Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor maart, 2010

Toen ontstond er onder hen onenigheid

woensdag, 31 maart, 2010

Lucas 22:24-38

De Pesachmaaltijd was geweest, het Avondmaal ingesteld en dus was het verhaal over de uittocht opnieuw vertelt. De leerlingen hadden ongetwijfeld het gevoel gekregen een nieuw volk te vormen dat onder leiding van Jezus van Nazareth uit de wereld van de onderdrukking door de Romeinen zou trekken. Ze kregen dus ruzie wie in dat nieuwe Koninkrijk de belangrijkste zou zijn. Daar waren immers posten te verdelen, ministers, priesters, oversten, zo gaat dat toch in een land. Er moeten nu eenmaal autoriteiten en wetgevers zijn. Belangrijke mensen die uitmaken wat we met elkaar moeten vinden en aan welke wetten we ons moeten houden. Net als in het volk van Mozes, die het volk in groepen van vijftig verdeelde en elke groep de oudsten liet kiezen, kunnen wij ook onze volksvertegenwoordigers kiezen. Maar ook onze volksvertegenwoordigers worden belangrijke figuren die te pas en te onpas ons komen vertellen wat we ergens van moeten vinden. Ze doen dat in het belang van de bevolking en laten zich dus graag weldoener noemen. Jezus van Nazareth zet er een andere manier van regeren tegenover. Niet de bovenbazen zijn de belangrijkste maar de dienaren, de minsten. Wat er in het volk gebeurt, wat de prioriteit heeft, wordt bepaald door de mensen aan de kant van de weg, de zwervers, de zwakkelingen, de hongerigen, de armen. Zelfs de opperste bovenbaas van dat nieuwe volk van Jezus van Nazareth en zijn volgelingen is in de eerste plaats een dienaar, iemand die alles heeft opgegeven om er te zijn voor de minsten in zijn samenleving. Dat hebben die volgelingen natuurlijk ook gedaan, zij hebben hun werk en hun plek opgegeven en toen Jezus van Nazareth riep “volg mij” zijn zij hem gevolgd. Daarom kunnen zij de koningen worden in die nieuwe samenleving. Daar kunnen zij ook recht spreken over het hele koninkrijk, hier nog genoemd de twaalf stammen van Israël, maar recht spreken als dienaars, dat betekent dat zij mensen tot hun recht laten komen, dat ze mensen recht doen. Dan zijn de minsten niet meer de verschoppelingen maar de hoekstenen onder de samenleving. De eerste die zich steeds had aangediend als woordvoerder van de volgelingen van Jezus van Nazareth was Simon, de visser uit Kafernaüm. Nog steeds moet Simon leren wat het is te heersen als een dienaar. Natuurlijk, hij wil best net zo belangrijk zijn als Jezus van Nazareth, zeker als zijn vrienden er bij zijn. Maar Jezus van Nazareth waarschuwt, flink doen is niet dapper en werkelijk volhouden betekent dat je je leven moet durven verliezen, daar is die Petrus nog niet aan toe, hij zal Jezus van Nazareth nog voor de morgen aanbreekt en de haan kraait wel drie maal verloochend hebben. En dan komt Jezus van Nazareth tot de kern van zijn verhaal. De schriftgeleerden en de hogepriesters waren al een tijdje op zijn leven uit. Zo gaat dat met mensen die consequent dienaar willen zijn. De profeet Jesaja had daar al over geschreven. Zulke mensen, schreef hij, worden gerekend tot loochenaars van de Thora, tot wettelozen wordt hier vertaald. Maar of het gebruik van twee zwaarden genoeg zal zijn valt nog te betwijfelen. Voor ons de vraag wat voor leiders wij ons kiezen, de belangrijk doende grijze pakkendragers die ons vertellen wat we moeten vinden, of de dienaars, zij die werkelijk een hand uitsteken naar de minsten. In deze dagen wordt ons de keus voorgelegd.

