Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor februari, 2010

Een bloedbruidegom

zondag, 28 februari, 2010

Exodus 4:24-31

Als je op weg gaat om de armen te bevrijden dan moet je er ook echt bij willen horen. Het heeft geen zin om aan de kant van de rijken te blijven staan en vanuit die luxe positie te pleiten voor bevrijding van de armen. Jezus van Nazareth zou later zijn volgelingen oproepen om alles in de steek te laten en hem te volgen. Zo wordt ook Mozes geconfronteerd met de keus tussen Israël en Egypte, tussen leven en dood. Zo zal hij het gevoeld hebben, als hij geloofde dat de God van Israël het volk zou bevrijden uit de slavernij en naar het beloofde land zou leiden dan betekende een keuze voor het hof van Egypte de dood. Zijn vrouw Sippora begreep het. Jongens werden in Israël besneden, dat was het teken van het verbond tussen God en zijn volk. Ook de zoon van Mozes en Sippora zou daarom besneden moeten worden, dan pas zouden ze de Hebreeën zijn voor wie ze waren uitgetrokken. En die besnijdenis werd direct in verband gebracht met Mozes zelf. Aangezien Mozes drie maanden lang door zijn moeder verborgen was gehouden wordt aangenomen dat ook Mozes besneden is geweest, maar de besnijdenis had zijn waarde verloren doordat Mozes was opgevoed aan het hof van Egypte. Nu Mozes en zijn gezin volop Hebreeën waren geworden konden ze op weg. Dat beeld van een Man met zijn gezin op een ezel op weg naar Egypte wordt later door Matteüs gebruikt om Jezus van Nazareth als bevrijder te kunnen schilderen. Maar Mozes is niet langer op de vlucht, net als Jakob keert hij terug naar huis en net als Jakob eens komt ook Mozes zijn broer, Aäron, tegen. Nu niet een broer waarvoor je bang moet zijn zoals Jakob bang voor Esau was, maar een broer die je te hulp komt en die welsprekend als hij is de boodschap aan het volk kan overbrengen. Het volk boog dan ook diep voor deze hoopbrengende boodschap, tenminste de oudsten van het volk deden dat. Dat ging wel heel gemakkelijk. Er komt een man uit de woestijn, met zijn gezin, die wordt voorgesteld als een Hebreeër die opgekomen was voor zijn volksgenoten en daardoor had moeten vluchten en nu de God van Israël had ontmoet en de overtuiging had gekregen dat hij ze moest bevrijden uit de slavernij in Egypte. Het waren de wonderen die hij liet zien die kennelijk diepe indruk maakten. Mozes kon immers zijn staf in een slang laten veranderen en zijn hand melaats maken en weer laten genezen. Maar is dat het meest overtuigend geweest? We weten het niet, de schrijver van het verhaal laat het in het midden. Wat we wel weten is dat een volk dat in slavernij wordt gehouden altijd zal verlangen naar vrijheid. Wat we wel weten is dat de God van Israël zich altijd aan de kant van de verdrukten zal opstellen. Als mensen anderen willen verdrukken en slaven willen houden dan zal de God van Israël ze niet tegenhouden, de God van Israël is immers niet met hen. Daarom zullen bevrijders ook nooit kunnen slagen vanuit de positie van onderdrukkers, maar alleen als ze zich vereenzelvigen met de slachtoffers. Daarom kan hulp aan de armsten der aarde ook alleen slagen als er eerlijke handelsverhoudingen zijn, dan pas staan we schouder aan schouder op één lijn. Daar moeten we rekening mee houden als we op pad gaan voor Jezus van Nazareth. Wiens naaste willen we zijn en wat zou het voor ons betekenen aan de kant van de weg tussen Jeruzalem en Jericho te liggen. Die vraag kunnen we ook vandaag meenemen op de Weg van Jezus van Nazareth.

