Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor april, 2010

Na veel beproevingen

vrijdag, 30 april, 2010

Handelingen 14:21-28

Vandaag lezen we het laatste gedeelte van de eerste zendingsreis van Paulus. Samen met Barnabas, aanvankelijk ook met Johannes Marcus, was hij vertrokken uit Antiochië in Syrië om via Cyprus naar Turkije te reizen. Ze hadden nogal wat meegemaakt, ziek geworden, weggejaagd, bespot, vereerd als goden, gestenigd en belasterd. Je zou zo denken dat Paulus en Barnabas er nu wel genoeg van zouden hebben en via de kortste weg terug zouden reizen naar huis. Niets is minder waar. We lezen het stuk van vandaag vaak als een soort routinestuk. Er moet immers een mooi eind aan een verhaal gebreid worden. Maar de verhalen in de Bijbel zijn geen sprookjes en die eindigen dus niet met ze leefden nog lang en gelukkig. Paulus en Barnabas, zo lezen we gaan eerst terug naar al die steden waar ze geweest waren en waar ze niet alleen niet altijd even vriendelijk waren ontvangen maar waar vandaan ook hun tegenstanders hen achterna gereisd waren om mogelijke aanhangers in andere steden tegen hen op te zetten. Ze gingen terug naar Lystra waar ze bijna aanbeden waren als Zeus en Hermes, naar Ikonium en naar het Pisidische Antiochië. Daar waren dus echte christelijke gemeenten ontstaan. Tegenwoordig moeten we de kerken sluiten maar in die dagen vormden zich gemeenschappen van Joden en Heidenen die alles samen deelden, die bijeen kwamen om de Schriften te lezen, het brood te breken en de wijn te drinken. Gemeenschappen die er om bekend stonden dat zij voor de armen en de zieken zorgden, dat slaven daar als vrijen werden behandeld, dat broeders en zusters als in één huis tesamen woonden. De Oudsten hadden de leiding over zulke gemeenten en zorgden voor een goed verloop. Onze kerken kennen die saamhorigheid niet meer. In onze kerken is nog maar een klein groepje diakenen bezig met de zorg voor de armen. Veel van wat er gedaan wordt op grond van het evangelie wordt gedaan buiten de kerken, in schrijfgroepen van Amnesty, bezoekgroepen voor gevangenissen, aanloopcentra voor daklozen, eenzamen en verslaafden, vrijwilligersgroepen in ziekenhuizen en verpleegtehuizen, in Fair Tradewinkels en vakbonden en op tal van plaatsen waar mensen bezig zijn om aan een betere wereld  te werken. We vinden de verhalen in kerken vaak zo vanzelfsprekend dat we denken die niet meer nodig te hebben. Maar de verhalen uit de Bijbel werpen een nieuw licht op onze samenleving, ze laten zien waarom dat werken aan die nieuwe wereld zo hard nodig is, ze maken daardoor dat we het werk vol kunnen houden en niet trappen in de valkuilen waarin vanouds de mens geneigd is te stappen. Dat geld ook voor dit verhaal. Want wie gaat er nu terug naar de plaats waar goed is gedaan maar het goede is afgewezen. Wie durft er nog te gaan naar de plaats waar je bedreigd werd vanwege de gemeenschap van mensen die het goede willen toch te ondersteunen. Dat voorbeeld van Barnabas en Paulus verdient ook in onze dagen op veel plaatsen navolging. Pas dan kunnen we ook thuis komen in onze eigen gemeenschap. Want één element van die gemeenten hadden we nog niet benoemd. Over het goede dat gebeurt mag je ook vertellen, dat mag je ook delen en een gemeenschap is nodig om dat te kunnen delen. Vandaag dus er aan werken en zorgen voor een gemeenschap van mensen die het goede doen en daarover met elkaar delen. Kerken genoeg om die gemeenschappen onder te brengen.