Doe dit, telkens opnieuw

dinsdag, 30 maart, 2010

Lucas 22:1-23

Lucas verbindt de instelling van het Christelijke Avondmaal heel uitdrukkelijk met de Pesachmaaltijd zoals die in het boek Exodus wordt beschreven. De maaltijd met ongezuurd brood en een geroosterd lam moet elk jaar gehouden worden als herinnering aan de uittocht uit Egypte. Op die avond gingen alle eerstgeborenen dood behalve de eerstgeborenen in de huizen waar het bloed van het lam aan de deurposten en de dorpels was gesmeerd. De Egyptenaren joegen toen de Israëlieten het land uit. En elk jaar klinkt opnieuw de vraag van de jongste aan tafel waarom die avond zo anders is dan alle andere en dan wordt het verhaal van de Uittocht vertelt in de tegenwoordige tijd, alsof alle aanwezigen het zelf meemaken. In de manier waarop in de kerken het Avondmaal wordt gevierd ontbreekt dat verhaal. Dan gaat het alleen nog over Jezus van Nazareth en de woorden die hij volgens het verhaal van Lucas bij dat Pesachmaal uitsprak op de avond voor hij door Judas zou worden overgeleverd. Dat Pesach is overigens hetzelfde als het Pascha dat vroeger in de vertalingen stond. Pesach komt uit het Hebreeuws, maar dat werd in de dagen van Jezus van Nazareth nauwelijks meer gesproken, toen sprak men Aramees en in het Aramees heet Pesach Pascha. Toen Lucas veel later zijn verhaal in het Grieks opschreef was die naam veel bekender dan de Hebreeuwse naam. Nu wij de Bijbel weer uit het Hebreeuws laten vertalen kennen we ineens beide namen, hetgeen soms voor verwarring zorgt, maar die verwarring kan ons behoeden de Bijbelvertalingen al te letterlijk te nemen. Die Satan die bezit neemt van Judas wordt in gewone mensentaal ook wel aangeduid als splijtzwam of tweedrachtzaaier. Lucas spreekt over Judas als overleveraar, nergens als verrader. Het zijn de Hogepriesters en schriftgeleerden, de autoriteiten van zijn dagen, die hun geloofsgenoot Jezus van Nazareth verraden en aan de bezetters overleveren. Eerst komt dus dat Pesachmaal. Dat Lam dat zijn bloed geeft om de slaven te redden en te helpen bij de bevrijding uit de slavernij is vanwege de loop van dit verhaal door Christenen als snel vereenzelvigd met Jezus van Nazareth. Dat gastenvertrek moet een veilige plaats geweest zijn. Kennelijk waren er mensen die ongezien gezelschappen pelgrims een plek boden om dat Pesachmaal te vieren. Als je het Pesachmaal wilde vieren dan hoorde je immers bij het volk? Buiten het volk mocht niemand meedoen aan dat Pesachmaal. Die maaltijd onderscheidde het volk van Israël van alle andere volken. Al die volken die zo bezig waren met de dood, met geld verdienen, met land veroveren, met machtiger worden en nog machtiger, met oorlog voeren en onderdrukken. Israël was uit die wereld getrokken op weg naar een land waar gedeeld werd, waar je de beker doorgeeft aan elkaar, waar je het brood breekt en met elkaar deelt, waar je er dus voor zorgt dat er altijd genoeg is voor iedereen. Dat doorgeven van de beker en dat breken van het brood heet een godsdienstoefening. Dat breken en delen is het hart van de christelijke godsdienst en iedere keer als er Avondmaal gevierd wordt dan oefenen Christenen zich in die godsdienst. Op de achtergrond speelt dat verhaal van de bevrijding van de slaven, de bevrijding van armen had Lucas dat genoemd, want Christenen zijn op weg naar een wereld waar alle tranen gedroogd zullen zijn en niemand meer honger hoeft te lijden, door te delen met elkaar.