Daarom zal ik je eerstgeboren zoon doden

zaterdag, 27 februari, 2010

Exodus 4:13-23

Mozes blijft tegensputteren. Hij hoort niet bij het hof van Egypte en hij hoort niet bij de Hebreeën die in slavernij voor de Farao moeten werken. Maar langzaam ziet hij in dat al die tegenwerpingen drogredenen zijn. Hij had toch ooit nog een broer die goed van de tongriem was gesneden, Aäron  heette die. Hier wordt hij al aangeduid als Leviet, het loopt vooruit op het priesterschap dat Aäron later zou gaan bekleden en priesters verkondigen immers het woord van de God van Israël.  En zouden de weinige mensen die van die moord op de opzichter wisten nu nog leven? Of nu nog de behoefte hebben er macht over hem mee uit te oefenen? Uiterst onwaarschijnlijk. In de uitleg van rabijnen over het optreden van Mozes komt de veronderstelling voor dat Mozes wel 40 jaar in Midian in de woestijn heeft gewoond voor hij terug ging naar Egypte. Nu is het getal 40 in verband met een termijn een symbolisch getal dat in de Bijbel meestal betekent dat de tijd vol is, dat er genoeg tijd verstreken is, letterlijk kun je het vaak niet nemen. Dat de taak die hem wacht niet gemakkelijk is laat zich raden, die staf waarmee hij wonderen kan doen zal hem nog van pas komen. En of hij terug zal keren en hoe blijft ook nog een raadsel, geen wonder dat hij vrouw en kinderen met zich meeneemt. Hij neemt dus afscheid van zijn schoonvader die hier anders lijkt te heten dan op andere plaatsen in het boek Exodus. Geleerden wijten dat aan het eigenaardige van de Hebreeuwse taal. Die kent alleen medeklinkers en de klinkers moet je te weten komen door vaak naar het voorlezen te luisteren. Pas nadat het volk Israël door de Romeinen over de aarde werd verspreid hebben Joodse geleerden een systeem ontwikkeld waarmee de klinkers konden worden toegevoegd aan de medeklinkers. Maar verschillen zijn soms niet uit te sluiten en de naam van de schoonvader van Mozes waarschuwt ons nog maar eens de vertaling van de Bijbel al te letterlijk te nemen. Het wordt dus voor Mozes wel een onzekere reis. Maar dat hij tegen de Farao moet gaan zeggen dat zijn eerstgeboren zoon zal sterven lijkt nog wel de zwaarste boodschap. Zo gaat Mozes op pad. En hoe gaan wij op pad? Als we tenminste de moed bij elkaar rapen en opstaan en op weg gaan om te werken aan de bevrijding van de armen? Zo noemde Jezus van Nazareth de opdracht die hij aan zijn volgelingen gaf. Van Mozes mogen we leren dat we het niet alleen hoeven te doen. Er zijn ook altijd andere mensen die voor ons het woord kunnen doen of die met ons mee willen gaan. Bij organisaties als Fair Trade en Amnesty International werken al heel veel vrijwilligers. En het schrijven van brieven aan regeringsleiders om te pleiten voor de vrijlating van gewetensgevangenen hoef je niet alleen te doen. Ervaren deskundigen hebben brieven opgesteld die je zo kunt navolgen. Mogelijkheden genoeg dus. Daarbij komt je eigen persoonlijkheid, iedereen weet iets, kan iets en neemt zichzelf mee. Je overtuiging straalt uit zegt men en in dat stralen manifesteert zich ook je God en voor het goede mag je er op rekenen dat de God van Israël met je meetrekt, ook vandaag nog, ook in onze wereld.

Wie heeft de mens een mond gegeven?