De goden zijn in mensengedaante

donderdag, 29 april, 2010

Handelingen 14:8-20

Dat verblijf in Lystra liep nog maar net goed af voor Paulus. We maken graag afgoden van mensen die we groot en machtig vinden. Of het nu artiesten zijn, filmsterren, politici, pausen en weldoeners, mannen en vrouwen, als ze opvallen dan lopen we er graag achteraan. Er is zelfs een bonte verzameling weekbladen die niet anders doen dan berichten over het wel en wee van onze afgoden, vooral het wee overigens. In al die eeuwen sinds het optreden van Paulus en Barnabas is er nog steeds niks veranderd. Nu hadden zij een arme bedelaar bevrijd van zijn armzalig bestaan door hem te laten opstaan en in beweging te zetten. Mensen vinden dat een wonder, terwijl het toch de bestemming van mensen is om zelf een bijdrage te leveren aan de samenleving in plaats van afhankelijk te blijven van de aalmoezen van anderen. Ook in onze dagen is het onze plicht er voor te zorgen dat mensen mee kunnen blijven doen als ze dreigen aan de kant te komen zitten. Daar moeten wij onze politici op aanspreken. In de samenleving waar Paulus en Barnabas optreden is dat zeer ver buiten de orde van alle dag. Nu waren er in de mythen over de goden van Grieken en Romeinen allerlei verhalen over goden die in de gedaante van mensen of dieren zich tussen de stervelingen hadden begeven om zich daar te vermaken of stervelingen op de proef te stellen. De daad van Paulus en Barnabas werd als goddelijk gezien en zo werden zij tot goden bestempeld. Barnabas werd de oppergod Zeus en Paulus zijn boodschapper Hermes. De priester van Zeus maakte de gebruikelijke offers al klaar, stieren met bloemenkransen getooid. Maar Barnabas en Paulus waren van een volk dat geen andere goden wilde nalopen, laat staan mensen die zich als goden voordeden. Hun optreden was dus kennelijk buiten elke orde van hun eigen godsdienst geweest, daarom werden de kleren gescheurd als waren ze in rouw. Het gaf het wel de kans om te vertellen over de God van Israël, de God die de zon laat opgaan en het laat regenen voor gelovigen en ongelovigen gelijk. Juist in dat geloof ligt de bevrijding van het veelgodendom. Regen en droogte, het weerkeren van de seizoenen, de vruchtbaarheid van het veld en het vee hoeven niet verkregen te worden door offers aan goden, door handelingen in Tempels, door aanbidding en overgave, maar wordt aan alle volken om niet gegeven uit de goedheid van de God van Israël. Die God is zelfs goed als je niet in die God gelooft, maar zorg nooit dat je je uitgeeft voor ook een god. Al dat aanbidden van Goden zoals ook bij ons gebeurd, al dat nalopen van die schijnfiguren uit weekbladen en tv programma;s is lucht en leegte, nutteloos en zonder inhoud. Bevrijding daarvan en het gaan letten op verlamde mensen, mensen die langs de kant zijn komen te staan, die het niet meer zien zitten, de armen en de hongerigen zou ook in de dagen van Paulus tot onrust en revolutie geleid hebben. Uit de steden die daarmee al ervaring hadden kwamen ze dan ook om Paulus en Barnabas te stenigen. Toch waren er, ondanks al die onrust en teleurstelling, ondanks al die tegenwerking, ook in Lystra leerlingen die Paulus uiteindelijk weer op de been hielpen en zorgden dat hij kon doorreizen naar Derbe. Voor ons moet dat hoop geven en moed om door te gaan. Ook in onze dagen is er roddel en achterklap, worden mensen zwart gemaakt die de armen willen helpen, maar ook in onze dagen zijn er velen die zich inzetten voor die betere wereld die ons beloofd is en samen kunnen we ook vandaag weer verder op weg naar die wereld.

