Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor oktober, 2009

Zo groot was zijn woede.

dinsdag, 20 oktober, 2009

Deuteronomium 9:7-24

Dat het volk Israël zeker het beloofde land niet aan eigen verdiensten te danken had blijkt nog eens uit de opsomming die Mozes geeft in het gedeelte dat we vandaag lezen. Centraal daarbij staat het verhaal over het gouden stierkalf dat het volk maakte toen ze op Mozes wachtte die op de Berg de stenen platen met de tien geboden aan het halen was. Nu zou je toch denken dat het volk Israël nooit en te nimmer meer een gouden stierkalf zou maken voor hun godsdienst maar als je nu het boek Koningen opslaat, vooral 2 Koningen, dan kom je daar steeds de mededeling tegen dat de godsdienst van Baäl vernietigd wordt maar dat de gouden stierkalveren die werden aanbeden ongemoeid worden gelaten. Geen wonder dat de aanhangers van de God van Israël in de loop van de geschiedenis steeds kwader werden over die aanbidding en het verhaal tegen de aanbidding van stierkalveren steeds feller werd. Kennelijk hadden ook Priesters van de Tempel zich schuldig gemaakt aan de godsdienst voor de stierkalveren want hier wordt verteld dat ook Aäron, broer van Mozes en de eerste Priester, bedreigd was met de dood. In het verhaal uit Exodus 32, waarnaar hier wordt verwezen, lees je dat niet direct. Wel zou je uit de opdracht aan de Levieten om alle aanhangers van de stierkalveren uit te roeien kunnen afleiden dat ook Aäron bedoeld zou moeten zijn omdat die het beeld had gemaakt. Aäron ontsnapte echter, hij zou 40 jaar na de uittocht uit Egypte sterven. De Levieten zouden in het beloofde land een bijzondere plaats innemen. Zij kregen geen eigen grond maar moesten onderhouden worden door de overige stammen. Zij werden verdeeld over het land en moesten optreden als rechters die de Wetten van Mozes moesten uitleggen en er op toezien dat die Wetten nageleefd werden. Toen het volk uit de ballingschap in Babel terugkeerde waren het de Levieten die de Wet in haar geheel voorlazen zodat het volk weer wist waar het zich aan te houden had. En weet ons kleine Christelijke landje nu waar het zich aan te houden heeft? Natuurlijk hebben we nog nooit geleerd van onze rijkdom te delen met de allerarmsten, maar ook de godsdienst van het gouden kalf is onder ons wijd verbreid. Ook bij ons is dat wat ons winst belooft, goud en rijkdom, het allerbelangrijkst. Degene die met eigen handen een vermogen weet op te bouwen geniet bij ons het hoogste aanzien, Ook als blijkt dat het opbouwen gebeurde door mensen voor de gek te houden, ze meer voor te spiegelen dan de werkelijkheid kon opbrengen, dan nog lopen er zeer veel mensen achter de slimme vermogende aan. Zelden kijken we wat eigenlijk het effect op de armen was van dat opbouwen van grote vermogens. Nooit kijken we of de slimme vermogende wel wilde delen met de zwakken in de wereld. Wij nemen goedkope kleding voor lief ook als die in slavenarbeid door kinderen is gemaakt. Wij nemen goedkope koffie voor lief ook als de koffieboeren en de plukkers van koffiebonen nauwelijks een loon krijgen voor het verbouwen van koffieplanten. Er is bijna geen chocolade te koop waar geen slavenarbeid aan te pas is gekomen. Voor de belangrijkste grondstoffen die in mobiele telefoons worden gebruikt worden oorlogen gevoerd. Wapens kunnen vrij over de wereld verhandeld worden en in grote steden in Europa zijn met enige regelmaat wapenbeurzen waar men zich niet tegen mag verzetten. Wie een brood steelt wacht een zware straf, maar wie een land leegrooft krijgt hoge onderscheidingen en hoort tot de wereldleiders. Ook onze welvaart hebben we dus niet aan onszelf te danken maar aan de genade van God die ons blijft oproepen om zijn Weg te volgen, te delen van onze overvloed met de zwaksten en de minsten op aarde. Als we dat kunnen zal het ook onze kinderen en kleinkinderen goed en gaan en zullen ook zij in welvaart kunnen leven.