vrijdag, 26 februari, 2010

Exodus 4:1-12

Mensen zijn halstarrig als het gaat om het goede te doen en niet dan het goede. We zorgen liever eerst voor onszelf en dan voor een ander. Dat Mozes zich verzette vinden we over het algemeen niet zo vreemd, die God mag dan een machtig God zijn, de Farao van Egypte mocht er ook wezen. Met paarden en ruiters hield hij woestijnvolken buiten Egypte en rond de Nijl was de landbouw zeer zorgvuldig en succesvol georganiseerd. Het volk Israël was bovendien als slavenvolk ingeschakeld in de bouw van steden voor de Farao. Die Farao had er dus alle belang bij dat volk bij zich te houden en niet vrij te laten. Het volk zelf wist inmiddels best wat verzet tegen de Farao zou betekenen. Als zo’n Egyptische bastaardprins na jaren uit de woestijn zou terugkeren, na eerst wegens moord en doodslag daarheen te zijn gevlucht, dan was het onwaarschijnlijk dat het volk naar hem zou luisteren als hij het zou uitnodigen met hem de woestijn in te gaan. Maar de drang om het volk te verlossen uit de slavernij is sterker. Mozes heeft een staf die in een slang kan veranderen. Als Mozes zijn hand in eigen boezem steeks dan krijgt hij de Egyptische ziekte, melaatsheid. Dat beeld was zo sterk dat de hand in eigen boezem steken via de Statenvertaling zelfs in ons dagelijks taalgebruik terecht is gekomen. Kijk eens wie je zelf bent betekent het. Mozes moet inzien dat zijn Egyptische opvoeding hem kan helpen bij de Farao en zijn Hebreeuwse achtergrond hem kan helpen bij zijn eigen volk. De Egyptenaren kan hij laten inzien dat de Nijl hun leven betekent, water geschept uit de Nijl is het bloed op de aarde. En die God die met je meetrekt zal je de juiste woorden geven. Want zoals zoveel mensen is ook Mozes bang niet op het juiste moment de juiste woorden te kunnen vinden. Mensen kunnen in een klein gezelschap soms honderduit vertellen maar voor een zaal vol mensen staan ze te stamelen en te stotteren, als ze zich zouden inbeelden slechts tegen enkelen te spreken zou het een stuk beter gaan. De ontdekker van de moderne psychiatrie Sigmund Freud zag overigens in dit bezwaar van Mozes een bewijs dat die Mozes eigenlijk een Egyptenaar was geweest, zijn eigen volk, de Hebreeën zouden hem nauwelijks hebben kunnen verstaan. Maar als je spreekt in de Geest van de God van Israël, woorden van vrede spreekt, aandacht vraagt voor de slaven die om bevrijding schreeuwen, wijst op de armen in de samenleving, dan geeft die God vanzelf de goede woorden. We hebben tegenwoordig zelfs een Bijbel vol met de goede woorden. God heeft alleen meer mensen nodig die hun mond open willen doen om het onrecht aan de kaak te stellen en stem te geven aan hen die monddood zijn gemaakt. Zoals Mozes zijn hand in eigen boezem moet steken mogen ook wij beseffen dat de mensen tot wie wij spreken geen andere mensen zijn dan wij zelf. Het is de enige Heer van de wereld die ons roept op weg te gaan voor de bevrijding van de onderdrukte mens, er zijn geen andere heren die ons daarvan zouden kunnen weerhouden, alleen onze eigen bezwaren zitten ons in de weg, wat dat betreft verschillen we zelfs niet van Mozes toen hij bij de brandende struik zijn God tegenkwam. Op weg dus, ook vandaag weer.

Maar wie ben ik

donderdag, 25 februari, 2010

Exodus 3:11-22

Een vraag die we ons vaak stellen. Wie ben ik dat ik mijn mond open kan doen of wie ben ik dat ik deze taak op mij kan nemen. Het kan een eerlijk aangeven van je grenzen zijn maar ook een smoes geboren uit angst. Dat laatste kan fataal zijn. Als niemand zijn stem verheft tegen onrecht dan heerst het onrecht over iedereen. Als niemand opstaat tegen het kwade dan heerst het kwade over iedereen. En we doen het zo gemakkelijk. Als Moslims worden beledigd omdat hun Islam voor achterlijk wordt uitgemaakt dan zwijgen we want we zijn toch geen Moslims en hangen de Islam niet aan. Als homo’s worden gepest dan gaan we een straatje om, want we zijn toch geen homo’s en als we dat wel zijn kijken we helemaal wel uit want het zou ons ook eens kunnen overkomen. Als zwervers worden weggejaagd dan kijken we een andere kant op want we zijn geen zwervers en we konden hun stank ook al niet verdragen. Zo kunnen we natuurlijk nog een tijdje doorgaan. Maar als jouw opvattingen voor achterlijk worden uitgemaakt, als jezelf wordt gepest, als je zelf ergens wordt weggejaagd, als het jou allemaal overkomt, wie staat er dan voor jou op?  Mozes was opgevoed als een prins van Egypte maar had moeten vluchten omdat hij een moordenaar was geworden. Nu hij doorkrijgt hoe het goede voor zijn volk gedaan zou moeten worden bekruipt hem dezelfde angst. Hij maakt kennis met een God die meegaat in het goede. Die meeging toen Abraham zijn land uit trok, die meetrok met Izaaäk in Kanaaän, die meeging met Jacob toen die naar Laban ging, die met Jozef was in Egypte. Die God belooft ook met ons mee te gaan in het goede. Wij noemen dat de Heilige Geest die in ons zal zijn als wij het goede doen en niet dan het goede, ja zonder die Geest zouden we het goede niet eens kunnen doen. Met die boodschap wordt Mozes naar de Farao gestuurd en naar zijn eigen volk. Beiden moeten de God van Israël leren kennen. Hier klinkt bij het voorlezen niet de naam van God,” Ik zal er zijn “, of de vier letters waarmee die naam wordt geschreven: JHWH, maar gesproken wordt van de Heer. Een politieke belijdenis. Want niet de Farao is de Heer van de wereld, maar de God van Israël, niet Mozes is de Heer van de Hebreeën, maar de God van Israël. Zo is voor gelovigen in de God van Israël ook in onze dagen geen mens Heer over andere mensen. Ieder mens heeft een eigen taak en bij het uitvoeren van die taak mogen we allemaal hopen dat de Geest van de God van Israël met die mens is, dan kan die mens het goede doen bij het uitvoeren van de taak die die mens gegeven is, maar wie het kwade doet zal daar door iedereen op aangesproken en tegengesproken moeten worden, want het kwade zal niet mogen heersen op aarde. Zo wil volgens dit verhaal deze God gedacht worden. Hier wordt gesproken van aangeroepen, maar letterlijk staat er “dit is mijn gedachtenis van geslacht op geslacht”, dat betekent dat er telkens mensen geroepen worden om te gaan naar mensen in nood. Dat betekent voor ons dus dat wij ons geroepen mogen weten als we ons wenden tot mensen die in nood zijn, als we opstaan tegen het onrecht, als we spreken voor mensen die sprakeloos gemaakt zijn. Elke dag kan dat opnieuw, maar een extra verantwoordelijkheid is er als er verkiezingen komen, dan kunnen we onze stem eerst recht uitbrengen.