Om geweld te gebruiken

woensdag, 28 april, 2010

Handelingen 14:1-7

Over de via Sebaste reisden Paulus en Barnabas van het Pisidisch Antiochië naar Ikonium in Turkije. Een stad die je ook vandaag de dag nog kunt bezoeken al heet de stad nu Konya. De via Sebaste was een van die grote Romeinse wegen die dwars door het hele Rijk liepen. Ikonium lag tussen dat Antiochië en Lystra en Derbe in en de keus van Barnabas en Paulus was dus niet zo vreemd. In elke stad die ze tegenkwamen konden ze het recept van Antiochië herhalen, ze gingen naar de Synagoge om na de lezing uit de Wet en de Profeten hun verhaal over Jezus van Nazareth te vertellen en probeerden dan een gemeente te stichten. En ook in Ikonium lijken ze succes te hebben. Joden en Grieken kwamen tot geloof. Nu wonen er in Turkije niet zoveel Grieken, ook toen al niet, maar de Grieken waren de Heidenen en de Joden waren voor de schrijvers van het Nieuwe Testament de bekenden, ook Paulus, Barnabas en Lucas hoorden immers net als Jezus van Nazareth bij de Joden. Voor de Romeinen vormden die Christenen aanvankelijk een Joodse secte. Het was de Joden er daarom er veel aan gelegen om duidelijk te maken dat zij niet bij die Christenen hoorden. Een beweging die de slavernij wilde afschaffen, die vrede tussen de volken wilde op basis van gelijkheid tussen de mensen, die iedereen wilde oproepen om de bestaande goden af te zweren en voortaan voor elkaar te zorgen bracht zoveel onrust in de samenleving en taste zo fundamenteel de bestaande verhoudingen aan dat een Romeinse overheid wel tot vervolging zou moeten overgaan. Dan kon maar beter van begin af duidelijk zijn dat je daar niet bij hoort. Het is dus duidelijk dat de leiding van de Synagoge een bondgenootschap zoekt bij de leiding van de stad en vast ook bij de priesters van de tempels van de vele plaatselijke en Romeinse goden. Samen hadden ze er belang bij die Christelijke secte zo klein mogelijk te houden en hun eigen invloed zo groot mogelijk. Het kwam daardoor in de stad Ikonium tot een tweespalt, een strijd tussen de aanhangers van Paulus en Barnabas en hun tegenstanders. Het leek er zelfs op dat de twee op goed Joodse wijze gestenigd zouden gaan worden. Een straf die door het volk wordt toegebracht en die in een ordelijke samenleving ook gemakkelijk aan een volksoploop en volkswoede kan worden toegeschreven. In de Griekse tekst die in de Nieuwe Bijbelvertaling wordt gebruikt wordt het verhaal een stuk spannender als je eerst leest over de ophanden zijnde steniging en dan pas leest dat Paulus en Barnabas gelukkig op tijd merken dat ze de benen moesten nemen.De Nieuwe Bijbelvertaling draait de mededelingen helaas om.Paulus en Barnabas reizen verder naar het zuiden, ongeveer 30 kilometer naar Lystra, daar verblijven ze een tijd om vervolgens 90 kilometer verder naar Derbe door te reizen om daar een tijd te werken. Maar dat werk in Lystra is een ander verhaal. Wij moeten ons er van bewust zijn dat de rijken en de machtigen altijd zullen proberen om een rechtvaardige samenleving in een kwaad daglicht te stellen. Ieder die pleit voor een eerlijker verdeling van kennis, macht en inkomen zal verdacht worden gemaakt, dat was toen niet anders als nu. Alleen zij die geloven in de Weg van Jezus van Nazareth zullen het volhouden en uiteindelijk die samenleving, dat Koninkrijk van God, bereiken. Maar ook vandaag kunnen we er weer aan werken.

De achterblijvende leerlingen

dinsdag, 27 april, 2010

Handelingen 13:42-52

Soms staan er merkwaardige verhalen in de Bijbel. Verhalen waarin elke logica lijkt te ontbreken. Neem nu dat verhaal over het bezoek dat Paulus en Barnabas brengen aan de synagoge in het Pisidische Antiochië, in het hart van het huidige Turkije. Paulus preekt daar op zijn eigen bijzondere manier, waarbij de hele Hebreeuwse Bijbel ter sprake komt en ook de jongste geschiedenis van Johannes de Doper tot aan de kruisiging en opstanding van Jezus van Nazareth. In de Synagoge waren naast de Joden ook Heidenen die wel meevoelden met de Joden, graag naar hun verhalen luisterden en soms ook zelf Jood werden. Die Heidenen werden Jodengenoten genoemd. Was het nu omdat Paulus benadrukte dat in Jezus van Nazareth het heil van God voor alle volken toegankelijk werd? Paulus en Barnabas werden in elk geval gevraagd de week er op terug te komen om er verder over te praten en dan gebeurt er iets vreemds, de hele stad loopt uit om dat verhaal te horen. Een verhaal dat begonnen is bij de bevrijding van een groep slaven uit Egypte. Nu was ook de Romeinse samenleving gebaseerd op slaven dus het leggen van de verbinding tussen die bevrijding en de heerschappij van die God over alle volken was wat je noemt revolutionair. Het bevrijden van slaven in het Romeinse Rijk was het omverwerpen van de hele samenleving. Toch loopt een hele stad uit om die boodschap te horen. Het is geen wonder dat de leiding van de Joodse Synagoge spaans benauwd wordt en dat ze uit alle macht proberen bij de elite van de stad Paulus en Barnabas in discrediet te brengen en duidelijk te maken dat zij daar niet bij horen. Die elite van de stad, met name de voorname vrouwen, had te veel profijt van hun slaven om hen zomaar te laten gaan. De rest van de samenleving had echter in toenemende mate last van de slaven. Hoe meer slaven er te werk konden worden gesteld hoe minder werk er over bleef voor de vrijen die betaald moesten worden. Bevrijding van slaven betekende dus direct ook bevrijding van de vrijen, bevrijding van de armen had Lucas al eens verteld was dat wat Jezus van Nazareth zijn volgelingen had opgedragen. Maar Paulus en Barnabas doen wat Jezus van Nazareth zijn volgelingen had opgedragen als ze ergens niet welkom bleken, ze schudden het stof van hun voeten en vertrokken. In dat Pisidische Antiochië lieten ze echter een bloeiende gemeente achter die kennelijk hun gemeenschap ging in richten in de geest van Jezus van Nazareth. En wij dan? Hoe richten wij onze samenleving in? Zorgen wij voor een eerlijke verdeling tussen rijk en arm? De woonsubidie voor de rijken wordt door velen beschermd, hoe onrechtvaardig die ook uitwerkt. Lonen moeten worden gematigd en bonussen blijven buiten beschouwing. Studenten mogen het gelag betalen en wij lopen het risico dat onze meest briljante landgenoten hun heil in het buitenlang gaan zoeken waar ze meer kunnen verdienen en minder hoeven terug betalen. Ook voor mensen in onze dagen die niet tot de rijken behoren klinkt de boodschap van Paulus zo gek nog niet, als we alle volken betrekken bij de verdeling van welvaart en welzijn en vrede als uitgangspunt op aarde nemen dan kan iedereen leven en meedoen aan de samenleving van de hele wereld. Daar moesten we ook vandaag dan maar weer aan gaan werken.

