Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor januari, 2010

Ik zie een amandeltwijg

zondag, 31 januari, 2010

Jeremia 1:11-19

Wij kennen ze als sneeuwklokjes. Van die bloemen die te vroeg zijn. Als de sneeuw er nog ligt komen ze al boven de grond uit en zoeken ze het zonlicht. In Israël hadden ze de amandelboom. Vroeg in het voorjaar was dat de eerste boom die in bloei kwam. En net als het sneeuwklokje bij ons was de amandelboom in Israël het onbetwistbare teken dat de lente er aan kwam. Hoe koud het ook nog was, hoe fel de voorjaarsstormen ook nog te keer konden gaan, de lente kwam er aan. Een prachtig beeld voor de belofte van de God van Israël dat, ondanks alle ellende die we in de wereld zien, de hemel op aarde zal neerdalen. Jeremia had in zijn dagen zo’n beeld nodig. Want als hij goed keek zag hij niets dan dreiging groeien voor zijn land en zijn volk. De Wet van de God van Israël, het heb Uw naaste lief als Uzelf, was vergeten. Overal werd afgodendienst bedreven. En rondom klonterden de volken samen tot machtige rijken. Vooral in het noorden werd de dreiging voor kleine volkjes als Juda steeds groter. Dat kon nooit goed aflopen. Er zou een dag komen dat Israël, dat zelfs Juda, niet meer zou bestaan en dat vreemde volken zouden heersen over Jeruzalem. Een volk dat geen respect meer kan afdwingen door te zorgen voor de minsten en de zwaksten in zijn samenleving zal behandeld worden net als alle andere volken die bezetters kennen en vreemde heersers. Het beeld van de overhellende pot kokend water op een  vlammend vuur zegt genoeg. Als je je door de wind van het noorden laat verwarmen dan zul je bij het noorden moeten horen. Die windstreken moet je dus niet zo letterlijk nemen maar als je meegaat in een cultuur van haat en eigenwaan dan zul je overheerst worden door een cultuur die je vreemd is en die haat zaait en van eigenwaan druipt. Het is de jonge Jeremia angstig te moede als hij beseft dat hij deze boodschap van onheil en ondergang moet brengen aan zijn volk en vooral aan de leiders van zijn volk. Maar de God van Israël maakt hem sterk, een vestingstad, een ijzeren zuil, een bronzen muur. Hij kan tegenstand verwachten maar uiteindelijk zal hij onverslaanbaar blijken. Het zijn beelden die in scherp contrast lijken te staan met het beeld uit het begin van dit verhaal. Een bronzen muur tegenover een bloeiende amandeltwijg, een ijzeren zuil tegenover ons sneeuwklokje. Maar dat contrast is maar schijn. Zoals de amandeltwijg en het sneeuwklokje een geweldige kracht in zich moeten hebben om tegen de winterkou in toch tot bloei te komen zo schuilt in de jonge Jeremia, en dus in alle jongeren, een geweldige kracht als ze de mensen op roepen om de weg van de wereld te verlaten en de Weg van de God van Israël te volgen. Niet langer zal vruchtbaarheid, zullen winst en profijt, voorop moeten staan, maar de zorg voor de minsten op aarde zal het handelen van mensen en volken moeten bepalen. Delen zal het werkwoord moeten zijn dat hebben verdrijft. Niet de prachtigste technologische uitvindingen die de mode van vandaag bepalen maar het voeden van de hongerigen en het kleden van de naakten zullen de wereldwijde aandacht moeten hebben. Als dat gebeurd zal ook bij ons onweerstaanbaar de lente aanbreken, dwars tegen alle winterkou in. We kunnen er vandaag nog mee beginnen.

Ik ben te jong.