Ieder die tot de gemeenschap behoort

maandag, 29 maart, 2010

Exodus 12:43-51

Midden in het verhaal over de Uittocht neemt de Bijbel de ruimte om goed duidelijk te maken wat het belang is van de herinnering aan Pesach. Die nacht waarin een scheiding werd gemaakt tussen het Egypte van de dood en het Israël van het leven was niet zo maar een nacht. In die nacht ontstond het volk van Israël en werd de God van Abraham, Izaäk en Jakob ook echt de God van Israël, de God van het volk van bevrijde slaven. Aan de maaltijd, waarop die bevrijding niet alleen herdacht wordt maar ook opnieuw gebeurt in het antwoord op de vraag waarom die avond anders is als alle andere, mogen dus alleen zij deelnemen die tot het volk van bevrijde slaven horen. Voor mannen is het teken daarvoor dat zij besneden zijn. Toevallige voorbijgangers, als vreemdelingen die met je handel komen drijven of op bezoek zijn, horen er niet bij, net als slaven die er voor kiezen niet bij jouw huishouding te horen maar hun tijd uitdienen tot ze weer naar hun eigen huis kunnen terugkeren. Maar iedereen die tot het volk van bevrijde slaven wil horen is verplicht mee te doen, verplicht om mee te vieren dat de slaven bevrijd zijn, dat het volk op weg is gegaan naar het beloofde land, het land overvloeiende van melk en honing, naar de wereld waarop uiteindelijk alle tranen gedroogd zullen zijn. Want je kunt niet onverschillig blijven bij zo’n machtige daad die van geslacht op geslacht doorwerkt in de wereldgeschiedenis. Het ongezuurde brood staat weer op tafel, een beker wijn is het teken van de vreugde en wordt gezegend zodat het goede er vanuit kan gaan. Komende week vieren ook de Christelijke kerken weer die Pesach maaltijd. Niet alle voorschriften worden dan nageleefd. Als teken dat werkelijk iedereen op de hele wereld mee mag gaan met die God van Israël is het voorschrift van de besnijdenis vervallen. Joden worden nog besneden en dat is goed, Heidenen hoeven zich niet te laten besnijden. Ook het karakter van die Pesach maaltijd is veranderd. De bevrijding is nu niet alleen van slavernij, niet van het kwaad van Egypte alleen, maar van alle kwaad, van onrecht en geweld in de wereld. Daarvoor was Jezus van Nazareth consequent de weg gegaan van Gij zult niet doden, doe een ander niet wat gij niet wilt dat U geschiedt, heb Uw naaste lief als Uzelf. Tegen de dood in ging hij die weg en zoals de matzes gebroken worden met Pesach werd zijn lichaam gebroken en zoals de wijn wordt geschonken bij die maaltijd werd zijn bloed vergoten. Sinds die Pesach maaltijd, waarop Jezus van Nazareth zijn volgelingen vroeg de bevrijding door de God van Israël te verbinden met de Weg die hij te gaan had om de Liefde van die God door de dood heen vol te houden, vieren Christenen over de hele wereld zondag aan zondag die maaltijd, de maaltijd van bevrijding. De Pesach maaltijd was een maaltijd die op een avond werd gevierd en daarom noemen Christenen hun maaltijd het Avondmaal. In Protestantse kerken niet overal elke zondag gevierd maar deze week op Donderdagavond zeker wel. De voorschriften die we vandaag lezen in het verhaal over de Uittocht waren het begin, wij mogen er ook deze week in meegaan, door ons brood te delen en mee te doen in de bevrijding van de armen, de slaven, de ontrechten, de onderdrukten, ook vandaag weer.

‘Ga onmiddellijk bij mijn volk weg, ‘

zondag, 28 maart, 2010

Exodus 12:29-42

Dan is de maat vol, dan is het geduld op. Drie maal drie keer heeft de farao de kans gehad zich te onderwerpen aan de God van Israël, maar drie maal drie keer leek hij in het licht van de God van Israël steeds harder te worden, zich steeds vaster te klampen aan zijn eigen godsdienst, de godsdienst van de dood. Nu in het midden van de nacht komt die dood in elk huis van Egypte, tot in de gevangenis toe. Een volk dat zo bezig is zich voor te bereiden op een leven na de dood, daar eigenlijk alles aan opoffert zou toch niet moeten schrikken als de eerstgeborenen die reis alvast beginnen, maar het tegendeel is het geval. Ondanks het duister van de nacht schrikt iedereen wakker van de dood en klinkt in heel Egypte een luid gejammer. Nog dezelfde nacht is het de farao zelf die Mozes en Aäron ontbiedt en de Hebreeën beveelt weg te gaan zoals zij gevraagd hebben. Hij kan ook niet meer tegen de druk van zijn eigen volk op dat bang is allemaal te moeten sterven voor de hardnekkigheid van de farao. Eindelijk kiezen ook de Egyptenaren voor het leven, maar daarvoor moeten ze eerst oog in oog komen te staan met de dood. De Israëlieten stonden al gepakt en gezakt klaar. Ze hadden van de Egyptenaren goud en zilver gevraagd en kleren, loon voor vele eeuwen slavernij. Ooit waren er 70 naar Egypte getrokken met Jakob de aartsvader nu trokken er zeshonderdduizend strijdbare mannen het land weer uit, vrouwen en kinderen telden nog steeds niet. De belofte aan Abraham, Izaaäk en Jakob was ondanks alle slavernij, ondanks de pogingen van de farao het volk uit te roeien uitgekomen, het was een groot volk dat rijk beladen uittrok uit Egypte, bevrijd van de slavernij. Van de voorraadstad die ze hadden gebouwd voor de farao naar de grens met de woestijn trokken ze. Niet alleen de nakomelingen van de zonen van Jakob maar alle slaven en zelfs Egyptenaren trokken met ze mee, een grote groep van allerlei herkomst. Van het deeg bakten ze de ongezuurde broden, de matzes, leeftocht voor de tocht door de woestijn. Dertig jaar had Jozef in Egypte voor zijn vader, zijn broers en hun familie gezorgd en er voor gezorgd dat de Egyptenaren de magere jaren konden doorkomen waarin de oogst mislukte en het vee vermagerde. Na de dood van Jozef hadden de Hebreeën nog vierhonderd jaar in Egypte gewoond. Het was een nacht om nooit te vergeten, een nacht waarin de God van Israël niet alleen scheiding maakte tussen licht en duister, tussen dag en nacht, tussen zon en maan, tussen land en water, maar eindelijk ook tussen dood en leven. Een nacht om elk jaar opnieuw te doorwaken. Een feest ook voor ons om bij stil te staan en te vieren. Want van begin af aan zijn het niet alleen de nakomelingen van Jakob en zijn zonen die profiteren van het ingrijpen van de God van Israël, van de bevrijding uit de slavernij. Tot de grote groep van allerlei herkomst mogen ook wij behoren. Zolang de Joden het verhaal vertellen in tegenwoordige tijd roepen zij eigenlijk ook tegen ieder die het horen wil om mee te gaan. Uittrekken uit de wereld van de dood en te kiezen voor de wereld van het leven, voor het land waar alle tranen gedroogd zijn, waar iedereen mag bij horen en waar alles met iedereen wordt gedeeld. Vandaag mogen ook wij ons klaarmaken voor die reis om mee te gaan op de weg van Jezus van Nazareth, de weg van breken en delen.