Kijk, spotters, sta verbaasd

maandag, 26 april, 2010

Handelingen 13:26-41

Nadat Paulus de geschiedenis van Israël heeft samengevat, van de uittocht tot en met het optreden van Johannes de Doper, begint hij de betekenis van Jezus van Nazareth te schetsen. Uitgangspunt daarbij is dat de kruisdood en de opstanding van Jezus van Nazareth al vooraf in de Hebreeuwse Bijbel, de schriften, werd voorspeld. Het belangrijkse citaat komt daarbij uit Psalm 16, vers 10 waar volgens Paulus staat :”Hij die door God tot leven is gewekt is niet tot ontbinding overgegaan”. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat in Psalm 16: 10 “U levert mij niet over aan het dodenrijk en laat Uw trouwe dienaar het graf niet zien”. Dat lijkt anders maar we moeten ons realiseren dat Paulus citeert uit de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel en dat de Nieuwe Bijbelvertaling het Oude Testament, dus ook de Psalmen, vertaald heeft uit het Hebreeuws en het Nieuwe Testament vertaald heeft uit het Grieks. Er zijn mensen die willen dat je zo’n bijbelcitaat op beide plaatsen letterlijk hetzelfde vertaalt maar de vraag is of je dan vertaalt wat er staat. We moeten immers de Bijbel niet altijd letterlijk nemen maar naar haar bedoeling. Het is duidelijk dat Paulus wil vertellen dat de afstammeling van David die de mensheid gaat redden en tot God zal kunnen brengen niet in het graf kon blijven maar zijn leerlingen met een levende Messias de wereld in zou sturen totdat alle volken zijn volgelingen zouden zijn. Paulus spreekt in een taal die wij ook na vertaling maar met moeite kunnen begrijpen. Wat moeten we aan met de Wet van Mozes en een vrijspraak die je niet op grond van de Wet van Mozes zou kunnen begrijpen? Dat is typisch een verhaal dat je aan de Joden in de tijd van Paulus kunt voorhouden. Zij geloofden immers, zo werd het hun voorgehouden, dat als het je zou kunnen alle 163 geboden uit de Tora, de Wet van Mozes,  houden je een rechtvaardige voor God zou zijn en het eeuwige leven zou kunnen hebben. Dat werd eigenlijk voor iedereen een teleurstelling want niemand kon al die geboden een heel leven lang houden. Steeds veranderden de omstandigheden, de uitdagingen in het leven, het geluk en het ongeluk in het leven en steeds weer moest je dus op een andere manier de Wet van Mozes toepassen en houden. De Rabijnen leerden dat er voor elk gebod wel zeventig manieren waren om dat gebod uit te leggen en dat elk van die zeventig manieren de juiste was. Jezus van Nazareth was een andere weg ingeslagen. Niet het uitpluizen van elk wetje en elk regeltje was de opgave maar de vraag hoe je de Wet van Mozes tot voordeel kon laten zijn voor de zwaksten en de minsten in de samenleving. Niet jij met jouw streven de Wet te houden moest behouden worden, maar de zieke, de arme, de hongerige, de slaaf, de vreemdelingen, de weduwe en de wees. Dat kon alleen door de samenvatting van de wet centraal te stellen, heb Uw naaste lief als Uzelf. Dat zelfs door de dood heen volhouden bracht de redding van de wereld. Want we zijn allemaal in staat om samen er voor te zorgen dat iedereen te eten heeft, dat aan alle mensen recht wordt gedaan en dat niemand langs de kant van de weg hoeft te blijven zitten. Jezus van Nazareth heeft het ons voorgedaan en wij mogen hem daarin navolgen, ook vandaag weer.