zaterdag, 30 januari, 2010

Jeremia 1:1-10

Vandaag beginnen we te lezen in het boek van de profeet Jeremia. Die kwam uit Anatot, een stadje ten noordoosten van Jeruzalem waar allemaal priesters woonden. De priesters kwamen uit de stam Levi en die had in de dagen van Jozua geen eigen grond gekregen. Wel waren er een paar steden aangewezen waar ze mochten wonen. Het volk moest er voor zorgen dat ze in leven bleven. Daar waren ook de offers voor bedoeld die aan God gebracht moesten worden. Doordat de Priesters niet zelf hun eten konden verbouwen werd iedereen gedwongen om te leren delen. De dagen waarin Jeremia leefde waren ronduit spannend. Het land Israël was in twee delen uiteengevallen, een rijk Israël in het Noorden, met als hoofdstad Samaria en een rijk Juda in het zuiden met als hoofdstad Jeruzalem. Toen Jeremia begon te profeteren was Josia koning van Juda. Het was een tijd van godsdienstige woelingen. Jeremia was nog opgevoed in de leer van de God van Israël die het volk uit de slavernij van Egypte had geleid, maar van die godsdienst was in Israël weinig over. Toen Jeremia al vijf jaar bezig was te profeteren drong het verhaal over die God pas door in het paleis van koning Josia. Die liet weer eens de Tempel in Jeruzalem restaureren. In de muur van de Tempel werd een boek gevonden waarin wetten stonden en een verhaal over de ontmoeting van het volk met die God in de woestijn. Geleerden zijn van mening dat dit verhaal gaat over het boek Deuteronomium. Josia herstelde toen de godsdienst van de God van Israël. Dat er ten tijde van Jeremia profeten nodig waren die het volk weer konden vertellen over het heb uw naaste lief als uzelf is dus duidelijk. Bovendien was er een dreigende militaire macht van Egypte waardoor het volk ook weer onder de heerschappij, dus als slaven, van Egypte zou kunnen worden. Waar Jeremia geroepen werd om te profeteren staat niet in het verhaal. Wel hoe. Hij hoorde de stem van God. En die God kende hem al voor hij werd geboren. De manier waarop hier over de relatie van God met Jeremia wordt verteld lijkt in het Hebreeuws wel op de manier waarop ook de intieme liefde tussen twee mensen in de Bijbel wordt beschreven. Ze kennen elkaar staat er dan vaak. God heeft de mens dus kennelijk al lief voordat de mens zelfs nog maar bestaat. En God roept een mens altijd al tot profeet. Mensen hebben altijd de mooiste smoezen om het maar niet over de Weg van de God van Israël te hebben. Altijd maar wijzen op de minsten op de aarde, op de armsten, op de slachtoffers van oorlog en geweld, op de slachtoffers van de streken van de rijken en de machtigen, maakt je niet populair. Ook Jeremia vindt het maar niks dat hij geroepen wordt. Hij vindt zich te jong. Maar volgens de God van Israël ben je dus kennelijk nooit te jong om je hand uit te steken naar mensen die hulp meer dan ooit nodig hebben. De kinderen die flessen ophaalden om van het statiegeld kinderen in Haïti te helpen zijn al profeten, zij wijzen op de dorst die geleden wordt als wij niet te drinken geven, zij wijzen op onze plicht om altijd te zorgen voor een wereld waar zij in vrede kunnen leven met de mensen in de hele wereld, het gaat immers om alle koninkrijken en volken. En dan vinden je lippen woorden die je zelf niet had kunnen bedenken. Dat was een ervaring die ook Jeremia had, die wij kunnen hebben als we er vandaag weer mee beginnen.

Een koning die een eerlijk oordeel velt

vrijdag, 29 januari, 2010

Spreuken 29:13-27

Vandaag sluiten we de lezingen in de verzameling Spreuken uit de tijd van koning Hizkia af. En natuurlijk vinden we het goed  dat een koning die ook als rechter optreed eerlijke oordelen velt. Maar de raadgeving gaat niet alleen over eerlijke oordelen maar over eerlijke oordelen over verschoppelingen. Een koning die nooit zijn troon wil zien wankelen zal dus oog moeten hebben voor de minsten in zijn samenleving. En op die manier mogen we allemaal op z’n tijd zo’n koning zijn. Want ook al moet je je naaste liefhebben als jezelf je moet niet al te zachtaardig zijn. Opvoeden betekent soms ook straffen, al zal de straf altijd verband moeten hebben met dat wat een kind moet leren te laten en altijd gericht moeten zijn op leren. En leren is iets anders dan dresseren, dat doe je moet dieren. In de Bijbel worden mensen die zich niet houden aan het heb Uw naaste lief als Uzelf consequent aangeduid als goddelozen. Dat heeft dus niet te maken met de vraag of ze wel of niet in God geloven, ook de meest vrome voorbidders en mooipraters worden in de Bijbel met enige regelmaat aangeduid als goddelozen. Het gaat om de Wet van de God van Israël en daar zul je je kinderen al bij moeten bepalen. En een volk heeft mensen nodig die voortduren staan te roepen over die wet. Dat is de werkelijke betekenis van de profetie. Wij horen nog wel eens dat profeten de toekomst verkondigen. Maar dat staat nergens in de Bijbel. Profeten vertellen soms hoe het zal aflopen met volken en met mensen als ze blijven doen wat ze aan het doen zijn. Als dat het negeren van de armen, of zelfs het uitbuiten van de armen, is dan loopt het niet goed af. Een volk dat zich wat aantrekt van de minsten op aarde zal uiteindelijk boven alles uitsteken. Dat die regel in de Tempel in Jeruzalem bewaard wordt maakt dat uiteindelijk alle volken zich naar Jeruzalem zullen keren. Als een profeet een slechte afloop voorspelt wil het nog niet zeggen dat die slechte afloop er ook komt. Het bekendste verhaal daarover uit de Bijbel is dat van de profeet Jona, toen het volk van Nineve zich bekeerde ging de verwoesting van de stad niet door. Het woord “rebel” dat hier door de Nieuwe Bijbelvertaling wordt gebruikt komt nergens anders in de Bijbel voor. De Statenvertaling had daarom een uitleg als vertaling genomen, als een knecht te veel verwend wordt gaat die zich als zoon gedragen, de Naardense Bijbel is op zoek gegaan naar een verwant woord in het Hebreeuws en komt met wederspannigheid. Rebel ligt daar dichtbij. Een knecht die verwend wordt gehoorzaamt uiteindelijk niet. Er is een tijd geweest dat dit gebruikt werd om vakorganisaties tegen te gaan. Maar een goed loon is niet verwennen en veilige arbeidsomstandigheden zijn geen luxe. Wie de leiding heeft zal leiding moeten nemen en leiding moeten geven. En we leren uit de Spreuken dat goed leidinggeven betekent dat je met respect en liefde de mensen behandelt. Maar ook met duidelijkheid en richting. En juist die duidelijkheid voorkomt dat mensen de leiding gunstig moeten stemmen om leiding te krijgen. Mensen tot hun recht laten komen, daar gaat het in wezen altijd om, dat is voor de rechtvaardige de rechte weg. De rest mag je gerust verfoeien.

