Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor november, 2009

Kijk naar de hemel en de aarde

vrijdag, 20 november, 2009

2 Makkabeeën 7:20-29

Boven het hoofdstuk dat we dezer dagen aan het lezen zijn stond als opschrift “De marteldood van zeven broers en hun moeder”. De afgelopen dagen hebben we gelezen over de dood van zes broers. Blijft dus nog een zevende broer en de moeder van de zeven broers. In het gedeelte van vandaag richt de schrijver de aandacht eerst op de moeder. Van haar zou je zo onderhand een heel hart en gemeend STOP hebben verwacht. Op de meest wrede manier zijn immers haar zoons omgebracht. Onder helse pijnen zijn zij gestorven. En waarom? Omdat ze geen varkensvlees wilden eten, omdat ze niet wilden gehoorzamen aan een wrede Heidense koning en niet wilden inburgeren in zijn rijk maar wilden volhouden aan oude gedragsregels die ze hadden van een God waar zelfs geen beeld van was. Maar niets van dit al. Geen stop, of hou op, of blijf leven. Nee ze sterkt haar zoons in hun weigering niet te willen inburgeren. Ze spreekt haar zoons toe in het Hebreeuws, de taal waarin de verhalen over de God van Israël zijn verteld, de taal waarin de geboden waar het over gaat zijn opgeschreven. Zij spreekt als een moeder maar met de kracht van een priester die de Naam van God verkondigd. De God van Israël heeft immers de aarde uit chaos gevormd tot mensenland, heeft mensen gevormd naar zijn beeld en hen de levensadem ingeblazen. Hoe een kind groeit in de buik van zijn moeder wordt ook in onze dagen door ouders nog als een wonder ervaren. Dokters en biologen kunnen daar nog zulke rationele verklaringen voor geven, wie een kind ziet groeien in de buik van zijn moeder en ziet geboren worden kan het gevoel niet kwijt raken dat er een wonder gebeurd, een onverklaarbaar verschijnsel waardoor een echt mens ter wereld komt. En de moeder die dat opnieuw beleeft als zij haar zonen vermoord ziet worden rest niet anders dan er op te vertrouwen dat die God haar zonen opnieuw de levensadem zal inblazen omdat ze bij Hem willen horen en niet bij de moordenaars. Die Griekse koning verstaat er niks van. Hij begrijpt alleen wat hij zelf zou doen en denkt dat hij bespot wordt. Zo veel macht uitoefenen, zo heersen over leven en dood, moet toch wel tot gehoorzaamheid leiden. En als het niet met de dreiging van de dood lukt dan zal het misschien gaan met een verleiding tot leven. Hoge postities aan het hof werden de jongste broer in het vooruitzicht gesteld. Als hij maar wilde inburgeren in het rijk van de Koning. Maar hij weigert. Dan maar de moeder ingezet, een moeder wil immers dat tenminste één van haar kinderen blijft leven. Uiteindelijk stemt de moeder toe tot haar zoon te spreken. Maar ze kan niet anders dan vasthouden aan de verwachting die ze van haar God heeft. Voordat God begon met de hemel en de aarde en met de mensen bestonden ze niet. Als ze door mensen gedood worden dan zal God ze de adem weer teruggeven. Die moeder had de Bijbel goed gelezen. In het boek Genesis, wording betekent dat, staat dat God een grens aan de mensenleeftijd stelt en dat de adem weer zal terugkeren naar God. De Wet van God, Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf, is dus belangrijker als alle andere machten, krachten bedreigingen op aarde. Zoals deze moeder en haar zonen vasthouden aan dat gebod mogen wij, die onder veel minder extreme omstandigheden moeten volhouden, ook vandaag een voorbeeld nemen. Opdat de verdrukten mogen leven en opstaan.

