in kale rotsachtige bergen, in woestijnen of in sneeuwvlakten, overal blijken mensen te kunnen overleven. En het verhaal van het volk Israël leert ons dat dat overleven ook te leren is. Maar zoals wij denken dat je dood gaat in de woestijn denkt het volk van Israël dat ook. Dan is de slavernij nog beter want in slavernij kun je nog overleven, dan is er geen vrijheid maar wel is er eten. Het directe eigenbelang staat voorop. Waar kennen we dat niet, het gemopper op het betalen van belasting dat direct gepaard gaat met gemopper over de kwaliteit van het onderwijs, het gebrek aan politieagenten en de hoge prijs van benzine. Dat onderwijs en veiligheid betaald moeten worden van belasting ontgaat ons, het directe eigenbelang is het enige dat lijkt te tellen. Maar het volk van Israël krijgt een oplossing. Ze moeten verzamelen. En met verzamelen lijken ze weer terug in Egypte. Toen Mozes voor de eerste keer bij de farao was geweest moesten ze ook gaan verzamelen. Overal in Egypte moesten ze het stro verzamelen om in de stenen mee te bakken. Nu moeten ze brood verzamelen, elke morgen opnieuw. In plaats van het dode stro komt nu het brood dat leven geeft. Een oplossing die voor kenners van de woestijn wellicht voor de hand zal liggen maar die voor het volk Israël een direct antwoord is op het verlangen naar de vleespotten van Egypte. Die vleespotten werden gevuld met stro, de woestijn ligt vol met brood. Mozes en Aäron leggen overigens de klachten van het volk naast zich neer. Dit zijn geen klachten tegen de leiders die hen uit de slavernij hebben gevoerd, dit zijn klachten tegen de God die beloofd had met hen te gaan en voor hen te zorgen. Op die zorg moet het volk leren vertrouwen, daar krijgt het de ruimte voor, maar de bevrijding zelf moet eigenlijk al voldoende vertrouwen hebben gewekt. Maar als ze vlees willen hebben dan kunnen ze vlees krijgen ook. Het legerkamp werd bedekt met kwartels staat er. En ook Egypte werd bedekt, op dezelfde manier, daar ging het om de kikkers, de symbolen van van de Egyptische god van de vruchtbaarheid, hier gaat het om vogels, symbolen van de vrijheid, vogels gaan immers waar zij willen en waar mensen ze niet kunnen volgen. Maar met de kwartels lopen we vooruit op de rest van het verhaal. Voorlopig moeten wij ons bewust zijn van ons gemopper in een van de rijkste landen van de wereld, met een misdaadcijfer dat tot de laagste van de wereld behoort, met een vrijheid voor burgers die in veel landen van de wereld ongehoord is. Laten wij eerst al hetgeen wij aan goed hebben delen met hen die niets hebben, dan worden we zelf veel en veel rijker en hebben we ook nu al helemaal niets meer om te mopperen, net als het volk Israël.