De rechten van de armen

donderdag, 28 januari, 2010

Spreuken 29:1-12

We lezen nog steeds in de verzameling onderwijzingen en spreuken die op last van Koning Hizkia werd verzameld. En die verzamelaars hadden goed door dat ook die Koning onderwijzingen nodig had. Hij was per slot van rekening een jongeman van pas 25 jaar toen hij koning werd en de voorbeelden van zijn vader en grootvader en van de vorsten in de omringende landen waren nu niet bepaald goede voorbeelden. Rijke jongens die naar de hoeren gaan zijn zelfs in onze dagen niet onbekend. En wie werd er ook ooit bedoeld met “Prins Bier”? Welke prinsen werden ook al weer betrapt toen ze met meer dan gevaarlijke snelheden over onze wegen reden? Het zijn de vermaningen die ook in onze dagen ons mogen leren wat het is te leven in de vreze des Heren, de wijsheid, het heb uw naaste lief als uzelf. Dan geef je je vader vreugde, dan is er een koning die zijn land in stand houd, dan kan er worden gejuicht en gejubeld, dan worden de rechten van de armen erkend. De vermaningen voor de koning lijken steeds verborgen te worden door de vermaningen voor zijn onderdanen. Maar de Spreukenschrijver maakt geen onderscheid, zoals de hele Bijbel geen onderscheid maakt, tussen mensen. Iedereen kan rijk zijn, iedereen die kan delen is rijk maar iedereen die weigert te delen houd de armoede in stand. Koningen kunnen protsers zijn, maar wie kan niet met de neus omhoog en de borst vooruit door de samenleving gaan? Wat in elke samenleving nodig is zijn wijzen die weten hoe ze de woede die er in een samenleving kan heersen tot bedaring kunnen brengen. Het respecteren van een mensenleven staat daarbij voorop. Het zinloos geweld in onze samenleving, mensen die doodgestoken of doodgeslagen worden omdat ze juist de vrede willen herstellen, bepaald ons bij de waarde van het respect voor mensenlevens. Ook al zullen ruzies in onze omgeving misschien niet tot geweld leiden, elke ruzie die in vrede eindigt, die wordt bestreden en beëindigd, kan helpen het zinloos geweld in een volgende situatie te voorkomen. En juist jongeren moet soms echt geleerd worden hoe je woede bedaard en hoe je kwaadheid omzet in productief gedrag in plaats van in destructie. Bedrog door heersers is het ergste dat in dit hoofdstuk staat. De leider van klimaatonderzoek die de verdwijning van gletsjers heeft overdreven zet meer dan zijn eigen onderzoek ter discussie. Die zet alle wetenschappelijk onderzoek te kijk als mogelijk onbetrouwbaar. We moeten op onze politici en wetenschappers kunnen vertrouwen. De maatregelen die over ons worden genomen kunnen wij lang niet altijd op hun noodzaak en uitwerking beoordelen. Kennis nemen van de democratische discussie kan helpen onze positie te bepalen of een last die ons wordt opgelegd te dragen. Geiten en schapenhouders wier veestapel wordt geruimd moeten er op aan kunnen dat de Qkoorts bij hun dieren is vastgesteld en dat hun dieren een gevaar voor volksgezondheid zijn gaan vormen. Kunnen ze daar niet op aan dan is hun last ondragelijk. Wij kunnen helpen, met de woorden van de Spreukendichter in ons achterhoofd, door de politici en wetenschappers vragen te blijven stellen, vragen over hun openheid, eerlijkheid en hun zorg voor de zwaksten en de minsten in de samenleving. Dan brengen we de samenleving van Wijsheid een klein beetje dichterbij, ook vandaag weer.