“Wat betekent dit gebruik?”

zaterdag, 27 maart, 2010

Exodus 12:14-28

De Bijbel houdt niet van zinloze gebruiken, die je doet omdat ze nu eenmaal altijd al gedaan worden. Dat geldt zeker niet voor het hoogtepunt van de jaarlijkse feesten, het Pesachfeest. Dat is het feest van de keuze tussen leven en dood. Die dood vergeten we vaak gemakshalve en misschien wel terecht want het gaat nu eenmaal om het leven. De slaven werden bevrijdt van de Egyptische doodscultuur. Het bloed, in Israël de drager van het leven, aan de deuren bevestigde de keuze. Daar woonden de mensen van het leven. Die bevrijding moest gevierd worden, jaar in jaar uit. Tot drie keer toe wordt die dag als “deze” dag genoemd om te onderstrepen hoe belangrijk, hoe Goddelijk, die bevrijding uit de slavernij in Egypte wel niet geweest was. Ongezuurde broden, de matzes worden er gegeten, zeven dagen lang zodat je zeker weet dat niemand nog oud zuurdesem gebruikt dat bedorven kan zijn, nee er moet gegarandeerd opnieuw worden begonnen. Wie zich daaraan niet houdt hoort niet bij het volk Israël, net als mannen die zich niet laten besnijden. Vreemdelingen worden van die regel overigens uitgezonderd. Die matzes laten zich overigens gemakkelijk bewaren want door het ontbreken van het zuurdesem bederven ze lang zo snel niet en het was dus ideaal brood om mee te nemen op reis. Het is nog steeds het brood van de armen, in India heten ze chapati maar het recept van meel, olie, water en een snufje zout is nog steeds hetzelfde. Je rolt het deeg dun uit en bakt het op een hete steen of een hete bakplaat. Samen met geroosterd vlees levert het ook nog een smakelijke en voedzame maaltijd op. Nauwkeurig staan de gebruiken van de Pesach beschreven en hun betekenis. Al ontgaan ons soms betekenissen die voor de Hebreeuwse lezers uit de tijd van de ballingschap nog zeer vanzelfsprekend waren. Dat hysopbladeren verkoelend werken zal ons onbekend zijn en dat bloed aan de deur ook het onheil kan weren is een betekenis die ons ook zal ontgaan. Die deur markeert volgens sommige rabbijnse uitleggers de grens tussen dood en leven. Wij spreken overigens over een gebruik, maar in het Hebreeuws staat er letterlijk “dienst”, het je houden aan een dergelijk gebruik is ook een dienst aan de traditie, maar voor de Israëlieten uit het beloofde land ook een herinnering aan de Wet van eerlijk delen die ze in de woestijn hadden ontvangen. Door opnieuw te beginnen met de uittocht uit Egypte, beginnen ze ook opnieuw de reis met de God die met je meetrekt en met het houden van een Wet die de aarde tot het beloofde land zal maken. Daarom is het ook dat kinderen vragen waarom de Pesachmaaltijd zo anders is als anders en daarom wordt tot op de dag van vandaag het verhaal van de Uittocht uit Egypte vertelt in de tegenwoordige tijd, alsof het hier en nu gebeurt. Want het mag altijd weer opnieuw beginnen. We mogen elke dag weer opnieuw bevrijd worden van de slavernij van de dood, van de machten van de goden van goud en belofte, van de macht van de dood. Elke dag opnieuw mogen we kiezen voor het leven en delen van wat we hebben met hen die niets hebben opdat ook zij blijven leven en de hele aarde een mensenland wordt waar alle tranen gedroogd zijn. Elke dag, ook vandaag weer.