Alle vrouwen volgden haar

dinsdag, 13 april, 2010

Exodus 15:19-27

Het volk Israël raakt niet uitgezongen als het gaat om de bevrijding van de slavernij. En zeg nu niet dat vrouwen op grond van de Bijbel geen bestuurlijke functies in de samenleving zouden mogen innemen. Dan sluit je toch heel vaak je ogen en je oren als er uit de Bijbel wordt gelezen. Die Mirjam is zo’n voorbeeld van een vrouwelijke bestuurster van Israël. Haar broer Mozes was de politiek leider, haar broer Aäron was de eerste priester en zij was de profetes, alle vrouwen van Isräel volgden haar, ze vertegenwoordigde de helft van de bevolking en had als profetes tot taak de boodschap van de God van Israël door te geven. Ze is de eerste profetes die als zodanig in de Bijbel wordt genoemd. Zulke vrouwen heeft een volk dus nodig en wie zegt dat het niet zo is onthoudt het volk een goed bestuur. En als eerste daad laat Mirjam de vrouwen van Israël zingen en dansen en spelen op de tamboerijn. Ze zongen een lied en Mirjam zorgde voor de verkondiging. Die verkondiging was dat de Heer, de God van Israël, niet alleen de God zou zijn maar ook de Koning, met macht en majesteit, die groot is. Die Koning heeft het kwade overwonnen en weggespoeld, paarden en ruiters wierp hij in de zee. Maar het volk kan niet blijven feesten en dansen. Het moet op pad, het moet opbreken. Dat opbreken is in de Nieuwe Bijbelvertaling weggevallen maar in het hele verhaal over de tocht door de woestijn gaat het telkens over opbreken. Van plaats tot plaats en als ze denken er te zijn moeten ze weer opbreken. Want in een woestijn is er altijd wat. Het belangrijkste is natuurlijk het water. Als je drie dagen door de woestijn bent getrokken dat verlang je langzaam naar wat vers water, koel helder water. Dat is tegenwoordig niet anders dan in de dagen van Mozes. Maar hoe zorg je voor koel helder water. Woestijnbewoners hebben daarvoor allerlei oplossingen. De Bosjesmannen in Namibië passen ze ook vandaag nog toe net als Aboriginals in Australië. Mozes had er ook één geleerd. Soms neemt een stuk hout stoffen op uit water die het water bedorven doen smaken. Zo ook hier. Er is dus vers water als je let op je omgeving, als je gebruik wil maken van het geringste dat je ten dienste staat. Voor het volk Israël loopt die eerste etappe uit op een soort paradijs. De Twaalf stammen ontmoeten twaalf waterbronnen en voor alle volken op aarde zijn er dadelpalmen. Daar zul je willen wonen. In die woestijn gebeurde iets bijzonders, daar kreeg het volk wetten en regels. De woestijn is dus niet alleen een oord van beproeving, van zweet en ploeteren voor het bestaan, maar het is ook een speeltuin waar je nieuwe vormen van samenzijn in het zand kan tekenen, waar je nieuwe regels voor een volk kunt formuleren en uittekenen. Over de hoofdregels waar dat op uit zou lopen staan elders uitgebreide verhalen. Maar al in de eerste dagen van de tocht door de woestijn begint het volk met de regels. Het ondrinkbare water deed denken aan de eerste plaag van Egypte, toen de Nijl in bloed veranderde. Maar als je de regels van de God van Israël volgt krijg je die plagen niet. Dan zorg je voor elkaar en kun je onvoorwaardelijk op elkaar bouwen. Dan komt dat paradijs in zicht, dan komt de hemel op aarde. Dat geldt ook voor ons, maar we zullen er hard aan moeten werken, dat mag vandaag ook weer.

Hebben jullie hier iets te eten

maandag, 12 april, 2010

Lucas 24:28-43

Het is duidelijk dat Jezus van Nazareth een andere weg kiest dan de twee die van Jeruzalem naar Emmaüs zijn gegaan. In elk geval niet de weg van de milititaire opstand. Wie immers het zwaard opnemen zullen door het zwaard vergaan. Maar als de twee er blijk van geven hun bezit en voedsel te willen delen met de vreemdeling dan neemt Jezus van Nazareth de uitnodiging aan. En bij het breken van het brood en het uitspreken van de zegening herkennen de twee de opgestane Heer. Het lege graf was niet genoeg om tot geloof in de opgestane bevrijder te komen, daarvoor is zelfs een ontmoeting rond het Oude Testament niet genoeg, pas in de gebaren van breken en delen, gezegend zodat er goeds van uit gaat, wordt de Messias, de Christus herkent. En dan gaat de weg terug naar Jeruzalem, nu niet naar de Tempel of naar het graf maar naar de gemeenschap, want hen moet de bevrijding, de opstanding, verkondigd worden. Er is een andere weg ontdekt dan de weg van opstand en geweld. De volgelingen van Jezus van Nazareth, de elf die het dichtst bij hem waren geweest waren er al over in gesprek. Petrus was zelf gaan kijken naar het lege graf nadat de vrouwen over het ontbreken van het lijk van Jezus van Nazareth hadden verteld. Hij had daar Jezus van Nazareth zelf ontmoet. En in dit verhaal en het verhaal van twee uit Emmaüs zullen ook de anderen Jezus van Nazareth als opgestane Messias ontmoeten. Die Messias begroet hen met het Hebreeuwse Sjaloom, vrede zij met jullie, de vrede die zo tegensteld is aan de vrede van het Romeinse Rijk, de Pax Romana. Het lijkt een geestverschijning en iedereen is danig van slag, maar Jezus van Nazareth is tastbaar en voelbaar aanwezig. Opnieuw wordt er gegeten, nu de vis, voor de vissers uit Galilea het dagelijks voedsel, het dagelijks brood. Die werkelijke opstanding van Jezus van Nazareth blijft door de eeuwen heen een moeilijk te begrijpen verhaal. Maar het is geen spook dat aanbeden en beleden wordt. Het is de concrete mens die door de liefde van God ook na de kruisiging doorleeft en daardoor juist door ieder van ons kan worden nagevolgd zonder angst voor het lijden. De wonden aan handen en voeten hoeven ons niet af te schrikken, ze hebben ook geen magische betekenis, de kruisiging is geen inwijdingsrite van een geheim genootschap geweest. Het lijden van Jezus van Nazareth is even reeël als het lijden van Joden in de concentratiekampen van de Nazi’s en zijn opstanding is even werkelijk als de opstand van al die mensen die in de geschiedenis in opstand zijn gekomen tegen het lijden en het onrecht dat de zwaksten werd aangedaan. De ontmoeting met Jezus van Nazareth is het concreet de hand leggen op de tastbare bewijzen van onderdrukking, honger, marteling en geweld en dan het voedsel te delen dat we hebben met de lijdenden. Dat is de navolging van de opgestane Heer. Daarom noemen we Jezus van Nazareth de Heer van de wereld aan wie alle macht gegeven is. Geen andere Heer kan ons tegenhouden de verdrukten te bevrijden. Ook vandaag niet, daarom ook vandaag de roep om eerlijke handelsverhoudingen, om blijvende steun voor Haïti en Darfur, om vrede in al die landen met oorlog en geweld, om een vreemdzame oplossing voor Afghanistan en om een samenleving in ons eigen land waar iedereen ongeacht sexe, geloof of afkomst aan mee mag doen als gelijkwaardige en volwaardige mensen. Daar mogen we ook deze week weer aan werken.