Wie aan de armen geeft, lijdt nooit gebrek

woensdag, 27 januari, 2010

Spreuken 28:16-28

Men stelt wel eens dat het gedeelte dat we dezer dagen lezen in het boek van de Spreuken speciaal geschreven, of verzameld zou zijn, voor de koning. Maar je mag van de Spreukenschrijver kennelijk ook allemaal wel koning zijn, of als onderdaan gewaarschuwd worden voor het al te blindelings vertrouwen op degenen die boven je staan of over je moeten oordelen. Want koninkjes zijn er in onze samenleving in overvloed. Ons vorstenhuis heeft weinig te vertellen maar owee als iemand een leidinggevende functie krijgt. Dan gaat er dikwijls een blinkende kroon op het hoofd en een kleurige mantel om de schouders en zouden de onderwijzingen en spreuken uit het gedeelte dat we dezer dagen lezen in goud op de muren geschreven moeten zijn. Want hoe vaak gaat het een leidinggevende, een machthebber, niet om het eigen gewin, het eigen aanzien, het oordeel dat juist over de machthebber of leidinggevende zelf geveld zal worden. Hoe vaak gaat het juist niet om de ondergeschikten, om het steunen van de kwetsbaren of de aandacht voor de minsten. En natuurlijk, eerlijkheid duurt het langst, maar wij leggen dat meestal zo uit dat je eerlijk de waarheid moet spreken. Maar wat is dan die waarheid? Is dat de waarheid die je zelf als waarheid ervaart? Of is dat de waarheid waarover je het samen eens kunt worden? Is eerlijkheid dan niet het eerlijk uitkomen voor wat je zelf ervaart en weet, voor wie je zelf bent en hoe je met anderen denkt om te gaan. Is de eerlijkheid die het langst duurt niet eerlijk open staan voor de ander en die net zo veel recht doen als je jezelf recht doet? Het zal duidelijk zijn dat wie eerlijk is naar een ander pas rijkelijk gezegend wordt. Hij zal niet alleen profiteren van zijn eigen verdiensten, die hij deelt met die ander, maar ook van de verdiensten van de ander. Dat in een rechtspraak of in een organisatie partijdigheid slecht is ligt voor de hand, maar wees je er van bewust dat partijdigheid heel gemakkelijk te koop is, maak ook anderen daarvan bewust. De Spreukenschrijver roept in alles op om niet jezelf als uitgangspunt te nemen, maar het je naaste liefhebben als jezelf. Dat is de richting waarin God ons wil hebben, en op de Heer vertrouwen maakt rijk, dat is ook het begin van alle wijsheid en daar mogen we meer op vertrouwen dan op ons eigen beperkte verstand. Dan komen we weer op de gouden regel uit elke religie, dat je een ander behandelen moet zoals je zelf behandelt zou willen worden. Dat betekent dat je je altijd in de positie van de ander zou moeten verplaatsen. De Spreukenschrijver geeft dat voortdurend aan, denk nu niet dat die ander altijd eerlijke en oprechte bedoelingen heeft, die kan best zijn ogen sluiten voor de armen, die kan best op zijn eigen verstand vertrouwen, die kan best hebzuchtig zijn, die is misschien niet beter dan een moordenaar. Maar zoek eens uit wat die ander zo gemaakt heeft, welke voorbeelden die ander heeft gehad. En is het die ander maken tot een beter mens, een mens die ook de naaste liefheeft als zichzelf, die een ander ook behandelt zoals die zelf behandelt zou willen worden, niet de beste manier om de ander te helpen? Zo willen we toch ook zelf geholpen worden? We kunnen daar op elk moment, overal en met iedereen weer opnieuw mee beginnen. Ook vandaag weer.