Ik zal die nacht rondgaan

vrijdag, 26 maart, 2010

Exodus 12:1-13

Wie blijft staren op wat vroeger was versteent, verstart, vroeger was het echt niet beter. In de Bijbel zullen we nog genoeg verhalen over het volk Israël tegenkomen als ze terugkijken op vroeger, op hun verblijf in Egypte. Maar in Egypte loopt alles uit op de dood. Alleen niet voor de volgelingen van de God van Israël, daar gaat iets nieuws beginnen. Een nieuwe jaartelling, de eerste maand valt op het bevrijdingsfeest dat voortaan Pesach zal heten. Het nieuwe jaar niet, dat valt pas in de zevende maand, we moeten een eind op streek zijn als we nieuw jaar kunnen vieren, maar het begint met de bevrijding van de slavernij. Het is een wreed stukje dat we vandaag lezen. Alle eerstgeborenen zullen worden gedood, alleen niet die uit het land Gosen die herkenbaar zijn aan de met bloed bestreken dorpels van de deuren. En dat omdat God het hart van de farao heeft verhard. Want al die Egyptenaren waren toch zo aardig om hun kostbaarheden te delen met de hebreeën. Als we dit een wreed stukje vinden dan lezen we dat als een geschiedenisverhaal waar alleen mensen in voorkomen. Maar het gaat om de geschiedenis van God met de mensen. Daar wordt een scheiding gemaakt tussen dood en leven en worden de mensen opgeroepen te kiezen voor het leven. Egypte staat daarbij voor het land van de dood. Niet zo vreemd want de godsdienst van Egypte draaide om de dood, de pyramiden van Egypte leggen daarvan tot op de dag van vandaag getuigenis van af en in het Egyptische dodenboek kun je lezen hoe die dodencultus in elkaar stak. Als je de God van Israël kent, de God van het leven, van het opkomen voor de zwakken, van de bevrijding van de slaven dan steekt die dodencultus wreed af tegen die God. Daarom gaat die God rond om alle Egyptische goden van hun voetstuk te stoten. De cultus van de dood loopt alleen maar uit op de dood, alles en iedereen die die cultus belijdt en aanhangt zal met de dood geconfronteerd worden, zal moeten huilen en rouwen om het dode dat gebleven is. Alleen wie het durft te wagen met de God die met je meegaat, die er zal zijn zoals die er zal zijn, de God van Israël zal leven. Die is herkenbaar aan de uitnodiging het offer te komen delen. Want waarom dat bloed aan de deurpost? Het lijkt op iets van tovenarij, maar als je na alle rampen die Egypte getroffen heeft nog durft te slachten en te roosteren, een dier in haar geheel, en het ook nog aandurft om iedereen en alles te laten zien dat je dat hebt gedaan, dan dwing je jezelf om je open te stellen om te delen. Dan trek je uit uit het land van de dood, naar het land van het leven. Dan moet je leeftocht meenemen dat niet bederft, het zuurdesem verwijderen en ongezuurd brood eten. Wie trouwens regelmatig zuurdesembrood bakt weet dat het verstandig is na een jaar nieuw zuurdesem aan te maken, dat duurt een paar dagen en dan is eten van ongezuurd brood zeer gezond. Het zijn voorschriften die het leven markeren, Pesach is daarom een feest van het leven dat zich afzet tegen de dood. We weten daarom dat pas in het licht van de God van Israël het hart van mensen verhard kan worden, alsof die God dat zelf doet, want temidden van de doodsaanbidding kiezen voor het leven en is zo radicaal anders kiezen dat mensen zich daartegen verzetten. Of het nu gaat om delen met de hongerenden in Afrika, of kiezen voor klimaatmaatregelen waarvoor je je gewoonten en dagelijks leven moet aanpassen, we weten dat het verzet leidt tot de dood. Maar voor sommigen lijkt het of er eerst doodgegaan moet worden voor gekozen kan worden voor leven. Wacht daar dus niet op, kies nog vandaag voor het leven. De bevrijding uit Egypte laat zien dat het kan.

