Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor december, 2009

Van nu tot in eeuwigheid

donderdag, 31 december, 2009

Psalm 121

Op deze laatste dag van het jaar zingen we een Pelgrimslied. Wim Kan zong er ooit ook een: “Waar gaan we in het nieuwe jaar naar toe?” Dat zouden we natuurlijk wel willen weten maar daar gaat deze Psalm dus niet over. Daar gaat het in de Bijbel eigenlijk nooit over. Soms wordt er geschetst hoe zaken af zouden kunnen lopen als je maar door gaat met wat je aan het doen bent. Maar als je ophoudt met het doen van verkeerde dingen dan lopen diezelfde zaken ook heel anders af. In deze Psalm wordt veel meer gevraagd waar je je door laat leiden. Door valse goden of door de God van Israël? Net als tegenwoordig geloofden de mensen in de dagen van de psalmdichter dat de valse goden op de toppen van de bergen woonden. Tegenwoordig staan ze bovenaan de lijstjes die gemaakt worden van de mooiste, de beste, de meest succesvolle, de snelste, de rijkste en noem maar op. Voor de dichter van deze Psalm komt de hulp in het leven niet van die valse goden maar van de God die er voor heeft gezorgd dat er een aarde is om in te wonen, een bewoonbare aarde, en een hemel om van te dromen, een hemel die voorkomt dat je te snel tevreden bent met een aarde waar nog niet alles voor iedereen goed genoemd kan worden. Juist als je je door die God laat leiden dan blijf je als Pelgrim op weg naar die betere aarde, de aarde waarop de hemel is neergedaald en waar God zijn tenten heeft gespannen. Die God van Israël slaapt nooit, die neemt nooit een tukje. Van al die goden van klatergoud krijg je geen antwoord, toeval en geluk hebben gemaakt dat ze rijk geworden zijn, maar je kunt nooit genoeg loten kopen in de eindejaarsloterij om af te dwingen dat je ook rijk wordt. De God van Israël stelt andere vragen, de wegwijzer van die God wijst een andere kant op. Niet jouw geluk of jouw rijkdom is het doel van de reis maar het lot van je naaste is het doel en de zin van je reis. Heb je naaste lief als jezelf, dan heb je God lief boven alles, dat is voortdurend de richtingwijzer op je reis door het leven. Die richtingwijzer laat je nooit in de steek. Die richtingwijzer behoud je er voor dat je verblind wordt door succes, want het zal je nooit lukken alle hongerigen op aarde te eten te geven, het zal je nooit lukken om overal op aarde vrede te stichten. Je kan bijdragen aan een wereld die ook die kant op gaat, maar je weet dat de krachten die de Weg van de God van Israël bestrijden sterk zijn. Het enige waar je in mag geloven en op kan vertrouwen is dat de Weg van die God uiteindelijk de goede weg zal blijken. Dat zal je leven rijk maken, dat zal je leven pas echte inhoud geven, een leven waar je tevreden op terug kan kijken. Om je naaste te helpen hoef je niemand te bedriegen, hoef je van niemand te stelen, hoef je niet jaloers te zijn op anderen die het beter lijken te hebben, hoef je je vader en moeder niet te verlochenen, hoef je niemand te vermoorden, hoef je geen mooie en nog mooiere beelden te laten zien van de God die je aanbidt, hoef je je maar aan één God vast te houden, hoef je zelfs de naam van die God niet voor je eigen karretje te spannen, mag je een dag in de week vrij nemen en uitrusten en hoef je een ander niet als object te gebruiken voor je eigen lustbevrediging. Dat gericht zijn op de naasten, op de broeders en zusters in de wereld die het minder hebben dan wij kan ook in het nieuwe jaar ons richtsnoer zijn. Elk jaar weer en dus tot in eeuwigheid. Een gezegende jaarwisseling.