Waar loopt u toch over te praten?

zondag, 11 april, 2010

Lucas 24:13-27

Je moet wel een vreemdeling zijn om niet te weten waar mannen uit Jeruzalem het over zouden kunnen hebben. En aangezien rond het Pesachfeest veel van de Joden van buiten Israël de gelegenheid te baat namen om naar de Tempel in Jeruzalem te reizen, daar te offeren en in Jeruzalem het voorgeschreven Pesachmaal te houden zou die vreemdeling wel eens de enige vreemdeling kunnen zijn die van niets weet en die alles ontgaan is. Ook vandaag de dag gaan pelgrims naar Jeruzalem zonder iets te merken van de spanningen tussen Israël en Palestina, zonder zelfs de bezetting van Oost-Jeruzalem op te merken als een echte bezetting door een vreemde mogendheid. De twee mannen zijn op weg naar Emmaüs. Dat is geen onschuldige plaatsnaam in het verhaal. Als Emmaüsgangers zijn Kleopas en zijn vriend bekend geworden maar de betekenis van Emmaüs is uit onze manier van vertellen verdwenen. En dat is jammer want het suggereert voor lezers uit de tijd dat Lucas dit heeft opgeschreven, zo vlak na de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem, een keuze voor geweld. In het jaar 68 sloeg Vespasianus, Romeins veldheer en later keizer, in Emmaüs een groot legerkamp op van waaruit hij de aanval op Jeruzalem zou organiseren, de aanval waarbij uiteindelijk de Tempel verwoest zou worden. Emmaüs was een strategisch belangrijke plek. In het eerste boek van de Makkabeeën vervult Emmaüs een vooraanstaande rol in de strijd van Israël tegen de Hellenistische overheersing. Dit boek is wel niet opgenomen in de boeken van de Bijbel maar als zogenaamd apocriefboek is het goed om gelezen te worden. De keus om naar Emmaüs te gaan lijkt daarom een keus voor de militaire strijd tegen het Romeinse Rijk. Na de dood van Jezus van Nazareth zouden er vele opstanden uitbreken. Uiteindelijk zouden ze uitlopen op de verwoesting van de Tempel en de verspreiding van de bevolking van Judea en Galilea over heel het Romeinse Rijk. Tegen die achtergrond moeten we het gesprek lezen dat op de weg naar Emaüs gevoerd wordt. Lucas gebruikt hier in het Grieks een woord dat wij later zouden vertalen met preken maar dat hier vertaald is met vertellen. Ze vertellen aan Jezus van Nazareth, de vreemdeling die met hen is op komen lopen, dan wat er gebeurd is. Hoe heel het volk hem beschouwde als een machtig en groot profeet. En de uitdrukking “heel het volk” staat hier in het verhaal van Lucas voor de twaalfde en laatste maal. Het verhaal is nu rond, van heel het volk dat beschreven moest worden is het nu heel het volk geworden dat Jezus van Nazareth als profeet erkend heeft. Maar het einde is eigenlijk alleen verwarring. Engelen die zeggen dat hij leeft, een leeg graf, vrouwen die zich daarover opwinden, wat moeten ze er mee. En dan begint de vreemdeling te spreken, of preken misschien. Wat hij precies gezegd heeft staat er niet. Het gaat over Mozes en de Profeten, de Hebreeuwse Bijbel, wat wij het Oude Testament noemen. Daar gaat het niet meer om een lokale bevrijder zoals in het boek van de Rechters staan, maar daar gaat het over alle volken die zich naar Jeruzalem keren, daar gaat het over de hele bewoonde wereld. Zo zullen volgens Paulus de eerste gemeenten naar Jezus van Nazareth kijken, voor hen is hij de Christus, de Messias geworden die de hele wereld bevrijden zal. Zo leeft hij en zo leeft hij voort. Zo mogen wij hem navolgen, ook vandaag weer.