De oprechten vinden geluk

dinsdag, 26 januari, 2010

Spreuken 28:1-15

De verzameling spreuken en onderwijzingen die op last van Koning Hizkia waren verzameld en die wij dezer dagen lezen begon met spreuken en onderwijzingen over het recht. Vandaag zijn we aangekomen bij de vraag hoe mensen elkaar tot hun recht kunnen laten komen. In elk geval niet door te doen als de laffe angsthazen die al vluchten ook al is er niemand die hen achtervolgt. Wij kennen die in ons eigen land maar al te goed als mensen die de ene bevolkingsgroep tegen de andere proberen op te zetten alleen omdat ze doodsbang zijn voor een verwante godsdienst die zich wat anders uit als wat ze gewend zijn. In Israël in de dagen van Hizkia volgden de koningen elkaar in hoog tempo op. Maar ook in onze dagen heeft de democratie last van een hoog slijtagegehalte. Populaire stromingen dringen om de gunst van de kiezer. De Spreukenschrijver waarschuwt tegen dat soort populisme en wijst op het belang van leiders met kennis en inzicht die kunnen zorgen voor blijvende rust, stabiel en betrokken. En voorspoed kan zich ook tegen je keren. Een boer die wacht op de noodzakelijke regen zal diezelfde regen verwensen als het een vloed is die de oogst wegspoelt. Als je overigens wil weten hoe politici de wet willen houden dan geeft de Spreukenschrijver daar een goede richtlijn voor, wie de goddeloze prijst leeft de wet niet na en wie tegen de wetteloze vecht neemt de wet in acht. En kwaadaardige mensen geven voor niets van de wet te begrijpen. Hoe vaak rechters in ons land zelfs nog moeten horen dat automobilisten niet wisten dat de maximum snelheid op 120 kilometer per uur ligt is onvoorstelbaar. Verstandige mensen begrijpen dat er regels nodig zijn om iedereen tot zijn of haar recht te laten komen. En dan de verhouding tussen rijk en arm. De Bijbel is niet tegen rijken, de Bijbel is tegen armoede. Een rijke die handelt in de Geest van de Bijbel deelt zijn rijkdom met armen die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Daarom beter een eerlijke arme dan een oneerlijke rijke. Daarom is een zoon die met brassers omgaat iemand die zijn vader te schande maakt, die vader heeft wel geld om zijn zoon te laten brassen maar heeft kennelijk niets over voor de armen. Het vragen van woekerrente was in Israël niet alleen verboden maar zo vreselijk schandalig dat degene die het durfde vragen uiteindelijk al zijn bezit zou verliezen, dat zou dus verdeeld worden onder de armsten. Maar je vroom en godsdienstig voordoen als de de wet van heb uw naaste lief als uzelf overtreedt is gruwelijk, net als het op het slechte pad brengen van oprechte mensen. De armen laten zich overigens niet zo gemakkelijk om de tuin leiden door de rijken. Als de beschermers van armen de macht hebben neemt de onvrede over regeringen toe. Als mensen eerlijk voor hun fouten uitkomen wordt hen dat wel vergeven. Maar onderdrukkers worden vergeleken met roofdieren. Zij hebben voor hun leven te vrezen. Nee wie winstbejag haat zal lang regeren. Daarmee zijn we terug bij Koning Hizkia, maar ook bij onze eigen bestuurders in het land, de provincie en de gemeente. Want ook voor hen geld dat wie kromme wegen gaat wel eens plotseling ten val kan komen. Ook vandaag, aan ons om daar goed op te letten.

Zo scherpt een mens zijn medemens.