In het huis van mijn Vader

woensdag, 30 december, 2009

Lucas 2:41-52

Jezus van Nazareth werd volgens het verhaal van Lucas geboren in Bethlehem en groeide op in Nazareth. Maar in Bethlehem was geen plaats voor hem geweest en Nazareth was wel het dorp van zijn ouders maar niet zijn dorp. Waar hoorde die Jezus van Nazareth dan wel thuis? Dat bleek toen hij volwassen werd. Joodse jongens worden volwassen rond hun twaalfde jaar. Dan mogen ze voor het eerst in de synagoge uit de Hebreeuwse Bijbel lezen. Dat lezen gaat niet vanzelf. Hebreeuws is niet meer een taal die we spreken. Oorspronkelijk was het alleen opgeschreven in medeklinkers, eigenlijk was het alleen uit het hoofd geleerd. Maar tijdens de ballingschap in Babel was men begonnen alles op een rij te zetten en op te schrijven. Later kwamen daar ook tekentjes voor de klinkers en de klemtonen bij. Jongens die hun “Bar Mitzwa” willen doen moeten dus hard studeren op het stuk uit de Bijbel dat ze mogen voorlezen. Jezus van Nazareth vond zijn plaats toen hij twaalf jaar werd. Zijn ouders volgden de wetten van Mozes en gingen dus elk jaar naar de Tempel in Jeruzalem. Eigenlijk moesten ze wel drie maal per jaar naar Jeruzalem maar de meeste mensen gingen in elk geval met het Pesachfeest. Dan werd gevierd en herdacht hoe het volk bevrijdt was van de slavernij in Egypte. Elk jaar werd die bevrijding opnieuw beleefd. In Jeruzalem brachten ze een offer en hielden een maaltijd met de familie, de armen, de tempeldienaren en de vreemdelingen uit hun stad. Daarom spreekt het verhaal ook over een groot gezelschap dat met de ouders van Jezus van Nazareth meereisde. Maar Jezus van Nazareth ging niet mee terug. Hij bleef hangen in de voorhof van de Tempel. Daar hielden de schriftgeleerden zich op. Mensen die hun hele leven geweid hadden aan de bestudering van de Wetten van Mozes, de boeken van de profeten en de geschriften als de Psalmen en de Spreuken. Via vragen en discussies met elkaar probeerden ze achter de juiste betekenis van de Bijbelteksten te komen. Na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 zijn veel van die discussies ook opgeschreven zodat de Joden in de verstrooiing die discussies konden blijven bestuderen en voortzetten. Ze zijn voor een groot deel verzameld in de Talmoed. Jezus van Nazareth ging deelnemen aan die discussies. Nu hij twaalf was geworden mocht hij dat ook. Maar een jochie van twaalf weet meestal niet zo veel. Zeker niet genoeg om met geleerden mee te kunnen discussiëren. Hij echter gaf blijk van een grote wijsheid waardoor hij de geleerden versteld deed staan. Waarover de discussies gingen vermeld het verhaal niet. Maar één element wordt duidelijk als zijn ouders hem gevonden hebben. Ook in de Hebreeuwse Bijbel wordt God al aangesproken als “Vader” en als je God als Vader aanspreekt dan is je huis de Tempel in Jeruzalem. Later zullen de schriftgeleerden in discussie blijven met Jezus van Nazareth. Dan zal het met name gaan over het liefhebben van je naaste. Dat gaat terug op de Wet die in de Tempel werd bewaard. En dan is die wijsheid eenvoudiger dan je zou denken. Dan is die kinderlijk eenvoudig, zelfs voor ons te begrijpen. Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf, gewoon vandaag weer mee beginnen. Als we dat horen zijn ook wij weer thuis, dan weten we tenminste weer wat ons te doen staat, ook vandaag weer.

Allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem.