De hoop die God ons geeft

donderdag, 19 november, 2009

2 Makkabeeën 7:13-19

In zijn prachtige lied over de liefde, die Paulus opnam in zijn brief aan de Corinthiërs, spreekt Paulus over “geloof, hoop en Liefde” De meeste daarvan is de Liefde, maar die liefde kan kennelijk ook niet helemaal zonder geloof en hoop. En over hoop horen we niet zoveel. Hier wel. Als het bij de Makkabeeën gaat over de opstanding uit de doden dan is dat niet zozeer hun geloof als wel hun hoop. Immers als de rechtvaardigen zullen opstaan en de beulen niet, zoals ze hier uitspreken, dan overwinnen uiteindelijk de slachtoffers en niet de beulen. Tal van tyrannen hebben dat ondervonden. In Zuid Afrika bijvoorbeeld hebben niet de aanhangers van het wrede apartheidsregiem overwonnen maar de slachtoffers van dat regiem. Ons land worstelde zich vrij van het machtige Spanje, dat werkelijk een wereldmacht was, ondanks de wrede martelingen waarbij soms hele steden werden uitgeroeid. De hoop op een wereld zonder tranen mogen we dus levend houden door er aan te werken. We mogen geloven dat God ons op de weg naar die wereld zal vergezellen want wat ons drijft is de Liefde voor de minsten, de liefde voor de God die voor de minsten opkomt en voor hen recht wil verschaffen. De vijfde zoon voegt er nog wat bijzonders aan toe. De wraak van God, de overwinning door de slachtoffers, hoeft niet direct te gebeuren. Die overwinning is te verwachten in de toekomst, wellicht pas voor de nazaten van de onderdrukkers, maar dat die overwinning komt staat vast. De dood van die ene zoon, van die ene familie waar het hier op zal uitlopen, doet daaraan niet toe of af. Ook het ondergaan van die marteling is dus geen offer dat die overwinning dichterbij zal brengen. Die marteling laat alleen zien waar goed en fout zijn, waar dus de God van Israël is. Laat God dus die marteling toe? God geeft mensen de vrijheid het tegen hem op te nemen. Zonder die vrijheid zou er immers geen geloof hoeven te zijn, zonder die vrijheid zou er ook geen hoop zijn op een andere wereld, zonder die vrijheid zou God alle liefde voor zichzelf hebben en zou er geen liefde voor de minsten onder ons zijn. Zo hebben wij mensen de keuze, doen we goed of leven we alleen voor onszelf. Horen we bij de beulen of bij de martelaars. De zesde broer wijt zelfs de marteling en de dood aan zichzelf. Zij zijn het die het gebod van God om de naaste lief te hebben als zichzelf hebben verwaarloosd, maar hij maakt daarmee de beulen niet tot uitvoerders van Gods wil. Door niet te willen vergeven en hen te willen dwingen zich aan te passen aan hun eigen cultuur staan ze op tegen God. Ze maken zichzelf gelijk aan God door te willen oordelen over gedrag van anderen dat niemand schaadt en dat gedaan wordt uit liefde tot de God van Israël. Zo laat deze geschiedenis van de broers Makkabeus, uit het boek dat niet in de Bijbel staat, zien dat we ook vandaag de dag keuzes moeten maken voor de plaats die wij in de geschiedenis willen innemen. Daarom zei Luther dat het goed was dat deze boeken gelezen worden. Los van de wrede martelingen en moorden die worden beschreven ligt ook voor ons de vraag voor of wij anders gelovigen willen dwingen om zich aan onze cultuur aan te passen of dat wij naast hen gaan staan om hen de vrijheid van het Evangelie voor te leven. Die vraag komt ook vandaag op ons af.