maandag, 25 januari, 2010

Spreuken 27:11-27

Jezus van Nazareth zou het veel later zo zeggen “Aan de vruchten herkent men de boom”. Er zijn opvoeders en leraren in soorten. De een is streng, de ander soepel, de een geeft voortdurend aanwijzingen en informatie, de ander stimuleert zijn leerlingen op zelf op zoek te gaan naar antwoorden en stelt alleen vragen. Welke de beste is is niet te zeggen. Alleen de leerlingen laten zien wat een goede opvoeder of leraar is. Daarom spoort de Spreukenschrijver zijn zoon aan om wijs te zijn, om dus de Weg van de God van Israël te volgen, want dan blijkt dat ook de Spreukenschrijver een goede leraar en opvoeder is. Daarom is het goed ook bij het onderwijzen en opvoeden altijd die Weg van heb uw naaste lief als uzelf in de gaten te houden. Kinderen vroeg leren op te komen voor de zwakken, te zorgen voor hen die zorg nodig hebben, zich in te zetten voor een ander levert later veel op. Maar een goede opvoeder is niet altijd even serieus, er moet ook ontspannen kunnen worden, er moet zeker gelachen kunnen worden. Soms moet je mensen niet vertellen wat ze verkeerd doen maar het ze laten zien, of voelen. Daarom moet je de mantel nemen van een lichtzinnig mens en die verpanden aan een lichtzinnige vrouw, daarom moet je je buurman ’s morgens niet al te luid begroeten, ook die buurman moet eerst nog wakker worden. En een vrouw die steeds weer ruzie zoekt in toom houden heeft geen enkele zin, ze is als een dak dat altijd lekt als het regent en haar in toom willen houden is als het vangen van de wind of het grijpen van olie. Maar leer zelf ook een les. Je leert sociale vaardigheden alleen in de contacten van mens tot mens. Hoe goed je je best ook doet je weet het nooit altijd beter dan ieder ander, je maakt altijd wel een keer fouten. En net als jij weet ook een ander het niet altijd helemaal goed, maakt ook de ander van tijd tot tijd fouten. Maak je daarom niet gemakkelijk af van de zorg die van je gevraagd wordt, luister zoals de kweker naar de vijgeboom luistert en die verzorgt zoals die boom dat nodig heeft, opdat er veel vruchten komen, zo kun je ook voor een ander zorgen. We hebben immers maar één Heer die ons vraagt voor de minsten te zorgen. En alleen wat met je hart wordt gedaan, met liefde wordt gedaan, heeft dus waarde, begeren van aardse zaken leidt tot de dood, maar als je bekend staat als een vriendelijk en zorgzaam mens leeft dat ook na je dood voort. En maak je niet druk om een dwaas, dat is verspilde energie. In de landbouwsamenleving van Israël worden hier de boeren aangesproken. Soms moeten ze het voedsel voor hun vee bijeen sprokkelen en zelfs de bergen op gaan om daar te maaien. Maar als ze dat er voor over hebben dan krijg je er ook wat voor terug. Met andere woorden pas als je jezelf in spant om te zorgen voor hen die je zijn toevertrouwd dan krijg je er ook wat voor terug. Wij laten nog te veel mensen in honger en ellende verder kreperen. Heel langzaam gaan de camera”s van Haïti verdwijnen, Darfur is al veel langer uit de belangstelling. Niemand schenkt meer aandacht aan de slachtoffers van Katrina. Bij al die rampen is de zorg meer dan ooit nodig, blijft de armoede en de ellende vragen om onze aandacht. Willen wij er een hemel op aarde voor terugkrijgen dan zullen we ons dubbel moeten inspannen en ieder mee kunnen krijgen. Dat kan ook vandaag weer.

Het verwijt van een vriend is oprecht

zondag, 24 januari, 2010

Spreuken 27:1-10

Vandaag een aantal raadgevingen of onderwijzingen uit het boek Spreuken waarvan er een paar ook in het Nieuwe Testament nog populair bleken te zijn. Waarom al die regels? Als je op een nieuwe manier wil gaan leven dan heb je ook nieuwe gedragsregels nodig. Niet langer vreemde goden achterna lopen, je best doen om zo vruchtbaar mogelijk te zijn, de eerste de beste te zijn, overal haantje de voorste spelen, is in een samenleving waar niet anders wordt gedaan zo vreemd dat het goed is vanuit het goede doen ook de meest voor de hand liggende raadgevingen op een rij te zetten. Elke dag heeft genoeg aan zich zelf daarom moet je niet juichen over de dag van morgen, je weet immers niet wat die dag brengen zal. En als een ander je prijst dan is dat prijzen veel meer waard en je ergeren over een dwaas maakt dat je jezelf belast met een zware last zonder dat het je helpt, het helpt zelfs de dwaas niet. En je kunt jaloers worden op een dwaas die het leven maar gemakkelijk neemt en zich niets aantrekt van de mensen die in nood zijn, maar woedend worden op zo’n dwaas of zelfs in razernij vervallen heeft dus geen enkele zin. Nee, doe verstandig en zorg dat mensen in je omgeving zo aardig zijn je de waarheid te zeggen zonder dat ze bang hoeven te zijn. Je bent zelf de eerste die je eigen fouten kent, maar soms doe je dingen die een ander ergert zonder dat ze fout zijn. Vaak wil je die dingen best anders doen juist om een ander niet te ergeren, je helpt daarmee een ander. Neem daarom het verwijt van een vriend altijd serieus, een echte vriend zal het verwijt niet maken uit eigenbelang maar in jouw belang of in het belang van de vriendschap. Ook al is het verwijt onterecht de vriendschap maakt het waard het serieus te nemen en er oprechte aandacht aan te schenken. De kus van de vijand kennen we maar al te goed uit het verhaal over Jezus van Nazareth toen hij door zijn leerling Judas werd gekust in de hof van Getsemané. Een vogel en een nest horen bij elkaar, onlosmakelijk. De vrijheid van de vogel wordt pas bepaald door zijn nest. Een vogel die zijn nest ontvlucht moet wel in grote nood zijn. Zo is het ook met de mens die wegvlucht van zijn huis zegt de Spreukenschrijver. Wij vergeten dat nog wel eens. Gemakzuchtig spotten wij over economische vluchtelingen die hier gemakkelijk baantjes willen wegnemen of zelfs uit zijn op onverdiende uitkeringen. Maar dat armoede lijden is vergeten we dan. We doen er beter aan de oorzaak van vluchten te leren kennen en die oorzaak weg te nemen. En als we vervolging van vluchtelingen niet kunnen stoppen, of armoede kunnen opheffen dan doen we er goed aan een vluchteling te behandelen zoals wij behandeld zouden willen worden. Want dan pas winnen we vrienden en vriendschap is zoeter voor het hart dan de geur van balsem en wierook. Een vriend dichtbij is zelfs belangrijker dan een broer ver weg. Het zal duidelijk zijn dat de Spreukenschrijver ons aanmaant zorgvuldig met anderen om te gaan. Belangstelling en begrip zullen ons handelen eerder moeten bepalen dan oordeel en afkeer. Niet eenvoudig in een samenleving die draait om het eigen gelijk en geen ruimte lijkt te bieden voor dat wat zich als anders of afwijkend voordoet. Toch zullen de mensen van de Weg van Jezus van Nazareth, de volgers van de God van Israël dat telkens moeten proberen en voorleven, ook vandaag weer.