God hoorde hun jammerkreten

woensdag, 24 februari, 2010

Exodus 2:23-3:10

“Dit zijn de namen”, zo begint het boek dat wij Exodus noemen, maar dat in het Hebreeuws dus “de namen” heet. In het gedeelte dat we vandaag lezen krijgt de God van Israël eindelijk een naam. Die naam wordt nooit uitgesproken. Niet omdat die naam geheim is maar omdat die naam voor mensen zo geweldig is dat je siddert bij de gedachte er aan alleen al. Die naam heeft namelijk een bijzondere betekenis en die betekenis wordt in het gedeelte van vandaag al zichtbaar. Alleereerst heeft die God een verbond gesloten, met Abraham, met Isaäk en met Jakob. De Nieuwe Bijbelvertaling laat die laatste twee keer “met” weg, maar God heeft zowel met Abraham als met Isaäk en met Jakob telkens een nieuw verbond gesloten. Telkens wel dat het land Kanaän een land zou worden van een groot volk dat zou afstammen van Abraham en van Isaaäk en van Jakob. Die belofte was er niet zomaar, dat verbond hield verplichtingen in, wederzijdse verplichtingen en daarom hoorde die God ook de jammerkreten van dat volk en trok die God hun lot aan. En dan? Schieten er bliksemschichten van omhoog om de Farao en zijn volk te vernietigen? Komt er een engelenleger om tegen het leger van Egypte te vechten? Nee, zo werkt de God van Israël niet! Bevrijding van ellende gaat niet op gebed of op jammerkreten maar gaat door het werk van mensen. Mozes in dit geval. Die zag een boodschapper in een vuur dat uit een doornstruik ontvlamde op de berg van die God, een struik die brandde maar niet verteerde. Geleerden zeggen dat het een soort struik is die, als die bloeit, de indruk wekt in brand te staan. Zo’n struik groeit in de woestijn. Maar Mozes ziet er een boodschap van zijn God in. Dit is heilige grond, daar bloeien planten in de woestijn. Zou zo het volk Israël kunnen bloeien? Was er niet een land beloofd waar ze net zo konden bloeien als al die andere volken buiten Egypte? Zou er niet een land zijn overvloeiende van melk en honing? Zou je dan niet de hulp van die God kunnen krijgen als je naar de Farao gaat om de vrijheid voor dat volk te verkrijgen? Dat zou het moeten zijn. Als je de God van dat volk zelfs achter in de woestijn kunt ontmoeten, want achter de woestijn ligt immers dat beloofde land. Wat is dat voor een God die zegt geen naam maar een boodschap te hebben: “Ik zal er zijn zoals ik er zijn zal” De God die er was voor Abraham, die er was voor Izaaäk. die er was voor Jakob, die er voor elk van hen was zoals hij er voor hen wilde zijn, die er voor Mozes was zoals hij er voor hem wilde zijn, die er voor zijn volk wilde zijn zoals hij voor dat volk wilde zijn, die er voor elk van ons is zoals hij voor elk van ons wil zijn. En zeg nu niet dat de God van een ander, de God die met die ander meegaat, een andere God is is dan de God die er voor jou is, die met jou meetrekt. Samen kun je die God aanbidden, door er voor elkaar te zijn, door elkaar te bevrijden van angst voor elkaar, elkaar te bevrijden van slavernij en dat wat je vasthoudt en weg van elkaar. Die God stuurt elk van ons op weg, dezelfde weg die Mozes moet gaan, maar elk van ons met een verschillende opdracht. Want voor elk van ons is die God de God die met ons meetrekt omdat hij het geroep van zijn kinderen heeft gehoord, omdat hij hen een wereld beloofd heeft waar alle tranen gedroogd zijn. Daarom hoeven wij niet meer de naam van die God te noemen: we moeten voor hem op weg gaan.