dinsdag, 29 december, 2009

Lucas 2:36-40

De beweging van Jezus van Nazareth is niet zomaar uit de lucht komen vallen. Al in de dagen dat hij geboren werd waren er velen in Israël die de komst van een bevrijder verwachten. Er waren dan ook al de nodige opstandjes geweest en er liepen regelmatig mensen rond die zich uitgaven voor de beloofde messias. Mensen met gelijke verwachtingen en overtuigingen zochten elkaar ook op. Uit opgravingen na de Tweede Wereldoorlog weten we ook dat mensen de bestaande samenleving verlieten en in de woestijn in communes gingen wonen. Ook over Johannes de Doper vertelde Lucas al eerder dat hij in de woestijn ging wonen. Over Simeon, waarover we gister lazen, en Hanna, waar we vandaag over lezen, wordt juist uitdrukkelijk verteld dat ze in de Tempel in Jeruzalem verbleven. Dat is de plaats waar zij de messias verwachten en zij herkennen in het kind, dat op de akker van David in Bethlehem geboren was, de beloofde bevrijder van Israël. Daarom ook vertelde Hanna aan allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem over dit kind. Over die Hanna weten we verder niet zoveel. Ze was uit de stam van de gezegenden, dat betekent Aser, één van de tien stammen die na de ballingschap als zodanig niet meer was teruggekeerd, ze was de dochter van het gelaat van God, want dat betekent de naam Fanuël, haar eigen naam betekent genade. Ze was profetes en weduwe van beroep. Dat laatste klinkt hard maar de vermelding van haar leeftijd en haar naar verhouding korte huwelijk staan er niet voor niets. De familie van haar man had voor haar moeten zorgen, daar had een man gevonden moeten worden die haar had willen trouwen. In de oude wetten van Mozes staat precies hoe ze dat hadden moeten doen. Maar in een paar woorden weet Lucas ons te vertellen dat die wetten voor die familie niets te betekenen hadden gehad en dat de wet van Mozes haar in elk geval geen bescherming had geboden. Nu maakte ze kennis met jonge mensen die alle risico’s genomen hadden met het wel weer gaan leven of de Wet van Mozes nog steeds de geldende wet in Israël was. Daar mocht zij bevrijding uit haar benarde situatie van verwachten. Dat zou de bevrijding van Jeruzalem dichterbij brengen. Want Jeruzalem was nu eenmaal de stad waar die oude Wet bewaard werd. Waar mensen naar toe kwamen om zich rond die wet te scharen en door met elkaar een maaltijd te delen weer te oefenen in de betekenis van die Wet, heb uw naaste lief als uzelf. Daarom is de toepassing van de wet zoals Maria en Jozef dat hadden gedaan van belang voor de hele bewoonde wereld. Bevrijding van Jeruzalem betekende voor Hanna dat die Wet weer tot gelding gebracht zou worden. Daar was die nieuwe koning uit het geslacht van David voor geboren, daar was de gezalfde, de messias, de christus, voor op aarde gekomen. Zo mogen wij ons voegen in dit verhaal. Weer oog en oor krijgen voor de weduwe, zorgen voor mensen die lang afhankelijk zijn van hulp en bijstand, zorgen dat mensen weer zelf verder kunnen. Wij mogen er voor zorgen dat de Wet van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf weer in het middelpunt van de wereld komt te staan. Zodat iedereen er bescherming van kan genieten. Daar mogen wij vandaag weer mee beginnen.

Hij zal een teken zijn dat betwist wordt

maandag, 28 december, 2009

Lucas 2:22-35

Dat Maria en Jozef zeer wetsgetrouwe Joden waren was al gebleken uit hun reis van Nazareth naar Bethlehem. Want wie zou onder een wrede Romeinse bezetting het bevel van de Keizer durven trotseren en in plaats van thuis te blijven een lange reis te ondernemen? Maar in het verhaal van Lucas speelt de Hebreeuwse Bijbel nu eenmaal een belangrijke rol. Jezus van Nazareth was niet alleen een afstammeling van David, geboren op de akker die aan de familie van David was toegewezen, maar hij was opgenomen en opgevoed in de godsdienstige traditie van het volk Israël. Jozef en Maria hielden  hun eerstgeboren zoon daarom niet zelf maar brachten hem naar de tempel, zoals was voorgeschreven voor een eerstgeboren zoon. Ooit was ook het verhaal van Koningen van Israël en dus ook het verhaal van Koning David begonnen met een moeder die haar kind naar de Tabernakel bracht. Die moeder was Hanna en dat kind was Samuel die later als priester en profeet de koningen van Israël zou zalven. Toen Maria bij Elisabet op bezoek was had ze nog het liet gezongen van Hanna, over machtigen die van de troon gestoten zullen worden en onvruchtbaren die vruchtbaar zullen zijn. Maria en Jozef nemen twee duiven mee, het voorgeschreven offer voor de armen, iedereen kan immers iets delen, hoe arm je ook bent. En ook in de Tempel klinkt een bijzonder lied voor het kind  van Bethlehem. Er staat een profeet, Simeon, die niet eerder zou sterven dan dat hij de bevrijder van Israël zou hebben gezien. Dat klinkt als een eeuwig leven maar voor Simeon gaat het niet om zijn leven maar om het leven van alle mensen op de wereld. Die worden gered van oorlog en ellende, de wrede bezetting van alle volken zal voorbijgaan, het kind dat buiten alle regels om werd geboren is daarvan het teken. Ook Simeon put uit de liederen van het Oude Testament, vooral uit het boek Jesaja. De vader en moeder van Jezus van Nazareth waren verbaasd over alweer een lied en nu van een oude man. Maar ook hier geen romantiek, geen herdertjes en engeltjes die door het luchtruim zweven. Geen warme stal, geen grootse ontvangst in de Tempel. Nee, dat kind krijgt al het stempel mee van een dubieus optreden, een teken dat betwist zal worden. Een teken dat nog steeds betwist is. Nu al spreken mensen er schande van dat de kerk de afgelopen dagen zozeer de televisie heeft gedomineerd. In alle toonaarden werden het kleine kindje, zijn zielige ouders, de arme herdertjes en de zwevende engeltjes bezongen. En in alle talen kwamen voorgangers vertellen dat we vooral lief voor elkaar moeten zijn en dankbaar dat God de wereld zo lief had dat hij een kindje geboren liet worden. Over het feit dat Maria als door een zwaard doorstoken zou worden geen woord. Over het feit dat we aan de slag moeten om heel de wereld te veranderen geen woord. Dat er geen zielige herdertjes zijn maar onderdrukten die recht gedaan moet worden is met Kerstmis meestal vergeten. Dat God ook aan de armsten een bestaan heeft beloofd en als ze dat bestaan niet hebben er rijken zijn die ze van dat bestaan hebben beroofd geen woord. Dat kind zou de belofte van Liefde voor de minsten in absolute geweldloosheid zelfs door de dood heen dragen. Daarom bestaat dat verhaal ook vandaag nog. Daarom klinkt ook nu nog de roep om mee te gaan op de weg van Jezus van Nazareth  door te houden van je naaste als van jezelf, door te letten op de minsten op aarde, door de hongerigen te voeden en de armen recht te doen. Aan het werk dus.