Zilverglazuur verbergt een aarden pot

zaterdag, 23 januari, 2010

Spreuken 26:17-28

Wat gebeurt er als je aan de oren van een hond trekt die rustig voorbij loopt. Die wordt wild en misschien zelfs wel vals. Je moet dan niet zeggen dat het een van nature valse hond is want jouw gedrag heeft het gedrag van die hond opgeroepen. Daar gaat een groot gedeelte van het Bijbelgedeelte van vandaag over. Wat zijn de gevolgen van je gedrag. In de eerste plaats voor jezelf en vervolgens ook wat zijn die gevolgen voor een ander. De Bijbel heeft het bijna altijd over de verhoudingen tussen mensen. Soms noemen we dat de verhouding tussen mensen en God, maar als het daarover gaat dan lezen we verhalen over hoe mensen om gaan met liefde. Ook in dit hoofdstuk moet je de liefde zoeken, dan snap je veel sneller waarom sommig gedrag verkeerd afloopt en soms gedrag juist bijdraagt tot het goede. Iemand bedriegen voor de grap is dus hetzelfde als iemand echt bedriegen. Jij kan bedriegen en je vriend is voortaan een bedrogene. Zo is het ook met lasteraars. Mensen die het goede met hun naaste voorhebben worden kwaad als een ander gelasterd wordt in hun bijzijn. Dat ligt niet aan hun zegt de Spreuken schrijver maar dat ligt aan de lasteraars, als die weg is is ook de ruzie weg. We spreken zo gemakkelijk ook van de hitte van de strijd, de woordenstrijd, in het debat worden zaken scherp gezegd, zo scherp dat ze pijn doen. De Bijbel veroordeelt, waarschuwt op z’n minst tegen, een dergelijke manier van met elkaar spreken. Je kunt immers ook met warmte spreken, zo spreken over onderwerpen dat mensen er plezier aan beleven, er warm van worden. Dat wil niet zeggen dat de waarheid verborgen of verzwegen moet worden, dat wil zeggen dat je uit bent op het goede, ook het goede in de ander wil ontdekken. Als het vuur in het debat oplaait loop je de kans met ruziemakers te maken te hebben, daar kun je je aan branden. De vergelijking tussen kolen die gloeien en warmte afgeven en hout dat vlamt en waar je je aan kunt branden laat niets aan duidelijkheid te wensen over. Maar lasteraars zijn populair. Ook in onze dagen verbergen lasteraars zich gemakkelijk achter de vrijheid van meningsuiting. Zonder enkel bewijs verspreiden ze hun lasterlijke praatjes onder het motto dat ze op zoek zijn naar de waarheid. Let daarbij op feiten en niet op fraaie zinnen of mooi gevonden uitdrukkingen. Een pot waarin je je kan spiegelen en die er kostbaar uitziet kan door het gebruik van zilverglazuur toch niet meer blijken te zijn dan een aarden pot, even waardevol als elke andere aarden pot. De mooipraters zijn juist mooipraters omdat ze kwaad willen. Ze spelen in op onbewuste angsten, de angst voor wat het vreemde en onbekende zou kunnen brengen, de angst voor onbekende bedreigingen. De kwaadaardigheid komt dan wel aan het licht, het opzetten van de ene bevolkingsgroep tegen de andere levert alleen geweld en onrust in de samenleving op, maar hun gelijk ontlenen ze aan wat ze zelf oproepen. Laten we hopen dat het met kwaadsprekers afloopt zoals hier beschreven, de steen die ze op iemand denken af te rollen verpletterd henzelf. Let dus op, wie kwaadspreekt haat zijn slachtoffers. Ook vandaag de dag. Laten we bidden dat de ogen en de oren van hen die ze volgen op tijd worden geopend en schroom niet over de werkelijkheid te blijven spreken.