De God van het volk van Israël

zondag, 25 april, 2010

Handelingen 13:13-25

Vandaag lezen we een preek van Paulus. De eerste preek die in de Bijbel van Paulus bewaard is gebleven. Samen met Barnabas en Johannes Marcus waren ze van Cyprus vertrokken. Ze waren naar het toenmalige Pamfilië gegaan, een Romeinse provincie die in het huidige Turkije lag. Ze voeren naar Perge, vlak bij het huidige Murtana en daar besloot Johannes Marcus terug te gaan naar Jeruzalem. Ze waren al zo’n 15 kilometer de rivier de Cestrus opgevaren en Paulus en Barnabas bleven ook niet in Perge kunnen we in de brief van Paulus aan de Galaten lezen omdat Paulus ziek werd, het klimaat in Perge was kennelijk ongezond. Paulus en Barnabas reisden door naar het koelere hoogland in Turkije en kwamen in Antiochië in de provincie Pisidië. In deze Romeinse kolonie woonde een aanzienlijk aantal Joden. Daarom konden Paulus en Barnabas op de Sabbat naar de Synagoge gaan. In de Synagoge werd elke week een stuk uit de Tora gelezen, de eerste vijf boeken van Mozes, en een gedeelte uit de profeten. Welke gedeelten werden gelezen toen Paulus en Barnabas er waren vermeld het verhaal niet maar Paulus en Barnabas werden wel uitgenodigd om die Sabbat de preek te houden, ze werden kennelijk als voorname gasten beschouwd, mannen broeders zelfs. Paulus begint gelijk met het veranderen van de gewoonten, de prediker in de Synagoge bleef gewoonlijk zitten, Paulus ging staan en sprak de aanwezigen aan met “Israëlieten en alle anderen die God vereren”. Joden en Heidenen, die laatsten zijn de Jodengenoten, worden hier gelijkelijk aangesproken als gelovigen in de God van Israël. Paulus gaat ook niet in op de gelezen gedeelten maar vat de Wet en de Profeten samen door de geschiedenis van het volk Israël vanuit de Uittocht tot het optreden van Johannes de Doper samen te vatten. Paulus en Barnabas zijn mensen van de Weg, de Weg van Jezus van Nazareth, en zoals Paulus de geschiedenis presenteert was het volk Israël vanouds al het volk van de Weg, de Weg van de God van Israël. En langs die Weg, dat was voor de toehoorders natuurlijk duidelijk, stonden de richtingaanwijzers van de God van Israël, de geboden die mensen op de goede weg moesten brengen. Paulus geeft de geschiedenis van het volk overigens ook weer zoals die in zijn tijd in het Grieks verteld werd. Dat Koning Saul veertig jaar geregeerd zou hebben lezen we niet in de Bijbel maar wel bij de Joodse historicus Flavius Josephus, een tijdgenoot van Paulus. Uiteindelijk loopt het verhaal uit op de komst van de Messias, de bevrijder van Israël, volgens Paulus niemand anders dan Jezus van Nazareth. En Paulus beroept zich daarbij op de verklaring van Johannes de Doper, daar had heel het volk achteraan gelopen maar Johannes had zich de wegbereider genoemd en Jezus van Nazareth aangewezen als de uiteindelijke Messias voor wie hij de Weg moest bereiden. Met Johannes de Doper eindigt het tijdperk van de belofte en begint het tijdperk van de vervulling. Nu is het mogelijk van je naaste te houden als van jezelf. Nu is het pas echt mogelijk maaltijd te houden met de armen en de vreemdelingen zoals de Tora al had geboden. In de Messiaanse gemeente, de Christelijke gemeente, konden Joden en Heidenen samen aan het Avondmaal, samen de maaltijd van de bevrijding vieren in gedachtenis aan Jezus van Nazareth, samen konden ze de beker drinken omdat zijn bloed was vergoten en hij door de dood heen de liefde van God had weten te dragen. Dat kunnen ook wij doen in onze dagen, samen met armen en vreemdelingen het brood breken, delen wat nodig is en een samenleving opbouwen van gelijkheid en vrede. Daar mogen we vandaag ook weer aan werken.