Rechtvaardig en vroom

zondag, 27 december, 2009

Titus 2:11-15

Het woord “Vroom” betekent in Oud Nederlands “Dapper”, je vindt het terug in het Wilhelmus, “Dat ik zo vroom mag blijven….den tyranie verdrijven” Vroom heeft tegenwoordig de bijbetekenis van “overgodsdienstig”, maar soms moet je ook wel dapper zijn om je godsdienst uit te durven dragen. Dat is misschien ook wel een verklaring voor het radicaliseren van godsdienstige jongeren, christenen en islamieten. Het is een goed gevoel dapper te moeten zijn voor een goede zaak, je godsdienst. Al is onze godsdienst er één van vrede, van liefde en zonder geweld. Paulus roept zijn assistent Titus op ook rechtvaardig te zijn. Ook rechtvaardig zijn kan gevaar opleveren. We maakten al kennis met Stefanus de diaken, die moest zorgen voor een rechtvaardige verdeling van rijkdom maar hij kreeg de stenen om zijn oren. Daarbij dapper blijven is een opgave. Voortdurend gericht zijn op het goede doen, steeds maar weer hameren op recht voor de armen, op zorg voor de zwakken, is een taak. Dat je daarbij af en toe afhaakt, af en toe verzaakt, is een gegeven. Het verhaal dat Jezus van Nazareth met zijn leven heeft verteld maakt dat je elk moment opnieuw mag beginnen. Zelfs het korte optreden van Stefanus was niet vergeefs,  het mag ons elk jaar weer tot voorbeeld dienen. Dat verhaal mogen we doorvertellen en we hoeven ons niet te laten afschrikken door de minachting waarmee geloof in rechtvaardigheid vaak wordt benaderd. Integendeel, mensen die menen het voor het zeggen te hebben in deze wereld hebben het eigenlijk mis. Als je in een tijd waarin de tering naar de nering gezet moet worden smalend doet over een voorstel om de allerrijksten iets meer mee te laten betalen aan de voorzieningen waar ook zij van profiteren dan lijk je wel sterk en machtig maar je bent eigenlijk alleen maar zwak. De wegen waarover auto’s rijden, de treinen waarin mensen zich laten vervoeren, de veiligheid die burgers geboden wordt zijn voorzieningen waar iedereen van profiteert. Mogen de rijken voor het instandhouden misschien wat meer bij mogen dragen dan de armen? Paulus schrijft aan Titus dat we moeten proberen de mensen te leren goddeloze en wereldse begeerten af te zweren en rechtvaardig en vroom in deze wereld te leven. Wat precies de begeerten zijn die we moeten afzweren staat er niet bij. Dat het in Kreta zal gaan om het opofferen van mensen om vruchtbaarheid af te dwingen ligt voor de hand. Daar ging de cultuur en de godsdienst van Kreta om. In onze dagen zien we een paralel in het steeds maar meer en steeds maar nog meer te willen hebben en consumeren, eventueel ten koste van anderen die zich daartegen niet kunnen verweren. In plaats daarvan eerlijk willen delen is niet alleen dapper en dus vroom maar ook rechtvaardig en in de ogen van Paulus godvruchtig. Dat woord godvruchtig krijgt dan weer een mooie betekenis terug. Dat wordt dan niet iets van gevouwen handen en gesloten ogen maar open handen voor de minsten en een open oog voor mensen die langs de weg zijn komen te staan. De woorden die we vandaag van Paulus lezen zijn dus niet ouderwets maar openen een vergezicht naar een nieuwe kans op een nieuwe wereld, een wereld waar iedereen aan mee kan doen. Laten we er vandaag nog mee beginnen.