Uit de hemel heb ik ze gekregen

woensdag, 18 november, 2009

2 Makkabeeën 7:7-12

Het ondergaan van martelingen en de dood van de broers in het boek 2 Makkabeeën is als een preek. Al hopen dominees, priesters en voorgangers natuurlijk nooit op deze manier te moeten preken. Maar het verhaal moet je wel in stukjes lezen en elk stukje heeft een eigen boodschap. Zo staat er dat de tweede broer antwoordt in de moedertaal. Hij spreekt dus Hebreeuws. Het boek is geschreven in het Grieks en gaat ook over de Griekse overheersing van het land Israël. Hoezeer de vijand ook zijn best doet om de broers te laten inburgeren in hun eigen Griekse cultuur de broers houden vast aan hun eigen identiteit, die mede bepaald wordt door hun godsdienst. Daarom het gebruik van het Hebreeuws, de taal waarin ze de Wet van de God van Israël, en daarmee die God zelf, hebben leren kennen. Maar waarom ondergaan die broers de marteling en de dood zo moedig? Ook op die vraag geeft die tweede broer een antwoord. Ze geloven dat het voor rechtvaardigen met de dood niet afgelopen zal zijn. Zij die hun leven hebben gegeven voor de zaak van de God van Israël zullen mogen voortleven als de God van Israël ook zichtbaar de Heer van de wereld is geworden, aan het eind van de tijden. Dat geloof was opgekomen tijdens de bezetting door de Grieken. In die dagen was het verzet hevig en het antwoord van de bezetters was marteling en moord. De Joden geloofden dat het onrechtvaardig zou zijn als daar niet iets tegenover zou staan en zo ontstond het geloof in de opstanding uit de doden, die daarvoor eigenlijk niet in de Bijbel was voorgekomen. De derde broer begon met zijn tong uit te steken om zich daar te laten martelen. Zijn spraak en zijn eten was in tegenspraak met wat de bezetter wilde en zou dat blijven. Dat uitsteken van de tong was dus geen teken van minachting maar een verhaal, het verhaal van het volhouden van het geloof. Want niet zozeer de taal en het spreken moest veranderen maar het eten, ook dat gaat via de mond en daarbij speelt de tong immers een belangrijke rol. Zo moet je ook het uitsteken van de handen lezen. Daarmee moet de aarde worden bewerkt om voedsel te verbouwen en om voedsel was het de Grieken begonnen. Die Joden weigerden het varkensvlees te eten dat was geofferd aan de Griekse goden die de overwinning over het land aan de Grieken hadden geschonken. Minachting voor die goden door hen niet als heersers te erkennen en hun offervlees te eten was het ergste wat je kon doen. Ook de derde broer geloofde in de opstanding uit de doden. En hoewel er geen duidelijke voorstelling was hoe dat zou plaatsvinden, er zou nog eeuwen over worden gespeculeerd, sprak deze de hoop uit zijn tong en zijn handen terug te krijgen bij die opstanding. Uiteindelijk zou hij met zijn tong God moeten kunnen lofzingen en met zijn handen God moeten kunnen aanbidden. Het geloof in de uiteindelijke overwinning van de overwonnen God doet de Grieken versteld staan. Voor hen was er niet meer dan het moment zelf, hun goden hadden overwonnen, zij waren de baas. Maar nu waren er een aantal broers hen de baas. Nu ze werden gedood konden ze nooit meer onderworpen worden. Door zich zo duidelijk buiten de aanwezige werkelijkheid te stellen werden ze onaantastbaar. En dat is precies de houding die nodig is om de zorg voor de armen vol te houden ook in moeilijke tijden, ook in tijden waarin de aandacht lijkt uit te gaan naar tegenslag die niet leidt tot de dood, maar toch vervelend is. De economische crisis is nagenoeg bedwongen, maar de voedselcrisis was al van daarvoor en woedt nog in alle hevigheid na. Wie strijdt voor de oplossing van de voedselcrisis vindt bijna geen gehoor en wordt vreemd aangekeken. Toch zullen we bezig moeten blijven de hongerigen op deze wereld te voeden. Ook vandaag.

Over zijn dienaren zal hij zich ontfermen

dinsdag, 17 november, 2009

2 Makkabeeën 7:1-6

We gaan weer verder lezen in het boek dat niet in de Bijbel staat. Een tijdje geleden is al uitgelegd hoe dat komt, maar dit gedeelte staat nu eenmaal op het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap dat we hier volgen. We hadden al vastgesteld dat het boek 2 Makkabeeën een aantal uiterst wrede verhalen vertelt. Het zijn verhalen die door de geschiedenis heen overal in de wereld over mensen verteld kunnen worden. Wie Auswitz bezoekt, of het Anne Frankhuis, wie de afstammelingen van slaven hoort als de afschaffing van de slavernij wordt herdacht, wie zich verdiept in de Hervorming en de bevrijding van ons land van de Spaanse tyranie, komt telkens weer het zelfde soort verhalen tegen als die hier in het boek 2 Makkabeeën worden verteld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de vroege Christengemeente die boek zeer populair was. Christenen werden met enige regelmaat vervolgd, kregen de schuld van rampen en ongelukken, en moesten hun geloof soms bekopen met de dood in bloedige spelen ter vermaak van het volk. In dit verhaal wordt de dood niet gezocht. Het enige dat men vraagt is aan de traditie van voorouders te mogen vasthouden. De vraag bij welk volk men wil behoren wordt beantwoord met : bij het volk van mijn voorouders. Die gewoonten hinderen geen anderen. Als de Heidenen varkensvlees willen eten moeten ze dat vooral doen. De Joden doen het niet, nog niet tot op de dag van vandaag, net zo min als de Moslims dat doen. In onze dagen koken we geen vreemdelingen als ze niet willen inburgeren. Maar als je sommige politici hoort dan scheelt het niet zo heel veel. Dan is het niet verwonderlijk dat sommige vreemdelingen bang zijn dat het daar op uit zal lopen in ons land. In de geschiedenis, ook in hun eigen geschiedenis, is het er immers altijd op uitgelopen. Op elk continent zijn mensen gedood omdat ze zich niet wilden aanpassen aan de gewoonten van de sterksten, ook al hoorden ze bij de zwaksten. En dat volhouden is soms ook nodig voor Christenen in onze tijd. Geloof in een God wordt belachelijk gemaakt. Het idee dat er een levensregel is waardoor onze samenleving zou kunnen veranderen in een ideale samenleving en dat er zo een einde aan de geschiedenis zou kunnen komen wordt als belachelijk afgedaan. Toch winnen Christenen iedere keer weer sympatie en gehoor als ze werkelijk onder moeilijke omstandigheden vasthouden aan de Wet van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf. Of het nu gaat om Majoor Bosshart op de Wallen, Bischop Tutu in Zuid Afrika, Bisschop Romero in Zuid-Amerika, de vrijwilligers in de asielzoekerscentra, de idealisten die de Fair Trade winkels open houden, de moeders van Dorcas die kleding blijven verzamelen en versturen naar de armsten in Europa, de vrijwilligers in de Exodus huizen, of al die anderen die in volstrekte anonimiteit zich dag in dag uit inzetten voor de armsten en de zwaksten in onze samenleving, hun werk, hun inzet, wordt herkent als werk dat boven het gewone menselijke streven uitgaat. Het is werk dat soms jaloers maakt. Het is werk waar velen van zeggen dat het niet te doen is. Maar het is werk waar gelovigen van weten dat ze daarvoor juist kracht krijgen, zoals de martelaren uit het verhaal van de Makkabeeën kracht kregen om de martelingen te doorstaan. Dat moet ons vandaag moed geven er opnieuw mee te beginnen.