U bent een bedrieger

zaterdag, 24 april, 2010

Handelingen 13:1-12

Het boek Handelingen vertelt het verhaal hoe de boodschap van Jezus van Nazareth van Jeruzalem naar Rome is gekomen. Dat ging niet rechtstreeks, soms met grote omwegen, maar het leert ons iets over hoe wij dat verhaal in onze dagen in onze geschiedenis en onze omgeving zouden kunnen doen landen. Vandaag lezen we over het begin van de eerste reis van Saulus, ook wel bekend als Paulus. Die was vanuit Jeruzalem naar Antiochië in Syrie gereisd. Daar was hij de jaren daarvoor ook opgeleid tot verkondiger van die boodschap van Jezus van Nazareth. In Jeruzalem was de gemeente van de Weg, de volgelingen van Jezus van Nazareth, steeds kleiner geworden door de vervolging en de vlucht van Christenen die daarop volgde. In Antiochië was geen vervolging en daar was een sterke groep van aanhangers van de Weg gegroeid. Er waren mensen van allerlei afkomst en achtergrond lid van die gemeente. Het verhaal noemt er een paar en in die kleine groep wordt de grote verscheidenheid al duidelijk. We hadden al kennis gemaakt met Barnabas, die was met Saulus naar Jeruzalem gereisd om een gift te brengen van de gemeente van Antiochië. Zij hadden de executie van Jacobus de broer van Johannes meegemaakt en de bevrijding en de vlucht van Petrus. Samen met Johannes Marcus waren ze teruggekeerd naar Antiochië. Maar er was ook een neger, een zwarte Afrikaan, Simon heette die, en Lucius een Romein uit Cyrene in Noord Afrika zo ook Manaän een relatie van de koning Herodes die stierf toen die god genoemd werd. Een bont gezelschap. Uit dat gezelschap gingen Barnabas en Saulus weer op reis en opnieuw namen ze Johannes Marcus met zich mee. Ze gingen uiteindelijk naar Cyprus, de plaats waar Barnabas oorspronkelijk vandaan kwam. Ze gaan, als vrome Joden, eerst naar de Synagoge om daar te vertellen over Jezus van Nazareth en zijn Weg om de Heer te dienen en de wetten van Mozes te vervullen. Dan reizen ze door naar de hoofdstad van Cyprus, Pafos, om daar Sergius Paulus te bezoeken die namens de Romeinen de baas was op Cyprus. Als echt Romeins heerser had deze een magiër of voorspeller in dienst. Romeinse heersers deden weinig zonder dat een deskundige de afloop van hun handelen had voorspeld. Zoals tegenwoordig mensen hun horoscoop laten trekken of een reading laten doen. Met die man komt Saulus in conflikt. Hij noemt hem een bedrieger en zorgt er voor dat deze ziener niets meer kan zien. Dat brengt zelfs de Romeinse consul tot geloof en nu Saulus ook een prediker is geworden van de Romeinen, de Heidenen, veranderd in het verhaal ook zijn naam in Paulus, een meer Romeins klinkende naam. Al eerder werd die naam genoemd want uiteindelijk toen de lezers voor het eerst dit verhaal van de Handelingen lazen hadden ze al lang kennis gemaakt met de brieven van diezelfde Paulus. Paulus had geen magische tekenen of hulpmiddelen nodig om duidelijk te maken hoe de verhoudingen er uit zien. Geen sterren of readings, dat is allemaal bedrog. Waar het om gaat zijn de rechte wegen van de Heer, dat zijn de wegen waarin mensen tot hun recht komen. Dat is de weg die rechters als de proconsul moeten bewandelen, maar dat is de weg die ook wij kunnen bewandelen, elke dag opnieuw en ook vandaag.

Hier spreekt een god

vrijdag, 23 april, 2010

Handelingen 12:20-25

Humor in spannende tijden kan een belangrijk wapen zijn om te overleven. Je kunt van een levende keizer niet zeggen dat het belachelijk is dat hij zich god noemt, hij kan je ter dood laten brengen. Maar een koning die onverwacht dood neerviel nadat het volk hem als god had toegeroepen kun je natuurlijk wel belachelijk maken. Voor Christenen in het Romeinse Rijk moet zo’n kort verhaal over Koning Herodes lachen geweest zijn, God straft onmiddellijk. En een ruzie binnen het Romeinse Rijk tussen machthebbertjes maakte het natuurlijk nog leuker. Herodes had zijn eigen zeehaven Ceasarea, die concureerde met Tyrus en Sidon. Het lijkt er in het verhaal op dat Herodes kans had gezien om een blokkade van Tyrus en Sidon voor elkaar te krijgen. Dat was knap want de beide steden lagen in de Romeinse provincie Syrie en de Romeinen waren er niet dol op dat plaatselijke machthebbers hun eigen steden te na kwamen. Om aan de blokkade te ontkomen stuurden Tyrus en Sidon afgezanten naar het hof van Herodus en daar wisten ze een hoge ambtenaar van de Koning gunstig voor hun zaak te stemmen. Hoe ze dat gedaan hebben vertelt het verhaal niet, maar wie bekend is met de wegen van de machtigen en hoe hen gunstig te stemmen kan vermoeden hoe het gegaan is. Wie daar niet mee bekend is heeft vast wel eens van begrippen als smeergeld, corruptie en omkoping gehoord en van die zaken is in het Romeinse Rijk voldoende opgetekend om ook in dit geval te kunnen vermoeden dat de manier waarop Blastus gunstig werd gestemd onder deze begrippen ondergebracht zou kunnen worden maar we weten het niet en moeten niet oordelen zonder de feiten te kennen. Feit is dat die Blastus genoeg invloed had om ook de Koning gunstig te stemmen en het voor elkaar te krijgen dat er vrede gesloten wordt. Dat gaat dan gepaard met de plechtige ondertekening of bevestiging van een vredesverdrag. In al die eeuwen is er op dat punt niks veranderd. Mannen in deftige pakken, Herodes in zijn koninklijk gewaad in dit geval, houden plechtige toespraken en laten zich toejuichen door het volk. Ook hier is dat het geval. Maar tot verbijstering van de aanwezige Joden roept het volk van Tyrus en Sidon samen met het volk van Caesarea dat die Herodes een god is. Dat is voor de Joden een gruwel, dat was voor de Christenen ook een gruwel maar de Heidenen onder de Christenen waren er wat meer aan gewend. Bij de Joodse schrijver Flavius Josephus krijgt de dood van Herodes dan ook heel wat meer aandacht dan bij Lucas. Kennelijk vond Lucas het een goede grap en een goede wraak voor de dood van Jakobus de broer van Johannes. Het gevolg was wel dat steeds meer mensen de Christelijke weg gingen volgen. Het geld dat Saulus en Barnabas hadden ingezameld op hun voorgaande reis voor de vervolgde gemeente in Jeruzalem was dan ook meer dan welkom. Beiden gingen terug naar Antiochië. Christenen in de hoop achterlatend dat het al die zelfbenoemde godheden zou vergaan als Herodes, ze konden doodvallen. En ook dat is niet anders dan toen. Of al die deftige mannen in hun mooie pakken met hun fraaie toespraken echt vrede zullen brengen moeten we maar afwachten. En in de tijd dat we wachten kunnen we beter doen wat de mensen van de Weg, de Christenen, ook deden, de hongerigen voeden, delen met de armen en je naaste lief hebben als jezelf. Ook vandaag weer.