Allen die het hoorden stonden verbaasd

zaterdag, 26 december, 2009

Lucas 2:15-21

Dat moet een heel gedoe geweest zijn daar in Bethlehem. Een oploop over een volkstelling, een kind dat de afstammeling van koning David zou zijn en mensen die daarin waren gaan geloven dwars tegen de macht van de wereld in. Want de dreiging van de Romeinen en van ongeloof was nog lang niet voorbij. Misschien zou je kunnen zeggen dat die dreiging pas echt zichbaar werd na het Kerstfeest. In de oude traditie van de kerk werd dat al duidelijk gemaakt. Op Tweede Kerstdag werd dan het feest van Stefanus gevierd. Die Stefanus was een Griekse Jood die tot diaken gekozen was nadat op Pinksteren er een eerste gemeente was gevormd van mensen die Jezus van Nazareth wilde navolgen. Het was zijn taak om de arme Griekssprekende leden van die gemeente te voorzien van het nodige maar hij sprak vurig over de leer van Jezus van Nazareth in de Tempel. Dat leidde tot zijn dood door steniging. De eerste moord op een bekeerling. Maar het kerstfeest en de oploop in Bethlehem hadden al eerder tot moord geleid. Een week na het kerstfeest vieren we immers het feest van de onnozele kinderen. De Kerk is er in de geschiedenis heel vaak in geslaagd om vredelijke gebeurtenissen te voorzien van een vriendelijke naam. Dat feest van die onnozele kinderen herdenkt namelijk de kindermoord in Bethlehem. Heersende machten kunnen er nooit tegen als zwakke krachten in de samenleving het werkelijk voor het zeggen krijgen. Zo’n kind Koning maken en de wet laten voorschrijven kan natuurlijk helemaal niet. Jozef en Maria waren gedwongen te vluchten. En net als vroeger Jozef de zoon van Jacob kwam ook deze Jozef in Egypte terecht. Hedendaagse psychologen zouden het geen wonder vinden dat de volwassen Jezus van Nazareth zo’n enorme afkeer van geweld had. Een start die zo vol was van geweld en bedreiging moet wel sporen achterlaten. Het is in elk geval voor de hedendaagse kinderbescherming maar al te vaak reden om hele gezinnen voorgoed uit elkaar te halen, alsof dat ook niet voor kinderen een zeer geweldadige ingreep is. Maar rond het eerste kerstfeest werd die Jezus van Nazareth nog gezien als de nieuwe Jozua. Ook bij die naamgeving speelt het mengsel van talen en vertalen waarin de Bijbel aan ons overgeleverd is ons parten. Jezus is onmiskenbaar een Griekse naam, maar die Griekse naam is de vertaling van een Hebreeuwse naam en wie dat gaat uitzoeken komt tot de ontdekking dat Jozua en Jezus dezelfde naam dragen. En die naam betekent ook nog wat: “God is redding”. Daar ging het toen om en volgens veel predikers gaat het daar vandaag ook nog om. Redding van zonden heet het dan. Nu voelen de meeste mensen zich niet zo zondig, ze proberen netjes te leven, vallen niemand lastig en doen een duit in het zakje als het tegen malaria is of voor andere goede doelen. Maar die redding is van veel groter kwaad dan een enkel gewoon mens zou kunnen doen. We kunnen gered worden van hongersnood, van malaria en veel andere armoedeziekten, van oorlog en geweld. Daarvoor moeten we net als de herders doen, iedereen opwekken mee te gaan doen in dat verhaal van je naaste liefhebben als jezelf. Niet zomaar alleen met kerstfeest, maar elke dag opnieuw en niet alleen in een vreedzame samenleving maar ook als gestenigd zou kunnen worden of als je kinderen vermoord zouden kunnen worden. Dat is pas volhouden, maar het loont, ook vandaag nog.

Wees niet bang.