Want gerechtigheid zijn al uw geboden

maandag, 16 november, 2009

Psalm 119:169-176

We hebben hier maar een citaat uit de Naardense Bijbel boven gezet. Dat geeft iets nauwkeuriger weer wat er in het Hebreeuws bedoelt wordt als de Nieuwe Bijbelvertaling zegt “want al Uw geboden zijn rechtvaardig”. Gerechtigheid gaat in de Bijbel namelijk niet over gelijk of ongelijk. Als er bij ons recht wordt gesproken dan geeft de rechter de eiser of de gedaagde gelijk en doet zo recht. In de Bijbel gaat het er om mensen tot hun recht te laten komen. Hoe kun je van mensen houden? Als ze het goede brengen en al het goede komt van God. Daarom die hartenkreet in het begin van het gedeelte van vandaag. Want om van mensen te kunnen houden moet je ze zien zoals ze zijn bedoeld, dat vraagt om inzicht, bevrijd van vooroordelen en angst voor het onbekende. Ook het “vreest niet” uit de Bijbel hoort bij de geboden. Waarom zouden we bang zijn voor andere gewoonten, culturen en manieren van geloof? Het onderwijs in de Wet van de God van Israël bevrijdt ons er van en zet ons in beweging naar een samenleving waar voor iedereen een plaats is. Dat maakt dat we lofzingen, mooier is er immers niet. Dat brengt de gerechtigheid, want het laat elk mens tot zijn en haar recht komen, elk mens heeft een aandeel in die samenleving waarin God de enige Heer is. Een samenleving waar dus de Wet van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf tot Wet, norm en maat is geworden. Die samenleving is er nog lang niet. Integendeel, de wereld is nog vol armen, vol van mensen voor wie geen plaats is. In onze samenleving zetten we een groot deel van de mensen ouder dan 50 jaar aan de kant en gunnen we ze geen plek meer op de arbeidsmarkt. In de wereld schrijven we hele volken af en laten we ze sterven door honger en geweld. Aan dat geweld kunnen we tenminste zelf nog wat verdienen door de wapenhandel. Wil de Wet van de God van Israël tot maat worden voor ons handelen dan zal er nog veel moeten gebeuren. Daarom roept de Psalmist ook vandaag om de hulp van die God, daarom spreekt hij zijn verlangen uit naar de redding uit al de ellende die ons omringt. Want waar moet je beginnen? In je eigen stad? Waar buurten verloederen omdat er mensen wonen die uit een ander land gekomen zijn en een andere manier van geloven hebben? In je eigen land waar ze jongeren opsluiten in gevangenissen omdat niemand meer weet wat met ze aan te vangen en er te weinig plaatsen zijn waar deskundigen ze kunnen opvoeden tot burgers die hun plaats verdienen in onze samenleving? In Europa, waar boeren subsidie krijgen om arme boeren in arme landen van de wereldmarkt weg te concureren zodat er meer honger in de wereld blijft bestaan dan nodig is? In de wereld, waar de verenigde naties samen niet in staat zijn de wapenhandel een halt toe te roepen, samen te zorgen voor een gezond klimaat ook voor onze kinderen en kleinkinderen en waar geweld en onderdrukking van mensen altijd achteraf wordt veroordeeld en nauwelijks kan worden voorkomen? De Bijbel, God zelf, roept ons op te beginnen bij onszelf, door zelf te houden van de minsten rondom ons, door zelf de armsten te zien en hen de hand te reiken, maken we een begin. En dat begin mogen we elke dag weer opnieuw maken, ook vandaag.