Luister, Israël!

maandag, 19 oktober, 2009

Deuteronomium 9:1-6

Opnieuw klinkt aan het begin van het gedeelte dat we vandaag lezen het dwingende “Hoor Israël”, zo wordt het vanouds tenminste vertaald. Het doet gelijk denken aan de geloofsbelijdenis van het volk Israël, “Hoor Israël, de Heer is onze God, de Heer is de enige”. Die belijdenis luidt de intocht in het beloofde land in, het oversteken van de Jordaan. Die oversteek zou een belangrijke symbolische betekenis krijgen. Van de woestijn ga je door de rivier het land binnen dat overvloeit van melk en honing. Je gaat als het ware van de dood naar het leven. Veel later zou Johannes de Doper zich hier opnieuw opstellen en het volk oproepen om nog een keer door het water heen te gaan, zich te laten dopen, om opnieuw van de dode woestijn naar het levende land te gaan. Die doop is door de Christelijke kerken overgenomen en in elke kerk kun je de plek tegenkomen waar gedoopt wordt. Dat land van leven krijg je echter niet zomaar. Er wonen meer mensen, reuzen zelfs. En in dat land van leven is het niet vanzelfsprekend dat iedereen mag meedoen, dat er gedeeld wordt van de overvloed met de armen en de zwakken. Integendeel, het is vanzelfsprekend dat ieder voor zich probeert zoveel mogelijk van die rijkdom naar zich toe te halen. Die manier van leven is echter ten dode opgeschreven, als je zo leeft dan maak je van het land van leven een woestijn van dood. In het verhaal van Israël laat de God van Israël dat zien door het volk al die vreemde volken die niet willen delen te laten verdrijven en hun godsdienst te vernietigen. Denk nu niet dat het volk Israël dat land van leven krijgt omdat ze beter zijn dan de rest. Integendeel, ook dat volk probeert voortdurend zoveel mogelijk voor zichzelf binnen te krijgen en vergeet de zorg voor de minsten en de zwakken, vergeet iedereen tot zijn recht te laten komen. Datzelfde geldt voor Christenen, ook zij moeten niet denken dat als ze gedoopt zijn de Weg ten einde is. Dan begint het pas, dag in dag uit mag je je opnieuw bekeren en opnieuw beginnen je naaste lief te hebben als jezelf. Maar je mag er op vertrouwen dat God uiteindelijk voor de mensen het land van leven bestemd heeft. Ooit is hij begonnen met Abraham en diens nakomelingen. Zonder het land te kennen, zonder die God te kennen, trok Abraham uit zijn eigen land en ging op weg naar het land van leven. God had het hem beloofd. De enige God die telde was de God die dat kon beloven. En van een God die dat kan beloven kun je je geen voorstelling maken, die God gaat alle verstand te boven. Maar die God is ook trouw aan wat hij is begonnen, die laat niet los wat hij ooit aanving en het begon immers met de schepping van de chaos tot mensenland, met de scheiding van dood en leven, licht en donker, hemel en aarde. Het land van leven krijg je dus niet omdat je het verdiend hebt, hoe goed je ook je best hebt gedaan, het land van leven krijgen we omdat God genadig is. Maar omdat we het land van leven krijgen kunnen we niet anders dan het met iedereen delen. Want doen we dat niet dan wordt het voor sommigen een land van dood en dan is het gelijk niet meer het land van leven. Uiteindelijk zullen daarom alle tranen gewist zijn en zal de dood niet meer zijn. In het gedeelte van vandaag wordt het begin van die Weg beschreven, de doortocht door de Jordaan, de tocht door de grensrivier tussen dood en leven. Het stof van dood laten we achter ons om het land van het leven binnen te gaan. We weten dan dat we iedereen mee moeten nemen dat land in, iedereen mee moeten laten doen, zorgen dat de zwakste ons bij kan houden, zorgen dat de hongerigen gevoed zijn, de lammen kunnen lopen en de blinden kunnen zien. Er valt dus nog een hoop werk te doen, ook vandaag.