vrijdag, 25 december, 2009

Lucas 2:1-14

Waarom waren die herders eigenlijk zo bang? Je kunt wel schrikken van een stralende engelfiguur, maar om er nu bang van te worden. Engelen worden op die manier wel niet dagelijks gezien maar de verhalen er over zijn toch wel bekend en meestal betekenen ze iets goeds. Dus waarom waren die herders eigenlijk zo bang? Om dat te begrijpen moeten  we het kerstverhaal ontdoen van een heleboel romantische verzinsels die er in de loop van de eeuwen aangegroeid zijn. In het verhaal worden drie machthebbers genoemd. Augustus, Quirinius en David. Een keizer, een stadhouder en een koning. Die Keizer was de baas en die stadhouder zou de baas worden. Die keizer wilde een volkstelling houden. Dat was om te beginnen al schrikken en iets om bang voor te worden. In het oude verhaal van Koning David stond ook iets over een volkstelling, toen kreeg iedereen de pest en gingen er duizenden mensen dood. Zou dat nu ook kunnen gebeuren? Het volk Israël had het niet gemakkelijk en de volkstelling was in de eerste plaats bedoeld om belasting te kunnen heffen, het volk zou het daarom nog minder gemakkelijk krijgen. Maar er was nog een verhaal over een volkstelling, dat was wat recenter in de geschiedenis. Wij kennen het uit het derde boek van de Makkabeeën, een boek dat niet opgenomen is in de Bijbel maar dat in het begin van onze jaartelling veel werd gelezen. Het gaat over de bezetting door de Grieken, die uiteindelijk werden verdreven door de Romeinen. Toen was er ook een plan voor een volkstelling geweest. Die was bedoeld om het hele Joodse volk te kunnen uitroeien. In dat derde boek van de Makkabeeën staat ook hoe dat niet doorging, volgens dat verhaal hadden engelen het volk gered, maar nu het opnieuw werd geprobeerd was het toch iets om bang voor te zijn. Die volkstelling was iets om bang voor te zijn maar er was ook het bevel om thuis te blijven. Dat kunnen herders zich niet permiteren. Wij kunnen nog thuiswerken als het vervoer in ons land plat ligt maar herders, boeren en vissers kunnen dat niet. En Jozef en Maria? Die deden dat niet. Die namen een gok om hun afkomst van David tot gelding te brengen. Op grond van die afkomst hadden ze recht op een akker in Bethlehem, de akker van Isaï waar ooit David de herder bij zijn schapen tot koning was gezalfd. Daar werd hun kind geboren, niet in hun of zelfs een huis, er was daar geen plaats, maar bij de dieren zodat het kind in een voederbak gelegd kon worden, gewikkeld in doeken zoals het na zijn sterven in doeken gewikkeld in een graf gelegd zou worden. Dat vertrouwen op de belofte van God dat het land voor eeuwig in de familie zou blijven, dat elke vijfig jaar een familie opnieuw zou mogen beginnen dat bracht de redding voor heel het volk. Die Quirinius zou pas tien jaar na de dood van Koning Herodes stadhouder worden, en het verhaal over Elisabet, Zacharias, Maria en Jozef begon in de dagen van Koning Herodes. Het ligt daarom voor de hand dat de geboorte van een kind in een open veld op een plaats waar het niet thuishoorde de volkstelling deed mislukken. Die stal staat dus ook niet in de Bijbel. Met die geboorte kon de angst van de herders verdwijnen, geen opstand, geen doden, maar vrede op aarde en van de mensen houden. En dat welbehagen in mensen, van mensen houden en vooral van de zwaksten kan ons ook vandaag bevrijden van de angst voor oorlog en ellende. We mogen er vandaag opnieuw mee beginnen, dankzij Jozef en Maria, dankzij dat kind geboren in Bethlehem, de Koning van de wereld.

De heilzame leer

donderdag, 24 december, 2009

Titus 2:1-10
Veel mensen denken dat al die stukjes advies in de Bijbel voor eens en voor altijd en voor iedereen als vaste wetsregels opgelegd zijn. Zo is het natuurlijk niet. Titus werkte voor de Kretenzers. We kennen Kreta van de verhalen over de Minotaurus, de Stiermens die in een groot doolhof werd gehouden en waar jonge mannen en vrouwen aan geofferd werden. We kennen ook de verhalen over het stierspringen waarmee de jonge mannen van Kreta hun mannelijkheid konden bewijzen. Het zijn allemaal verhalen over een volk dat bezeten was door angst voor vruchtbaarheid. Toen Paulus er gestrand was op weg naar Rome werd hij voor een god aangezien toen hij iemand genas van een slangenbeet. De gemeente van Jezus moest daarom een andere uitstraling krijgen. Aan het begin van dit stuk gaat het om de heilzame leer en aan het eind van dit stuk over het aanzien van de heilzame leer. En kijk dan eens naar wat er staat over oudere mannen. Dat het geen dronkaards moeten zijn lijkt voor de hand te liggen, de Romeinen konden overigens zeer uitgebreid genieten van zeer verfijnde maaltijden, die hoefden echt niet te wachten op Kerstmis. Soberheid is dus zo gek nog niet. Gezond in geloof en in de liefde en de volharding. Wat een merkwaardige opsomming lijkt het. Geloof gaat nog maar liefde en volharding. Bij die laatste twee komt de aap uit de mouw. De meeste van geloof, hoop en liefde is de liefde volgens Paulus, een liefde zo heet het elders die zichzelf niet zoekt. Liefde voor de mensen. En vanuit die liefde kan een slaaf gehoorzaamheid aan zijn meester gevraagd worden. Vrouwen kan gevraagd worden het tegendeel van liederlijkheid uit te stralen. Uit liefde voor mensen die je moet proberen te betrekken bij het verhaal van Jezus, met die volstrekt nieuwe manier van met elkaar en met de wereld om te gaan moet je zelf anders gaan leven, vanuit liefde, zorg, ingetogenheid, zuiverheid en waardigheid. Als je goed kijkt krijgen mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, slaven en vrijen dezelfde adviezen  van Paulus. Van het aanbrengen van een soort rangorde, waarbij de een de baas over de ander is, is geen sprake, allen hebben de mogelijkheid om reclame te maken voor het nieuwe leven. Allen wordt gevraagd die mogelijkheid aan te grijpen. In Christus is geen onderscheid tussen mensen en nu vraagt Paulus aan Titus dit ook in zijn nieuwe gemeente in praktijk te brengen. Die vraag kan ook aan ons worden gesteld. Dan moeten wij onszelf afvragen of we in onze gemeenten onderscheid maken tussen mensen op grond van hun sociale status, hun sexe of sexuele geaardheid of hun leeftijd. Voor allen geld immers dat geloof, hoop en liefde uitgestraald moet worden en voor ons samen of iedereen daar wel voldoende de kans voor krijgt.Vanavond en vannacht gaat een groot deel van Nederland voor haar jaarlijkse kerkbezoek naar een plaatselijke kerk. Ga mee en straal uit wat Paulus aan Titus heeft geleerd. Neem desnoods een paar zwervers of asielzoekers mee.