Meer genotsvrienden dan Godsvrienden

zondag, 15 november, 2009

2 Timoteüs 3:1-9

Leuk om op een vroege zondagmorgen zo’n stuk uit een brief van Paulus te mogen lezen. Al die gelovigen doen wel vroom, verbieden iedereen van alles, maar ondertussen doen ze zelf alles wat God verboden heeft. Daar gaat het gedeelte dat we vandaag lezen eigenlijk niet over maar op het eerste gezicht krijg je wel die indruk. Want waar gaat het dan wel over? Het gaat over menselijk gedrag dat zeker tot ellende en soms zelfs tot de dood leidt. Wie kent de mensen niet die zelfzuchtig zijn, geldzuchtig, praalziek, hoogmoeding, lasterlijk? Hadden we aan die mensen niet de financiële crisis te danken? Werden die mensen in het bedrijfsleven niet de exorbitante zelfverrijkers genoemd? En dan die mensen die aan hun ouders ongehoorzaam zijn, ondankbaar, onheilig, ongevoelig, onverzoenlijk, tweespalt-zaaiend, ongeheerst, onhandelbaar. Komen jongeren niet in gedachte die jeugdbendes vormen en hele buurten kunnen terroriseren? Jongeren waar ouders geen greep meer op hebben maar waar ook scholen en overheden geen raad en geen weg meer mee weten. Kortom we hebben volgens Paulus te maken met een ik maatschappij waar mensen meer genotsvrienden dan Godsvrienden zijn. Maar pas op. Paulus heeft het niet alleen over de anderen, over die mensen die dingen doen die ons vrome lieden niet welgevallig zijn. Het gaat ook, en in de eerste plaats, over mensen met een schijn van vroomheid. Het gaat ook over voorgangers die wel doen of ze het woord van God prediken maar ondertussen misbruik maken van vrouwelijke gemeenteleden, of nog erger van kinderen. Hier worden Jannes en Jambres genoemd die Mozes zouden hebben weerstaan. In de Bijbel zoeken we tevergeefs naar deze namen. Wie Grieks heeft gestudeerd kent ze wellicht uit de werken van Plinius. In de tijd dat Paulus deze brief schreef waren het zeer bekende namen. Ze waren gegeven aan de Egyptische tovenaars die de wonderen imiteerden die Mozes voor de Farao deed als bewijs dat hij werkelijk door God was gezonden. Dat soort namaak voorgangers kwam in de dagen Paulus en Timoteüs kennelijk veelvuldig voor. Het is het soort voorgangers dat ook wij kunnen tegenkomen en waarvoor we gewaarschuwd worden. Niet de mooie verhalen die voorgangers kunnen vertellen maken hen dienaren van het Goddelijke Woord. Wel de daden, hun zoeken samen met de gemeente gestalte te geven aan het Koninkrijk van God, de vruchten van hun werk waardoor er zorg voor de armen ontstaat, aandacht voor de minsten, gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Die leer van het vormen van een gemeenschap waar het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf de maat en de norm is opdat het zich verspreid over de hele aarde kenmerkt zich door het gedrag in de samenleving, de liefde voor de minsten en de volharding er van ook in tijden dat het ingaat tegen de hersende maatschappelijke mode. Daar mogen we dus op deze zondag ook op letten als we weer voorgangers horen vertellen over hoe goed God kan zijn. Zijn zij en is hun gemeente ook op weg het goede te doen en niet dan het goede? En kunnen wij ons daarbij aansluiten? Hoe sterker die beweging wordt hoe meer de lof van God gezongen kan worden. Laten we dus beginnen die Weg te gaan vandaag.