De HEER heeft Jakob uitgekozen

donderdag, 25 maart, 2010

Psalm 135

Vandaag zingen we een lofpsalm. Een vrolijk lied op de Uittocht van Israël uit Egypte en de verovering van het beloofde land Kanaän. Niet een machtig volk als Egypte was gekozen maar een klein, zwak slavenvolk als Israël. Voor dat volk waren al die wonderen gedaan, waren al die plagen op Egypte afgestuurd en waren uiteindelijk alle eerstgeborenen gedood. Die waren door de Egyptenaren aan hun eigen goden opgedragen, de eerstgeborenen van Israël waren als offer in de Nijl geworpen, maar de God van Israël had de rollen omgedraaid en laten zien wie de machtigste was, wie de Heer van hemel en van de aarde was. Als je de Hebreeuwse tekst van deze psalm leest valt het op dat het taalgebruik heel veel lijkt op dat van het boek Deuteronomium en veel minder op het taalgebruik van het boek Exodus. Zoals we de psalm nu in de Bijbel aantreffen komt die naar alle waarschijnlijkheid uit een latere tijd, wellicht zelfs uit de tijd van de ballingschap. En dan wordt de nadruk uit de psalm op al die natuurgebeurtenissen die door God worden veroorzaakt ook duidelijk. Veel van de plagen van Egypte hadden immers te maken met de natuur en de relatie die in de godsdienst van Egypte werd gelegd tussen zogenaamde goden en de loop van de natuur. Het volk Israël had altijd al de neiging om godsdiensten na te lopen die de goden vroegen om de loop van de natuur te beïnvloeden. De God van Israël had dat altijd verboden. Profeten en Priesters waren er tegen opgestaan en telkens weer was het volk opgeroepen om van die weg af te keren. De enige manier om vruchtbaar te zijn en een vruchtbaar jaar te krijgen was delen. Sparen in tijden van overvloed en samen delen in tijden van schaarste. Dat zou het volk pas sterk en welvarend maken. Als je je daar aan zou houden dan zou de God van Israël dat belonen. Dan hoef je overigens nooit bang te worden dat je te kort zou komen. Al die griezelige offerrituelen die de vreemde godsdiensten meebrachten, tot tempelprositutie en tempelhomosexualiteit toe, waren dan niet nodig. Sexualiteit was niet langer gericht op de vruchtbaarheidsriten voor vreemde goden maar op de liefde voor je partner. En als je niet bang hoeft te zijn voor goden dan ontstaat er ook ruimte voor humor. Dan zie je dat de beelden van die goden die zo plechtig worden aanboden van zilver en goud zijn, dat ze stommetje spelen en dat uiteindelijk de aanbidders van die goden er net zo uit gaan zien, het worden de mummies van Egypte, ook die zwijgen. Alleen de God die een Tempel heeft in Jeruzalem valt te vertrouwen. Als je de regels van die God navolgt, en dat navolgen is ook het aanbidden van die God, dan kom je niks te kort. Je moet dan wel zorgen dat je dat als volk doet. Pas als een volk samen deelt en samen spaart dan kan iedereen de slechte tijden door komen, dan is iedereen bevrijd van de angst voor het weer, de angst voor de toekomst, de angst voor de dood. Dan hebben ook de weduwen en de wezen een toekomst. En als je ook nog de vreemdelingen er bij weet te betrekken dan wordt het volk pas echt gelukkig. In de Tempel worden die regels bewaard en daar wijst het slot van de Psalm ook heen, daar mogen wel elke dag weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag.