Praatjesmakers en bedriegers

woensdag, 23 december, 2009

Titus 1:10-16     
 
Ze zijn er nog steeds de praatjesmakers en bedriegers. Laatst is er bijvoorbeeld nog een boek verschenen waarin beweerd wordt dat Jezus, Maria en Maria Magdalena op magische wijze met de schrijvers in verbinding staan en beweerd hebben dat voetbal op Tweede Kerstdag zou bijdragen aan de wereldvrede. Hoe het ook zij, het moet duidelijk zijn dat dit niets met het Christelijk geloof te maken heeft. De namen zijn gejat uit de Bijbel maar de inhoud heeft er niet mee van doen. Er zijn ook TV programma’s met telkens weer een nieuw medium, dat vervolgens na enige tijd weer door de mand valt en een bedrieger blijkt te zijn. Een oud citaat van Shakespeare, er is meer tussen hemel en aarde, moet de indruk wekken dat wat gesuggereerd wordt echt is. Het is dus niet echt, het bestaat niet en het heeft geen waarde, alleen de waarde in geld uitgedrukt voor de makers. Paulus heeft de wetenschap overigens een citaat gegeven waar lang op is gestudeerd: “Alle Kretenzers zijn leugenaars, zei de Kretenzer” Deze zin kan dus niet. Of de Kretenzer liegt en dan is hij een leugenaar, maar zijn niet alle Kretenzer leugenaars, of de Kretenzer liegt niet en dan zijn alle Kretenzers leugenaars maar dan liegt hij dus ook en zijn niet alle Kretenzers leugenaars. Volgens Paulus liegt deze valse profeet dus. Paulus kan behoorlijk tekeer gaan tegen deze valse profeten en valse leraars. Ik heb er al eens eerder op gewezen dat er in de Bijbel forse scheldpartijen tegen profiteurs voorkomen. De daden zijn uiteindelijk toonaangevend voor het waarheidsgehalte. Worden de armen er beter van, komt er echte rechtvaardigheid en vrede? Is er echt sprake van een welbehagen in mensen? Komend kerstfeest zullen we weer veel vrome woorden horen over een zielig kindje in een kribbe, over die arme Maria en Jozef en een volle herberg. Dat laatste staat overigens niet in de Bijbel maar ja dat er geen plaats was moet toch verklaard worden. Zelfs de stal komt niet in de Bijbel voor. Alleen de voederbak, kribbe, zeiden we vroeger. Daar werd de baby ingelegd, in doeken gewikkeld, net als Jezus van Nazareth later zelf in het graf gelegd zou worden. Nu zweven er weer engeltjes door het luchtruim en lagen er herdertjes bij nachte. Vrome predikers maken de mensen kleiner, het leed groter, en de stal warmer, of kouder, dan vriest het en hagelt het en sneeuwt het rond de Middelandse Zee. De armen worden weggepoetst in preken van Anton Piek die met kerst bekeken kunnen worden in een christelijke Efteling. Het zijn de sprookjes die bij het jaargetijde horen. Dat de schapen in Israël van mei tot september in het veld bleven was door de geleerden even vergeten. Een waarschuwing zo een paar dagen voor kerst is dus zeker op z’n plaats. Paulus waarschuwt voor iets dat hij Joodse verzinsels noemt. In zijn tijd wilde men graag de Griekse godsdiensten verenigen met de Joodse Godsdienst. Dan gaat het ineens over je eigen geluk, over praten met je voorouders, praten met geesten. Dan gaat het over toekomstvoorspellingen, over de taal van de sterren. Voor Paulus moet je alleen letten op de daden. Daarom: als je mee wil doen met het verhaal van Jezus van Nazareth en wil helpen de wereld te bevrijden van bedrog, onderdrukking, onrecht en armoede dan heeft ook het kerstverhaal daarin een eigen betekenis.