Luister niet naar zinloos en leeg gezwets

zaterdag, 14 november, 2009

2 Timoteüs 2:14-26

Van begin af aan zijn er mooipraters geweest in het Christendom. Mensen die vertelden dat we de hemel al in ons bezit hadden. De opstanding van de rechtvaardigen, waar veel christenen en Joden in geloofden, was volgens hen al gekomen, geestelijk. Wat de gevolgen waren laat zich raden. Paulus laat er in veel brieven geen misverstand over bestaan. Er zijn voortdurend voorgangers die de gemeente voorhouden dat zij zich aan geen enkele wet meer hoeven te houden want ze zijn immers al verlost, ze zijn immers al opgestaan uit de dood net als Christus was opgestaan uit de dood. Nu heeft het geen zin twistgesprekken aan te gaan met dit soort voorgangers, het leidt maar tot ruzie en ze zijn meesters in het woordenspel, de woorden zo draaien en uitleggen dat het lijkt of ze altijd gelijk hebben. De waarheid komt altijd vanzelf boven. In de gemeente van Jezus van Nazareth, de gemeente zoals Paulus ze gesticht heeft, is de een niet meer dan de ander en ben je samen broeders en zusters in de Heer. Wie beweert al opgestaan te zijn of wie beweert meer te mogen dan een ander op grond van zijn of haar geloof valt dus door de mand, die kan niet de waarheid spreken. Maar hoe zit het dan met die vergelijking van zilveren voorwerpen en houten voorwerpen. Als je goed leest zegt Paulus dat die voorwerpen in de gemeente van Jezus van Nazareth evenveel waarde hebben. De waarde in geld is niet de vraag maar of ze geheiligd zijn, of ze in dienst staan van de boodschap van Jezus van Nazareth. Als dat zo is dan is elk voorwerp in staat vele diensten te verlenen. Iedereen heeft dus de mogelijkheid van de naaste houden als van zichzelf en pas als iemand dat doet dan kun je zien wat de waarheid is. Mensen die streven naar rechtvaardigheid, geloof, liefde en vrede horen er bij. En denk er om dit is niet een willekeurig rijtje waar je uit kunt kiezen, ze horen bij elkaar en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Paulus adviseert zijn knecht Timoteüs hier de begeerten van de jeugd te mijden. Nu weten we uit het boek Handelingen dat Timoteüs al op jonge leeftijd met Paulus mee ging om hem te helpen en om als zijn gezant en postbode op te treden. Paulus maakt hier dus kennelijk een grapje met een serieuze ondertoon. Want zoals vele jongeren zal ook Timoteüs wel eens de eerste viool hebben willen spelen door gemeenten te vertellen waar het op staat. Al dat geruzie, al die valse predikers die met de mooiste verhalen over kristallen hemelen die je kapot moest geloven om de brandende vlam van God in jezelf te bevrijden en zich te laten verenigen met de enige God. Het leidt maar af van de zwakken in de samenleving, de hongerigen, de bedelaars in de straat, de kinderen zonder ouders en verzorgers. Maar Timoteüs moet leren zijn woede te temperen en de gemeente mee te nemen naar het leven als volgelingen van Jezus van Nazareth door ze het voor te leven en ze te vertellen van al die mensen die langs de weg zittend ineens de aandacht kregen van Jezus van Nazareth zelf en konden opstaan en lopen of zien of horen. Daar moet de gemeente zich mee bezig houden, daar moeten wij ons dus mee bezig willen houden, ook vandaag weer.

Als wij met hem gestorven zijn

vrijdag, 13 november, 2009

2 Timoteüs 2:1-13

Moeten we zelfmoord plegen om met Jezus van Nazareth te kunnen leven? Een idiote vraag natuurlijk. Alleen in sommige zeer gesloten sectes wordt de Bijbel soms op deze vreemde manier gelezen. Met alle verschrikkelijke gevolgen van dien. Waar het wel om gaat is dat we onze gebruikelijke manier van leven opgeven. Niet langer is onze carrière belangrijk, niet langer telt de hoogte van ons inkomen of de omvang van onze pensioenvoorziening. Niet het Zwitser leven is onze maatstaf maar het leven van Jezus van Nazareth. Volgens Paulus moeten we ons dat voorstellen inclusief de kruisdood van Jezus van Nazareth. Pas als we die onderdeel maken van ons leven zullen we leven met Jezus van Nazareth. Paulus wijst er op dat het hem een aantal keren gevangenschap heeft opgeleverd. De boodschap dat de Romeinen er niet in geslaagd waren Jezus van Nazareth dood te maken maar dat hij na drie dagen voort bleek te leven en inmiddels bij zijn God is maakte hen steeds zeer kwaad. Die boodschap taste de kern van de samenleving aan. De Keizer van Rome was immers de God die over de wereld heerste, niet de God van de Joden, die heerste alleen over de rare volkje in Palestina. Maar juist vanwege die boodschap van Paulus zijn onze ogen gericht op de minsten op de aarde, op de slaven, de zwakken, de zieken, de gevangenen. En het is niet eenvoudig dat vol te houden in een wereld die op tegengestelde doelen is gericht. Het is in de eerste plaats niet de bedoeling de boodschap zelf door te geven aan mensen die niet geschikt zijn om anderen de boodschap te onderwijzen. Mensen moeten je de ruimte geven om je verhaal te vertellen en bereid zijn er naar te luisteren. Zomaar in het openbaar over dit rare verhaal te gaan vertellen heeft geen zin. Bij het volhouden van het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf kun je volgens Paulus beter denken aan de regels die bij besloten gemeenschappen gelden. Hij wijst op de regels in het leger waar de gehoorzaamheid de ziel van de krijgsdienst is, op de atlethiek waar, net als bij alle sporten, de spelregels alles bepalend zijn en op de landbouw waar de boer die verbouwd heeft in elk geval zelf mag meeëten van de oogst en zijn eigen oogst mag gebruiken voor de verbouw op de akker in het volgend jaar. Als je de regels toepast die bij het Christelijk geloof horen dan hou je het vol. De eerste regel is kennelijk die navolging van Jezus van Nazareth als Heer van de wereld. Die koninklijke gestalte, komend uit het nageslacht van Koning David, leeft als Heer van de wereld. Dat was de boodschap van Paulus en dat maakte de Romeinen zo kwaad. Die boodschap betekent voor ons dat er geen andere Heren van de wereld zijn. Alleen zij die zorgen voor de armen, voor de zwaksten, die hongerigen te eten geven, die vrede stichten, die zorgen voor gezondheidszorg voor allen en die de weduwe en de wees beschermen zijn onze bondgenoten. Zij die oproepen tot meer wapens, die weigeren de rijken mee te laten delen ten gunste van de armen, de de individuele carrière stellen boven het delen met elkaar, die groepen mensen uitsluiten uit de samenleving, horen bij de anderen die nog bekeerd moeten worden tot de Weg van Jezus van Nazareth. Want alleen die Weg voert tot een ideale samenleving, een samenleving waarin de Liefde heerst en alle tranen gedroogd zullen zijn. Laten we daar vandaag dan maar weer aan werken.