Hij maakte dat goede nieuws bekend

dinsdag, 23 februari, 2010

Lucas 4:31-44
 
Het dorp waar Jezus van Nazareth zich terugtrekt heet eigenlijk “het dorp van rust”. Maar rustig was het allerminst. Zelfs op de rustdag wordt er nog een beroep op hem gedaan. Als hij werkt als leraar valt dat niemand op, maar als hij iets doet voor een lijdende medemens maakt dat de tongen los. Het is nu eenmaal gemakkelijker te praten over dat wat anderen raakt dan over dat wat je zelf eigenlijk los moet laten. De manier waarop je de wereld om je heen benaderd, waarop je met mensen omgaat is vaak verkeerd. Je weet het dan wel maar een heilig boontje zoals Jezus van Nazareth dat van de mensen verlangt wil je nu ook weer niet zijn. Jezus van Nazareth zorgde er voor dat mensen weer mee kunnen doen in de samenleving als gewaardeerde mensen. En je hoeft niet bang te zijn dat mensen je daarvoor uitlachen of bespotten. En een heilig boontje hoef je al helemaal niet te zijn. In dit gedeelte gaat het over de vele genezingen die Jezus van Nazareth verrichte in zijn dorp. Ze hebben de schrijver van dit evangelie dan ook wel arts of medicijnmeester genoemd. Geleerden strijden er soms nog over. Eigenlijk weten we niet precies wie het evangelie geschreven heeft omdat er geen eigen naam van de schrijver in voorkomt en de brief waarin Lucas als arts genoemd wordt is ook al niet van Paulus al doet de schrijver van wel, maar dat je goed doet door mensen weer in de samenleving mee te laten doen is een heldere boodschap. Rust is er dan niet meer bij, overal blijken ineens mensen buiten de boot te vallen. Zelfs als Jezus van Nazareth zich terugtrekt op een eenzame plaats weten mensen hem te vinden. Maar het gaat Jezus van Nazareth niet om de wonderen, maar om de mensen. De bevrijding van de armen is immers aangebroken. Door mensen ertoe te brengen te delen, zoals Johannes de Doper al had gezegd, verdwijnt de armoede en worden mensen bevrijd van hun ellende. Dat goede nieuws wordt op alle plaatsen verkondigd waar nog uit de Hebreeuwse Bijbel werd gelezen. Op al die plaatsen waar nog de verhalen klonken over de Wet van de Woestijn en de profeten die de ellende van het volk opmerkten en de weg wezen om die ellende op te heffen, de Weg van de God van Israël. Die bevrijding was het goede nieuws dat verkondigd moet worden. Ja moet worden, want ook vandaag kunnen we beginnen door eerlijk te delen de armoede in de wereld op te heffen. Onze leiders in de wereld hebben we niet gehoord over eerlijke handelsverhoudingen met de arme landen in de wereld dus moeten we er zelf maar aan beginnen.Natuurlijk kunnen we een deel van onze boodschappen doen in de Fair Trade winkels. Maar er zijn gemeenteraadsverkiezingen en veel gemeenten willen ook een Fair Trade gemeente zijn waar het inkoopbeleid rekening houd met eerlijke beloning voor producenten, boeren, en een duurzame productie. Straks zijn er ook landelijke verkiezingen en dan moet het onderwerp van de eerlijke handelsverhoudingen met arme landen echt door kiezers op de agenda worden gezet. Spreek dus de politici aan. Want als het lukt eerlijke handelsverhoudingen in de hele wereld te brengen dan breekt dat koninkrijk van Jezus van Nazareth toch nog baan.