Onberispelijke mannen

dinsdag, 22 december, 2009

Titus 1:1-9
 
Vandaag beginnen we te lezen in de brief die Paulus schreef aan zijn assistent Titus. We krijgen een kijkje in de opbouw van een nieuwe godsdienst in een bestaande wereld. Tegenwoordig ontlenen sommige mannen aan de opdracht aan Titus het recht om vrouwen uit te sluiten van ambt van voorganger. Het is daarbij vreemd dat dat vooral gebeurt door mannen die geen enkele vrouw hebben, en ook niet willen of mogen hebben, laat staan ook nog gelovige kinderen die niet kunnen worden beschuldigd van schandelijk gedrag en ongehoorzaamheid. Die uitsluiting van vrouwen slaat dan ook nergens op en is zeker niet Bijbels zoals we bij het lezen van andere brieven van Paulus al hebben ontdekt. Paulus heeft zeer goede betrekkingen met Prisca die uit Rome afkomstig was en die hij regelmatig met veel waardering noemt. Hij groet zelfs een vrouw die blijkens de woorden van Paulus diaken was, dus een verschil tussen vrouwen en mannen was er volgens Paulus niet. Titus werkt op Kreta en Kretenzers hadden zo hun eigen geloof en gewoonten. Eén man met meerdere vrouwen en een hele sleep ongeregelde kinderen was kennelijk geen uitzondering. Daar konden, en kunnen nog steeds, de meest wilde verhalen over de ronde doen die geen reclame zouden vormen voor de nieuwe godsdienst. En reclame voor die nieuwe godsdienst daar moest het om gaan. Daar komt bij dat in het Romeinse Rijk priesteressen een bijzondere rol vervulden, of als tempelprostituees of juist als onaanraakbaren, zogenaamde zuiveren. Het geen onderscheid maken tussen vrouwen en mannen gaat daar dwars tegenin, expliciet een vrouw als vrouw aan het woord laten zou in een dergelijke wereld alleen maar verwarring wekken en de nieuwe beweging moest uitnodigend en niet afstotend zijn. Daarom moest de opzichter van de gemeente gastvrij zijn en goedwillend en bezonnen en zich houden aan de leer zoals die door Paulus en Titus was gebracht, de leer dat je je naaste moest liefhebben als je zelf en dat het daarbij bij uitstek om de zwaksten en de armsten ging. In geen enkele samenleving is de keuze voor de armen een keus die gejuich oproept, integendeel. Vaak zal gedacht worden dat daar wel iets achter zal steken, die armen zullen wel aan bendevorming doen zodat roof en diefstal gemakkelijker gaat, die armen zullen wel gewelddadig worden als ze zo samen klitten. Het zijn de beschuldigingen die tot op de dag van vandaag klinken. Arme vrouwen bij elkaar opvangen? Dat zal wel een hoerenkot worden. Zelfs moeder Theresa van Calcutta werd hiervan beschuldigd. Juist in die nieuwe gemeenten worden en werden mensen gezocht die niet verdacht zouden kunnen worden van het kwade, over wie alleen het goede verteld kon worden. Dat konden die mannen niet alleen, daar hadden ze hun vrouw en hun kinderen hard bij nodig. Als opzichters werden dus niet alleen onberispelijke mannen gezocht, maar onberispelijke gezinnen. Dat voorkwam tegelijk dat ook die christelijke mannen die voorgingen in de gemeente als Tempelprostituees zouden worden aangezien, ook dat kwam voor. De bestaande samenleving, de wereld, mocht daarom best nog even kijken naar de man als vertegenwoordiger van dat gezin, de gelovigen zelf wisten dat in Christus man noch vrouw was, alleen gelovigen. Het ambt claimen voor mannen kan dus ook niet op grond van de opdrachten aan Titus. Maar net als de gelovigen op Kreta kunnen we gemeenschappen vormen waar we de wereld laten zien hoe het ook zou kunnen, je naaste liefhebben als jezelf, daar kunnen we vandaag mee beginnen.