De farao zal niet naar jullie luisteren

woensdag, 24 maart, 2010

Exodus 11:1-10

Je zal maar de keuze hebben, zijn we solidair met die aardige mensen of houden we toch afstand en onderscheid. Voor de Egyptenaren is het duidelijk, prima mensen die Hebreeuwse slaven maar ze zijn ons volk niet. En als het gaat om de bevrijding van slaven dan gaat het niet aan om net te doen of ze er bij horen. In de literatuur over de slavernij in Amerika lees je dat telkens terug. Natuurlijk waren er aardige en menselijk blanken die hun slaven menselijk behandelden. Maar het onderscheid tussen blanken en zwarten bleef, slaven bleven slaven en zelfs nadat de slavernij was afgeschaft, na een bloedige burgeroorlog, bleef het verschil bestaan. Tot ver in de tweede helft van de vorige eeuw bestonden er zelfs verschillen in wettelijk vastgelegde rechten van burgers tussen blanke en zwarte burgers. Een burgerrechtenbeweging en een democratische president, die zijn toekomst op het spel durfde zetten, waren nodig om die verschillen uit de wetten te krijgen. En het duurde tot deze eeuw voordat de eerste gedeeltelijk zwarte president werd gekozen en in tal van Amerikaanse media wordt nog het verschil gemaakt tussen blanken en zwarten en worden zwarten als voormalige slaven als minderen bestempeld. Veel mensen vragen zich af hoe het nu zit met de God van Israël, waarom toch zo wreed tegen de Egyptenaren die toch de slaven in hoog aanzien hadden. De God van Israël wilde scheiding maken tussen goed en kwaad, tussen mensenland en chaos. Dat was begonnen in de schepping en dat klinkt in alle verhalen over de slavernij en de uittocht uit Egypte door. De vraag was niet wie er aardig was en wie niet maar de vraag was wie er bij wilde horen of niet. In ons land komen mensen op voor kinderen die hier geboren zijn en die uitgewezen dreigen te worden. Die kinderen horen bij ons volk is dan de opvatting, ook al ligt dat niet vast in onze wetten, wie in ons midden is geboren en getogen hoort bij ons, een scheiding tussen hen en ons is niet te maken. Zo maakte de God van Israël een scheiding tussen het volk van Egypte en het volk van Israël en zo vraagt de God van Israël ons vandaag waar wij bij willen horen. Horen wij bij de armen in de wereld, bij de kinderen die in ons midden zijn geboren, bij de hongerenden met wie wij niet kunnen delen, met de gevangenen om gewetenswil die op komen voor de mensenrechten die wij met hen samen hadden vastgesteld in de Verenigde Naties. Of horen wij bij de rijken in de wereld, die hun rijkdom ophopen en elke poging om hen te laten delen met geweld en vertoon van macht verijdelen. Alle wonderen die Mozes en Aäron in het bijzijn van de farao hadden verricht waren er op gericht te laten zien wat er nu wel en wat er nu niet een land was waar mensen in vrede en veiligheid kunnen wonen. Het is de God van Israël die ons naar dat land brengt. Die God heeft de richtingwijzers gegeven waarlangs we kunnen gaan. Voor ons Heidenen heeft die God uiteindelijk zelfs zijn zoon gegeven om ons voor te doen hoe wij moeten handelen om te laten zien dat wij bij die God willen horen, in het land van die God willen wonen. Want dat gebod navolgen van de naaste liefhebben als jezelf daar komt het uiteindelijk op aan, ook vandaag.

Dan komt er duisternis over Egypte

dinsdag, 23 maart, 2010

Exodus 10:21-28

De Bijbel begint met het verhaal over de aarde en hoe die woest en ledig was. De Geest van God zweefde over de wateren en God besluit die woeste en lege aarde te vullen en tot mensenland te maken. Het begint met het maken van de scheiding tussen duisternis en licht. En nu de bevrijding van de slaven uit Egypte naderbij komt wordt er opnieuw scheiding gemaakt tussen het duister en het licht. Het is alsof de God van Israël opnieuw de aarde tot mensenland gaat maken. Dat het een Godsdaad is wordt in dit verhaal tot uidrukking gebracht door het drie dagen te laten duren. Dat is het getal van de volheid, het goddelijk getal. Christenen zullen direct denken aan de drie dagen dat Jezus van Nazareth in het graf was afgedaald. Vroeger werd wel verteld dat hier al vooruitgelopen werd op die begrafenis. Maar het omgekeerde is het geval, ook Jezus van Nazareth maakte de drie duistere dagen van Egypte door. Tegelijk is het hele verhaal van de plagen in Egypte ook een verhaal over de strijd tussen godsdiensten. Niet de Egyptische Nijlgodin bepaalde het water in Egypte maar de God van Israël, die kon het zelfs in bloed veranderen, niet de Egyptische Kikkergodin bepaalde de vruchtbaarheid, de God van Israël liet zoveel kikkers komen dat het leven er door dreigde te verstikken. En nu is het niet de Zonnegod Ra die het licht brengt maar de God van Israël die het alleen licht laat zijn voor zijn mensen, voor de slaven van Egypte in het land Gosen. Op dat besef lopen de onderhandelingen tussen Mozes en de farao over het vertrek van het volk Israël al stuk. Nu mogen ook vrouwen en kinderen mee van de farao maar het vee moet blijven. Dat zou alleen kunnen als de farao de offerdieren ter beschikking zou stellen, maar dan blijft nog de vraag van de Israëlieten om zelf te mogen gaan offeren. En het offeren aan de God van Israël kun je alleen doen van je eigen bezit, niet van het bezit van een ander. Want offeren aan de God van Israël is delen van je eigen bezit met hen die geen bezit hebben. Hier loopt het verhaal misschien al vooruit op regels die nog moeten worden gegeven, maar als later dit verhaal wordt verteld klinkt de uitleg over bekende regels al in het verhaal door. Offeren gebeurde aan goden om hen gunstig te stellen, maar offeren aan de God van Israël betekende dat je ook zelf deelneemt aan het maken van een beter mensenland door een deel van je bezit te delen met een ander. Uiteindelijk gaat dat zover dat je je eigen leven deelt met een ander, dat je je eigen macht nooit gebruikt om het leven van een ander te nemen. Dat was het offer dat Jezus van Nazareth bereid bleek te brengen en waardoor het hem als eerste en enige lukte de liefde van God ook door de dood heen vol te houden. Daarom lezen we in deze veertigdagen tijd ook het verhaal over Mozes en Aäron. Want op tal van punten moeten wij dezelfde lessen leren als de farao, de Egyptenaren en het volk Israël. Ook voor ons moet het niet gaan om een mooier en beter land voor onszelf, om meer en nog meer voor de rijken, maar om de wereld tot een beter mensenland voor iedereen te maken. Daarvoor is bijna dezelfde strijd tegen het zelfde soort afgoden als uit de dagen van Mozes nodig. Daarvoor is het nodig dat we kiezen voor het leven en bereid zijn alles wat we hebben en wat we zijn te delen met hen die in slavernij gevangen zitten. Dat kan al vandaag beginnen, dan begint voor ons de uittocht al vast.