Armen het goede nieuws brengen

maandag, 22 februari, 2010

Lucas 4:14-30
 
Toen Nelson Mandela werd vrijgelaten waren er veel mensen bang dat het geweld in Zuid-Afrika tegen de blanken een ongekende omvang zou aannemen. Niets was minder waar.Het was juist aan Nelson Mandela te danken dat er geen burgeroorlog in Zuid Afrika uitbrak. Men begon, met alle problemen van dien, te proberen samen een nieuwe samenleving op te bouwen waar geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen mensen op grond van hun afkomst en waarin iedereen kan meedoen. Het grote van Nelson Mandela is niet zozeer dat hij 30 jaar in gevangenschap heeft gezeten zonder zijn opvattingen te hebben opgegeven, maar dat hij daarna verzoening wist te krijgen met zijn onderdrukkers. We moeten de Bijbel wel heel goed kennen om te begrijpen dat er in dit verhaal met Jezus van Nazareth net zo iets gebeurt. Jezus van Nazareth onderwijst in de synagogen, leren noemt men dat. Synagogen zijn plaatsen van bijeenkomst in de dorpen en steden buiten Jeruzalem opgezet door de Farizeërs om er voor te zorgen dat de kennis van de Joodse Bijbel niet verloren zou gaan door alle Romeinse en andere heidense invloeden in het land. Ze bestaan tot op de dag van vandaag en je vindt ze overal in de wereld. Jezus van Nazareth leest in de synagoge van de stad van zijn jeugd uit het boek Jesaja. Maar hij stopt waar iedereen nog een halve zin zou doorlezen. Na “het genadejaar zou uitroepen” staat namelijk “en de dag der wrake”. In plaats van de opstand uit te roepen tegen de Romeinen wijst Jezus van Nazareth er op dat er in de geschiedenis van het volk Israel ook momenten waren dat het nodig was om je aan de rand van de samenleving op te houden zoals Elia had gedaan, of zelfs je bezig te houden met bezettende buitenlanders zoals bij Naäman, de Syrische generaal,  was gebeurt. Dan is het mooi dat je aandacht en begrip voor de armen vraagt en hen bevrijding belooft maar gewone dorps en stadsbewoners zijn over het algemeen niet arm maar ze zijn wel slachtoffer van een wrede bezetting. Jezus van Nazareth sluit aan bij opvattingen van profeten als Jeremia die betoogde dat het niet zoveel zin had tegen machten te vechten waar je het niet van kon winnen maar dat het goede doen en de Liefde betonen, die de Wet van de Liefde vraagt, altijd tot overwinning leidt. We hebben het in onze dagen waar zien worden in Zuid-Afrika al hebben de mensen daar ons medeleven en onze hulp soms dubbel hard nodig. Niet alleen in geld, of kennis over medicijnen en huisvesting maar ook in voorbeeld van vreedzaam samenleven. Aan dat laatste wil het hier nog wel eens ontbreken, en aan dat laatste kunnen we allemaal zelf iets doen door vandaag te beginnen naar vrede met elkaar te streven. Dat is het echte goede nieuws voor de armen. Zo kunnen we ook onze zorg voor Afghanistan op een goede manier afbouwen. Onze militairen hebben daar geweldig goed werk verricht. Ze waren een voorbeeld voor de hele wereld door veiligheid en  opbouw te combineren. Door niet alleen voor maar vooral ook samen met de mensen te werken. Nu komt de tijd een stad verder te zetten en te laten zien dat vrede niet komt door te vechten. Laat Afghanen nu zelf zorgen voor hun veiligheid en help ze met de opbouw van een samenleving waarin iedereen in vrede en veiligheid kan deelnemen en waar men samen kan zorgen voor welvaart voor iedereen. Dat zou opnieuw het goede nieuws voor de armen betekenen.