Hij meende een visioen te zien

donderdag, 22 april, 2010

Handelingen 12:1-19

Daar juicht een toon, daar klinkt een stem die galmt door gans Jeruzalem. Dat is de eerste zin van een oud Paaslied dat de vreugde uitdrukt over het feest van de opstanding. Maar dat is al weer een paar weken geleden en hoe zou het nu verder gaan met dat groepje achterblijvers dat drie jaar lang met Jezus van Nazareth was opgetrokken? In het boek Handelingen wordt het verhaal opgepakt als het opstandingsfeest al weer een jaar geleden is. En dan blijkt dat er van die juichende toon niet zoveel meer over is. Koning Herodes, kleinzoon van de Koning Herodes uit het verhaal over de kindermoord in Bethlehem en neef van de Koning Herodes die een rol had gespeeld in de kruisiging van Jezus van Nazareth, kon er toch slecht tegen dat er Joden waren die nog steeds over Jezus van Nazareth spraken als over de Koning van de wereld. Hij ging die volgelingen van Jezus van Nazareth vervolgen, liet ze arresteren en mishandelde ze.  Hij zag de jonge beweging van de mensen van de weg, zoals ze werden genoemd, kennelijk als een politieke bedreiging. Ook veel Joden die aanhanger waren gebleven van de elite rond de Tempel ergerden zich aan die fanatiekelingen die dag in dag uit rond de Tempel dat verhaal over Jezus van Nazareth liepen te verkondigen. De arrestatie en onthoofding van een van de meer belangrijke leden van die secte viel dan ook bij veel mensen in goede aarde. Die onruststokers moeten aangepakt worden. Meer Tempelpolitie en direct terechtstellen dat tuig was de opvatting. Je hoort het tegenwoordig ook nog wel eens roepen als het gaat om andersgelovigen die hun eigen godsdienst willen beleven. Toen het gelukt was een belangrijke voorman uit te schakelen kwam er natuurlijk ook ruimte om de meest vooraanstaande woordvoerder van de nieuwe beweging aan te pakken. Dat was Simon Petrus, die al een vooraanstaande positie had ingenomen toen Jezus van Nazareth nog rondtrok als een zeer populaire prediker. Maar die Simon Petrus was bij een groot aantal mensen zeer geliefd en het lag voor de hand dat een Koning van het formaat Herodes bang was dat die volgelingen hun voorganger zouden bevrijden. De gemeente van Jezus van Nazareth liet zich echter niet de mond snoeren. Ze waren vol vuur aan het bidden staat er en dat bidden was niet met de handen gevouwen en de ogen dicht, dat bidden was werken en proberen wegen te vinden om de gevangenen te bevrijden zoals Jezus van Nazareth hen nog had opgedragen. En kennelijk is er iemand geweest die een weg heeft gevonden. Lucas vertelt het verhaal of er een bevrijding heeft plaatsgevonden zoals het volk Israël uit de slavernij in Egypte werd bevrijd. Met een Engel die de deur opent, met Petrus die de lendenen omgorden moet en sandalen moet aantrekken, dat moest het volk Israël ook want dan konden ze harder lopen. Pas als ze buiten zijn en zich van de gevangenis hebben verwijderd beseft Petrus wat er is gebeurd. God heeft mensen, boodschappers dus engelen gezonden, om zijn knecht te bevrijden. Als Petrus dan zijn verslag heeft gedaan aan het gezelschap dat hij bij de moeder van Johannes Marcus had aangetroffen en gevraagd had om het verhaal aan Jacobus de broer van Jezus te melden, die de leider was van de gemeente in Jeruzalem, vluchtte Petrus. En dat was hem geraden ook, want de soldaten die hem hadden moeten bewaken werden ter dood gebracht. Bevrijding van gevangenen is dus één van de eerste taken van de christelijke gemeente. In onze dagen sluiten we ons daarvoor aan bij Amnesty International en daar kun je elke dag op eenvoudige wijze voor in aktie komen, bidden heet dat in Bijbelse termen, maar zoek ze maar eens op en doe mee.