Laat die Israëlieten toch gaan

maandag, 22 maart, 2010

Exodus 10:1-20

Nadat het gerst en het vlaszaad voor de armen was vernield door de hagel en de bliksem zijn nu ook de tarwe en de spelt aan de beurt om verwoest te worden. Daar blijft het overigens niet bij want de sprinkhanen  vreten alles op wat plantaardig is. Een plaag die ook vandaag de dag nog wel in Afrika voorkomt. Nog steeds wil die farao niet echt het volk Israël laten gaan. Nu mogen wel de mannen, maar niet de kinderen, de vrouwen en het vee. Ook eerder al werd het vee uitgezonderd van de toestemming, maar die bleef nu beperkt tot de mannen. En aangezien voor Mozes en Aäron er geen onderscheid is tussen mannen en vrouwen, tussen jong en oud, en het vee nodig is om te offeren aan de God van Israël neemt Mozes het aanbod van de farao niet aan. Als hij dan uit het paleis wordt gejaagd rest er niets anders dan de sprinkhanen op te roepen die alle planten moeten opvreten die de hagel heeft overgelaten. De komst van de sprinkhanen wordt verteld alsof het volk Israël al in het beloofde land is gaan wonen. In het Oosten ligt daar de woestijn waaruit die zwermen sprinkhanen soms komen opzetten en in het Westen ligt de zee waarvandaan de wind komt die de sprinkhanen verdrijft. De onontkoombaarheid voor Egypte om de slaven te laten gaan wordt in deze plaag meer dan eens duidelijk. Heel Egypte gaat hieraan ten gronde. Daarom smeekt de farao of de God van Israël die dood van hem weg wil nemen en van de sprinkhanen staat er dat er geen een meer overbleef, ze verdronken in de rietzee, zoals overigens van het leger van de farao gezegd zal worden dat er geen een meer overbleef, nadat ook het leger in de rietzee verdronken was. Dit verhaal laat al zien hoe er met de opvreters zal worden omgegaan nog zonder die opvreters ook met name te noemen. De plagen van Egypte zijn dan ook uitdrukkelijk bedoeld om de macht van de God van Israël duidelijk te maken. Als je elkaar weet te respecteren, als je met elkaar weet te delen, als je de arbeider een goed loon en een fatsoenlijke behandeling weet te geven dan zal het uiteindelijk ook goed gaan. Maar als je het tegendeel doet dan zal het slecht met je aflopen. Daarom heeft het geen zin te klagen over de smerigheid in de treinen en op de stations. Als grote bedrijven als de NS en Prorail weigeren de schoonmakers een fatsoenlijk loon te garanderen dan rest die schoonmakers niet anders dan te staken. In het verhaal dat we vandaag lezen maakt het volk Israël gebruik van het verschil tussen landbouwers en veetelers. Die veetelers hebben nog wel even te eten nadat het groen is opgevreten door de sprinkhanen maar de landbouwers zijn in een klap alles kwijt. Wat de Egyptenaren moeten leren is dat landbouwers en veetelers met elkaar moeten delen. Zoals wij moeten leren dat de rijke noordelingen moeten delen met de arme zuiderlingen. Want vanuit ons Europa gezien wonen de rijken in het noordelijk gedeelte van de aarde en de armen overwegend in het zuidelijk deel. Ook wij zullen moeten leren dat pas als we armen en rijken gelijk behandelen, gelijke kansen geven en gelijke rechten en mogelijkheden er voor iedereen genoeg is en gerechtigheid geschiedt aan alle mensen. Daar kunnen we ook deze nieuwe werkweek weer aan werken.