Als u de Zoon van God bent

zondag, 21 februari, 2010

Lucas 4:1-13
 
Een overbekend verhaal lezen we vandaag, dat van de verzoeking in de woestijn. Mooi ook zo’n afloop dat Jezus van Nazareth al die verzoekingen heeft weerstaan. Maar wat moeten we in de eenentwintigste eeuw nog met een figuur als de duivel. Misschien wel net zoveel als Jezus van Nazareth, namelijk helemaal niks. Jezus van Nazareth was kennelijk voor de duivel niet bang en waarom zouden wij dat dan wel zijn. Bovendien geloven we in God en dus niet in de duivel. Het is een verhaal en dat verhaal wil ons iets vertellen. Dat verhaal vertelt ons in elk geval niks over het al of niet bestaan van een duivel. Het vertelt ons over de manier waarop Jezus van Nazareth begon met het vertellen van zijn boodschap. Hij ging eerst terug naar de woestijn. Daar waar ooit het volk Israel haar God had ontmoet en had ontdekt dat het belangrijkste van haar religie de zorg voor elkaar is. Daarmee kwam aan alle religie eigenlijk een einde. Als “God dienen” hetzelfde is als “van je naaste houden als van jezelf”, blijft er van religie weinig meer over. In dit verhaal komen het absoluut goede, de God van Israel, en het absoluut kwade, de duivel genoemd, tegenover elkaar te staan. Mensen zijn kinderen van het Goede had Lucas in het geslachtsregister van Jezus van Nazareth al geschreven. Jezus van Nazareth zelf is daar geen uitzondering op. Maar we weten dat mensen ook graag het kwade doen. Als iedereen voor elkaar zorgt waarom laat jij dan niet voor jou zorgen en de zorg voor anderen aan de anderen over? Geen wonder dat aardige mensen vaak het gevoel hebben dat er misbruik van ze gemaakt wordt. Tot ze ontdekken dat het kansen geven aan een ander om zich te ontplooien als liefdevolle en zorgzame mens ook tot zorg voor die ander hoort. We leven immers niet bij brood alleen. Zo zit het ook met de macht. Alleen het kwade kan een mens absolute macht over anderen geven. En een mens die het goede wil doen en niets dan het goede waakt er wel voor al te lichtvaardig om hulp te vragen, dagelijks brood is ons immers genoeg. Zo weten we het kwade te weren, door aan het goede vast te houden. We hebben het ook kunnen lezen in de brief van Paulus aan de mensen in Efeze: “trek de wapenrusting aan”. We herkennen na dit verhaal het kwade ook, wie misbruikt maakt van jou dient het kwade, wie macht over je wil uitoefenen dient het kwade, en wie je verleidt tot meer vragen dan je nodig hebt dient het kwade. En als je het goede wilt doen en niets dan het goede dan hoef je voor de duvel niet bang te zijn. Aanpakken en benoemen dat kwade dus vanaf vandaag. We weten immers wat de Bijbel zegt over oorlog, stond er niet geschreven dat gij niet doden zult? We weten immers wat de Bijbel zegt over ons verlangen rijker en nog rijker te worden, want stond er niet geschreven dat we niet zouden begeren het huis van onze naaste en al het andere dat van onze naaste is? We weten dat we van mensen moeten houden en niet van een ander mens als van een voorwerp, een object dat onze lusten kan bevredigden, we weten ook dat we niet liegen moeten en niet stelen. We weten bovenal dat we niets en niemand tot god moeten verheffen en moeten aanbidden, want de God die ons die regels heeft voorgehouden had ons juist bevrijdt van de slavernij van hebben en houden en van meer en steeds meer. Benoem dus het kwade als je het tegenkomt want dan verdwijnt het op den duur.

Wie kan namens ons gaan?

zaterdag, 20 februari, 2010

Jesaja 6:1-13

Die Koning Uzzia had wel 52 jaar geregeeerd. Dat is een hele lange tijd. Zeker als het niet goed gaat in een land, tenminste goed en niet goed in de ogen van profeet. Onder deze koning immers waren de rijken, die akker na akker samenvoegden, steeds machtiger geworden. Onder deze koning was het volk op zoek gegaan naar genot om het genot zonder om anderen te denken, zonder te willen delen. Een profeet die al een hele tijd het volk oproept om zich te keren naar de Wet van de Woestijn zoals die in de Tempel wordt bewaard, een profeet die de Tempel in Jeruzalem nog wil laten functioneren zoals die Tempel is bedoeld, een plaats om samen te komen voor maaltijden met de armen en de vreemdelingen, zal vast dromen dat nu de Koning dood is er een nieuwe tijd zal aanbreken. In een wereld vol onrecht, waar de klooof tussen arm en rijk steeds groter werd, waar rijken de dienst uitmaken en de wet kunnen verzetten in eigen voordeel, een wereld waar onrecht en corruptie heersen, is het verschil tussen de prachtige Tempel en de wereld daar buiten wel erg groot. Het zijn de engelen die op de ark zijn geplaatst die Jesaja aan het spreken brengen. In die ark ligt immers de Wet van de Woestijn opgeborgen, je zult je naaste lief hebben als jezelf.  Er zullen vast mensen geweest zijn die naar die droom van de Profeet wilden luisteren. Maar tevergeefs. De boodschap is dat nu de Koning dood is er niks zal veranderen, omdat het niet alleen om de koning gaat. Je bent misschien aangestoken door de gloed van de Tempel en haar bedoeling, je snapt best hoe de Wet van delen en rechtvaardigheid in elkaar zit. Je kan er niet genoeg over praten maar vergeefs. Het volk zal je horen maar niet volgen. Dat is het visioen dat de Profeet krijgt. Ondanks die mooie tempel met die gouden cherubijnen, met al dat Goddelijke dat zo’n verheven ruimte vult, ondanks het feit dat je zwaar onder de indruk bent van de plechtige omgeving en het plechtige van je roeping, ondanks dat alles weet je dat het volk niet zal luisteren. De dood van de Koning brengt niet het beloofde land waarin iedereen meedoet met de samenleving van je naaste liefhebben als je zelf. Jesaja krijgt de boodschap dat pas als het volk net zo gaat lijden als de armen al doen, pas als ze zelf weer slaven zijn net als de mensen die door hen worden uitgebuit, pas dan gaan de mensen het begrijpen. En als er nog een paar mensen blijven die geen last hebben van de armoede dan nog zal het volk zich niet omkeren en een ander leven beginnen. Alles moet eerst ten onder gaan wil een nieuwe samenleving kunnen ontkiemen. Dat is pas een zwarte visie. Het volk zou inderdaad in ballingschap gaan, en terugkeren. Wij moeten hopen dat we niet hoeven te leren door terreurdaden en oorlogen dat we onze houding in de wereld moeten veranderen. Wij moeten hopen dat geweld en lijden niet nodig zullen zijn om onze politici wakker te schudden. Maar we moeten ook leren dat niet de dood van een Koning, niet de verandering van regering, niet de val van een regering en nieuwe verkiezingen, het begin zijn van een nieuwe samenleving, maar onze eigen verandering, ons eigen beginnen met liefhebben van de naaste als onzelf. En vervolgens dat samen doen in ons land, waardoor we de hele wereld er op kunnen aanspreken en samen doen met al die mensen op de wereld die ook op die Weg gaan. Op pad dus vandaag kan het weer, vandaag is het misschien meer nodig dan ooit..