Waarschuw het volk

woensdag, 21 april, 2010

Exodus 19:16-25

Het bliksemt en het dondert, de berg is in rook gehuld en vuur speelt rond de top. Na drie maanden naar deze berg te zijn getrokken en drie dagen na de aankomst, goddelijke tijden dus, mag Mozes de berg op om God te ontmoeten. Het volk niet, zelfs de priesters niet, alleen Aäron mag mee. De inwijding van een zootje slaven die op de vlucht zijn tot een volk dat een eigen bestaansrecht heeft zal diepe indruk maken. De beschrijving die de schrijver van het boek Exodus gekozen heeft lijkt op de beschrijvingen van grote en zware vulkaanuitbarstingen en wie de beelden heeft gezien van de stof en rook uitbarsting en het vuur van de vulkaan op IJsland die het hele Europeese vliegverkeer lamlegde kan zich iets voorstellen van wat het volk Israël daar diep in de woestijn Sinaï moest meemaken. Geen volk had zoiets meegemaakt maar uit alle verhalen over goden kon  je opmaken dat het moest het zoiets zijn als wanneer je jouw God zou ontmoeten.  Nog altijd wordt op het Joodse Nieuwjaar, de Rosj ha’Sjana, de Ramshoorn geblazen, ooit ook een teken voor het volk om soldaten te sturen naar het bedreigde land. Een laag en doordringend geluid waar niemand omheen kan en niemand van kan zeggen dat het niet gehoord is. Het begint de dag en weerkaatst tegen de berg, het moet op zich al ontzagwekkend geweest zijn. Dat is de omgeving waarin God tot zijn volk zal gaan spreken. Het volk weet het al, dit zal hun God zijn en zij zullen zijn volk zijn. Dit is de God die hen uit de slavernij van Egypte heeft bevrijd. Niet door een toevallige gebeurtenis, de slavernij was er zelfs door verergerd, maar een reeks rampen had het volk van Egypte getroffen, tot de dood van de eerstgeborene  toe. Dat had de macht van die God al duidelijk gemaakt. En nu stonden ze onderaan de berg te wachten op wat komen gaat. De berg zelf mogen ze niet op, ze moeten achter de omheining blijven, zelf de priesters van die God van Israël mogen die berg niet op. Ook de rechters en de oudsten niet die ze hadden aangesteld. Het volk is weer gelijk, er is niemand meer of beter dan de ander. Alleen Mozes, die van begin af aan de schakel is geweest tussen het volk en de God van Israël mag tot die God naderen en zijn broer die van begin af aan de woordvoerder van Mozes is geweest en die de eerste priester was van de God van Israël. Zo wilde die God kennelijk zijn volk zien. Als een volk waarbij niemand meer was dan een ander. Geen koninklijk hof, geen priesterstand met een aparte status, geen edelieden die boven het volk uitstaken, een volk van gelijken, een volk dat alleen kon overleven als het samen optrok en samen deelde van wat het had. Een volk waar ieder voor de ander had te zorgen omdat er anders niemand de tocht door de woestijn zou overleven. Ze hadden vlees in de avond en brood in de morgen. Het dagelijks brood was hen genoeg. Ze hadden zes dagen om te verzamelen en voor hun bezit te zorgen, maar ze hadden één dag om aan het volk en zijn God te besteden, één dag om te rusten. Het is een volk dat met recht apart gezet genoemd kan worden. Zo’n volk kennen we niet meer. In alle volken komen sterken en zwakken, machtigen en onmachtigen voor, in alle volken zijn er belangrijke mensen en onbelangrijke mensen, behalve in het volk van God. Wij zullen daar, ook in de kerken, nog eens hard aan moeten werken, zouden we vandaag mee kunnen beginnen.