Zij vinden geen hindernis op hun weg

donderdag, 12 november, 2009

Psalm 119:161-168

Als je het gedeelte uit Psalm 119 dat we vandaag lezen moet geloven dan ontmoeten gelovigen geen problemen meer in hun leven. Wie gelooft en al enige tijd heeft geleefd weet dat dat onzin is. Gelovigen worden net zo goed ziek, verliezen geliefden, krijgen ongelukken, worden werkloos, gaan scheiden, hebben kinderen die niet willen deugen, als ongelovigen. Geloof in God, in een betere wereld waar tranen gedroogd zijn, helpt op geen enkele wijze tegen rampen en tegenspoed in het leven. Waar zijn al die optimistische uitlatingen dan voor die in dit Bijbelgedeelte worden genoemd? “Groot is de vrede voor wie Uw wet beminnen, zij vinden geen hindernis op hun weg?” Voor het antwoord moet je naar het laatste zinnetje van dit Bijbelgedeelte “al mijn wegen zijn U bekend”. In Psalm 119 wordt het Woord van God voorgesteld als een lamp. Een zaklantaarn in je hand of een mijnwerkerslamp op je hoofd. Die lamp kan in het nachtelijk duister je weg verlichten en je behoeden voor struikelen en vallen. Als je die lamp even verkeerd richt dat struikel je wel of stoot je je tegen iets waarop je je lamp niet had gericht. En de Wet van Heb-je-naaste-lief-als-jezelf die werkt als een dergelijke lamp. Die geeft licht op al de beslissingen die je moet nemen in je leven. Met die Wet zit je nooit mis, je let voortdurend op het effect dat jouw handelen heeft op anderen, vooral op de minsten. Je koopt geen kleren die in slavenarbeid zijn gemaakt en als je in een winkel staat waar dat niet wordt gegarandeerd vraag je er naar en probeer je de eigenaar van de winkel ervan te overtuigen dat hij het zijn klanten niet moet aandoen om kleren te laten dragen die wel in slavenarbeid zijn vervaardigd. Hij wil toch ook zelf geen slaaf zijn van zijn zucht naar winst en nog meer winst? Zo spreken wij vreemdelingen aan en maken ruimte voor hen om in onze samenleving samen met ons te leven en spreken wij hen aan die dat willen tegengaan, die als laffe angsthazen allen bedreigen die samen willen leven met mensen die anders geloven. Iedere keer als er in onze wereld mensen onrecht wordt gedaan staan we daar tegen op. En zo kun je met de psalmist roepen dat je leugens haat, maar de Wet van de God van Israël lief hebt. Zo kun je dagelijks zevenmaal de lof van God zingen om diens rechtvaardige voorschriften. En zeven is hier echt het getal van de volmaaktheid. Iedere keer dat je die Wet niet houdt kom je er eigenlijk ook achter hoe goed die Wet wel niet is. Als je kennis hebt gemaakt met de vreugde van de Wet, waar de Joden zelfs een eigen feest voor hebben, dan stoot je je geweldig aan jezelf als je vergeet die lamp op je weg te richten. Je stoot je er aan als je er achter komt dat een deel van je belastinggeld niet wordt gebruikt om te delen met arme boeren in landen waar honger heerst maar wordt gebruikt om rijke boeren in ons eigen Europa te beschermen en een bevoorrechte positie te geven op de wereldmarkt. Je ergert je aan jezelf omdat je onze eigen politici niet hebt gewezen op hun plicht een schild voor de armen te zijn en te delen van wat we samen hebben. Daarom geeft het volgen van de Wet van de God van Israël vrede, want het afwijken van die Wet brengt onvrede, onvrede met jezelf, onvrede met een wereld die nog steeds niet gehoorzaamd aan die Wet. Die onvrede weg te werken is ook vandaag weer onze taak, opdat we samen de lof van God kunnen zingen.