Zeven mensen met een afgewogen oordeel

vrijdag, 22 januari, 2010

Spreuken 26:1-16

Voor elke dag iemand met een afgewogen oordeel. Prachtig al die deskundigen. Maar staan die tegenover de dwaas waar we vandaag voortdurend over lezen in dit Bijbelgedeelte? Het lijkt wel een lied al die regels over wat een dwaas allemaal wel niet is. Maar vergis je niet. De dwaas staat tegenover de wijze en wat de wijze is hebben we ooit eerder in het boek Spreuken kunnen lezen. In het begin van dit gedeelte ging het om de wijze koning Salomo, koning van de wijzen. Maar in het boek Spreuken staat ook dat het begin van alle wijsheid het ontzag voor de God van Israël is. En dat ontzag voor de God van Israël begint met het houden van je naaste als van jezelf. En dan zijn de dwazen van deze wereld al die mensen die alleen maar om zichzelf denken. Al die mensen die nooit een hand naar een ander uitsteken. Voor wie een daverende TV show nog niet genoeg is om iets te geven aan de slachtoffers in Haïti. Al die mensen die vinden dat de overheid hen voortdurend moet vrijwaren van alle ongemak in het leven. Als de zon schijnt steekt hij te hard en als het regent worden ze te nat, ook daarbij zou de overheid hen eigenlijk moeten beschermen. Stemmen doen ze niet en politiek actief zijn ze al helemaal niet. Dom zegt de Spreuken schrijver, hun gemopper slaat nergens op. In onze dagen zou je zeggen dat ze een schop onder hun kont verdienen. In discussie gaan met zo iemand heeft geen zin, antwoord maar met hetzelfde soort onzin. Kijk uit dat je een dwaas niet als boodschapper van het goede gebruikt, hij draait het om in het kwade. Als je een dwaas complimenten geeft breng je jezelf schade toe. Het aardige is dat een dwaas in dienst nemen hetzelfde is als een onbekende in dienst nemen. Ga dus zorgvuldig na wie er voor je komt werken, zoek het uit. En dat is niet zo moeilijk want een dwaas herhaalt zijn eigen dwaasheid, lacht om zijn eigen flauwe grappen, die meestal ten koste van een ander worden gemaakt. Een dwaas weet het altijd beter en een dwaas loopt dus nooit ergens voor warm en vermijdt het liefst alle aktiviteit, het heeft allemaal toch geen zin aldus de dwaas. En een dwaas weet het altijd beter. Dat maakt het ook in onze samenleving moeilijk praten met dit soort dwazen. Ondanks alle verzekeringen van hulporganisaties dat het geld voor hulp goed terecht komt, blijven ze beweren dat al dat geld voor Haïti weggegooid geld is. Ondanks de enthousiaste verhalen van de journalist die maanden lang de effecten van landbouwprojecten bestuudeerde  en tot de ontdekking kwam dat mensen op Haïti geleerd hadden in hun eigen voedsel te voorzien, ondanks vier orkanen, blijven die dwazen beweren dat die mensen op Haïti nu eenmaal niks te leren valt en dat ze niet willen en niet kunnen werken. Een oud Nederlands spreekwoord leert dat wie een ander helpt zichzelf helpt en dat hebben we massaal gedaan. Maar in deze dagen moeten we ons des te meer realiseren dat er vele dwazen rondlopen die er alleen zelf beter van willen worden. Dat het geen zin heeft met die dwazen in discussie te gaan, dat het alleen maar zin heeft te laten zien dat het diegene beter gaat die bereid is alles wat men heeft te delen met mensen die niks hebben. Giro 555 staat nog steeds open. Wees geen dwaas, ook vandaag niet.