De vreugde van vroeger

vrijdag, 19 februari, 2010

Psalm 51:12-21
 
De meeste mensen blijven hun hele leven houden van de muziek die ze in hun vroege pubertijd leuk hebben gevonden. Natuurlijk maken ze een ontwikkeling door in hun smaak. Maar als ze de muziek horen die ze tussen hun 12de en hun 16de mooi vonden dan verschijnt er een glimlach op hun gezicht en vragen ze vaak of het even stil kan zijn. Het is de vreugde van vroeger waar je heel je leven naar kan blijven verlangen. Vandaag, op drempel van een nieuw gemeentebestuur in de meeste gemeenten van ons land lopen we het gevaar dat we ook in de maatregelen van een nieuw gemeentebestuur de vreugde van vroeger gaan zoeken. De tijd dat vader en moeder nog de regels stelden en ons grootbrachten tot vrijheid. Langzaam mocht je meer maar je wist dat je je steeds moest verantwoorden en dat handelen op eigen houtje zou worden afgestraft. Gehoorzaamheid werd beloond met lekker eten, schone kleren een warme kachel en af en toe wat langer opblijven. Maar in het leven van deze tijd gaat het om andere zaken. Het verlangen naar geborgenheid is goed maar daar moet je zelf aan werken. De Psalmist vraagt ook niet om terug te mogen keren naar de tijd dat er zelf niets meer te beslissen viel, de Psalmist wil terug naar de tijd voor het verdriet dat door David is aangericht in zijn begeerte naar Batseba. Naar de tijd voor het bittere lot dat hij de echtgenoot van Bathseba heeft aangedaan. Deze Psalm is immers geschreven nadat David op zijn vingers was getikt. Hij wil weer terug naar de tijd dat hij zelf aan anderen gerechtigheid leerde, bevrijd van angst voor de dreigende dood. David had voor hij koning was getoond niet bang te zijn voor de dood. Hij spaarde het leven van Saul, de koning die naar hem op jacht was, omdat toen het doden van een medemens, een broeder, buiten de orde voor hem was. Gerechtigheid daar gaat het dus om, ook vandaag, ook in onze steden en dorpen. Niet om uiterlijk religieus vertoon maar om het centraal stellen van de Wet van Liefde. Om het centraal stellen van Samen Delen, om het verheffen van de armen. Jezelf durven opofferen voor de ander. Daar zullen we ook een nieuw gemeentebestuur op moeten durven aanspreken. Worden de voedselbanken overbodig, en zo niet krijgen ze voldoende steun van de gemeente en leert de gemeente van hen de tekortkomingen in de zorg voor de minima? Komen er eerlijke handelsverhoudingen met de arme landen? Leren we van de leugens die ons de oorlog in Irak inlokten? Brengen we echt vrede in Afghanistan en mag dat land meedelen van onze zorg voor arme landen?   Geven we kinderen met gelijke capaciteiten ook gelijke kansen? Sommige vragen zijn voor de regering andere voor een stadsbestuur. Maar het zijn slechts enkele vragen waar we antwoorden op mogen verwachten, antwoorden niet in de vorm van woorden maar in de vorm van de daden van Liefde. Daden die lijken op de daden van onze vaders en moeders, die ons doen gaan denken aan de vreugde van vroeger. Daarom zullen we die vragen moeten stellen, vandaag, voor en na verkiezingen maar vooral luid en duidelijk.