Houd vast aan het geloof en aan de liefde

woensdag, 11 november, 2009

2 Timoteüs 1:11-18

Timotheüs mag het dan moeilijk hebben op de reis die hij voor Paulus onderneemt, Paulus zelf heeft het ook niet gemakkelijk. Hij is verwikkeld in een rechtzaak en belangrijke steunpilaren als Fygelus en Hermogenes hebben zich van hem afgekeerd. Alleen Onesiforus steunt hem kennelijk nog, die was al een grote steun geweest in Efeze waar Timotheüs en Paulus samen geweest waren. Paulus beschrijft de boodschap die hij moet doorgeven, een boodschap die ook Timotheüs moet doorgeven, in juridische termen. Dat Evangelie wordt bewaard als een onderpand volgens het Romeinse recht. Het is dus niet van jezelf, het moet als uiterst kostbaar worden behandeld en je geeft het niet zomaar weg. Nu is dat laatste niet zo vreemd. In de eerste vier eeuwen na de geboorte van Jezus van Nazareth werden zijn volgelingen in het Romeinse Rijk op zeer wrede wijze vervolgd. Pas met de komst van Keizer Constantijn veranderde dat en werd het Christendom een staatsgodsdienst. Voor ons is het daarom goed dat we kennis kunnen nemen van de wereld voordat het Christendom door iedereen werd erkend. Wij leven immers in een wereld waar het Christendom verguisd en bespot wordt? Uitkomen voor het geloof in een nieuwe wereld, een wereld waar geen honger en dood meer zal zijn, wordt op allerlei manieren bespottelijk gemaakt. Werken voor die wereld, werken voor de armsten en de minsten in de wereld, wordt als doelloos en zinloos bestempeld. Het enige waar je in onze dagen kennelijk nog voor mag opkomen is je eigen posititie, je eigen carrière, je eigen inkomen, je eigen bonus en je eigen bezit. Dat je dat alles kunt delen en mag delen met de armsten in de wereld en dat daardoor de wereld beter wordt mag je niet meer uitdragen. Timotheüs en Paulus leefden in een wereld waar ze niet alleen bespot werden om hun geloof in een wereld waarin iedereen gelijk was maar ze werden er ook bedreigd en vervolgd. De op slaven gebaseerde economie van het Romeinse Rijk kon het niet hebben dat slaven als broeders en zusters werden behandeld. Het leven van een slaaf telde niet en zorgen voor je slaven ging maar ten koste van je eigen winst en je eigen genot. Ieder volk mocht wel haar eigen godsdienst hebben als ze maar de Keizers van Rome als oppergod aanvaarden en hem evenveel eer bewezen als de eigen goden. Voor Joden werd een uitzondering gemaakt, ze vormden een kleine minderheid die verder goed aangepast was aan de Romeinse samenleving. Maar voor die Christenen werd geen uitzondering gemaakt. Die ondermijnden de fundamenten van de Romeinse samenleving met hun leer van liefde en hun geloof in de komst van een andere wereld. Zij erkenden geen God buiten de God waarvan ze geen afbeelding hadden. Hun leermeester en grote voorbeeld was een ter dood veroordeelde Jood waarvan ze ook nog beweerden dat het de Romeinen niet gelukt zou zijn hem dood te krijgen, hij was opgestaan uit zijn graf. In onze dagen worden Christenen niet om hun geloof vervolgd. Pas als ze zich inzetten voor asielzoekers, ruimte scheppen voor de belijders van de Islam en bedreigers van een samenleving waarin mensen samen moeten leven aanspreken kunnen ze op geweldadige tegenstand uit de samenleving rekenen. Paulus en Timotheüs leren ons daar niet bang voor te zijn. Als we vasthouden aan dat geloof in die nieuwe wereld en aan de liefde voor God, de liefde voor de naaste als van onszelf, dan leeft wat we doen eeuwig voort, net als de boodschap die zij brachten, tot op vandaag.