Naar een goed land

zondag, 18 oktober, 2009

Deuteronomium 8:7-20

Als je nu zo ongeveer je hele leven in de woestijn hebt rondgesjouwd moet zo’n opsomming van het goede land toch wel een hele bijzondere betekenis hebben.  Voor ons, die leven in een rijk land, lijkt het zelfs wat overdreven met die beken, bronnen en waterstromen in de valleien en op de bergen. Maar voor volken die in de woestijn leven is een overvloed aan water het eerste vereiste voor rijkdom, voor tarwe en gerst, wijnstokken en vijgenbomen, granaatappelbomen, olijven en honing. Maar die rijkdom is gevaarlijk. IJzer en koper in de bodem zodat je wapens kunt smeden, gras in overvloed zodat het vee zal toenemen, je kunt het zelfs verkopen zodat je een hoeveelheid goud en zilver kan verzamelen en mooie huizen kunt bouwen. Want je vergeet zo gemakkelijk dat je ooit een volk van slaven was dat echt bevrijd moest worden, want zelf kon je het niet. Je vergeet zo gemakkelijk dat je door de woestijn bent getrokken waar iedereen aangewezen was op de ander. Als het je zelf goed gaat en je rijkdom steeds toeneemt kun je je bijna niet meer voorstellen dat een ander tegenslagen heeft, misoogsten tegenkomt, ziekte en verkeerde beslissingen kent, waardoor de rijkdom van die ander afneemt in plaats van toeneemt. Het leven zelf kan een dorre woestijn lijken dat niets te bieden heeft. Dan ben je eens te meer aangewezen op de saamhorigheid van anderen. Dan kom je pas tot je recht als anderen je tot je recht laten komen. En alleen als iedereen beseft dat die rijkdom niet door eigen verdienste is gekomen, maar van God afkomstig is, is er de kans dat net als toen in de woestijn mensen bereid zijn alles met elkaar te delen, desnoods zichzelf. Ook in onze dagen zien we de uitwassen van wat er kan gebeuren als mensen de voorspoed waarin ze leven aan zichzelf toeschrijven. Bankdirecteuren die vergeten dat hun banken alleen bloeien als de gebouwen schoon gehouden worden, als de telefoon op tijd wordt opgenomen, als de beveiliging bewaakt, als de software loopt en de computers functioneren. Daar hebben ze mensen voor aan laten nemen door afdelingen personeelszaken. Daar zijn mensen voor opgeleid door bekwame scholers. En al die mensen die gewerkt hebben voor die bankdirecteuren doen dat niet alleen om het geld dat hen als loon in het vooruitzicht is gesteld maar omdat ze van dat werk houden, omdat ze er een eer in stellen dat werk goed te doen en met zoveel mogelijk resultaat. Geen bankdirecteur kan zijn personeel verleiden om zich maximaal in te zetten zonder bereid te zijn zijn eigen beloning te delen. Wie doet alsof de winst van een bedrijf alleen aan de directie of de leiding te danken is maakt een grote vergissing en heeft geen oog voor de zwaksten in de wereld. In elk bedrijf zijn het de zwaksten die het succes van het bedrijf bepalen. Hun inzet levert uiteindelijk dat op wat het bedrijf aanzien geeft. Daar waar dat vergeten wordt gaat een bedrijf ten onder. Een bedrijf dat leeft van dienstverlening voor klanten, een bank bijvoorbeeld, en die klanten alleen als objecten van winst ziet, gaat ook ten onder. Op korte termijn zal er veel winst binnen lijken te komen, op de lange termijn zal blijken dat die klanten snel zijn uitgeput en bezwijken onder de last die hen is opgelegd in plaats van door de dienstverlening zo te zijn gesterkt dat ze nog meer kunnen opleveren. Daarom moet je nooit vergeten dat alles wat je inzet en ijver oplevert ook door een ander is voortgebracht. Niets heb je alleen en is alleen door je eigen verdienste verworven. Natuurlijk mag je blij en trots zijn op wat je zelf aan aandeel hebt maar je kunt pas echt blij zijn als je weet te delen met hen die  het niet voor elkaar gekregen hebben. Dat is de Weg van de God van Israël die onze God ook in een land van overvloed van ons vraagt om te gaan, dat is de Weg naar een ideale samenleving, elke andere weg loopt dood.

Een mens leeft niet van brood alleen.

zaterdag, 17 oktober, 2009

Deuteronomium 8:1-6

…..maar van alles wat de mond van de Heer voortbrengt, staat er in het stuk dat we vandaag lezen. Maar wat brengt de mond van de Heer dan wel voort. Heel vaak wordt er dan gezegd dat het iets geestelijks is. Iets dat je nauwelijks onder woorden kan brengen en dat je zeker niet kunt vastpakken. Zoiets als de wind, of het vuur dat geen vorm heeft. Maar als je kijkt waar dit gedeelte over gaat dan wordt het toch een heel stuk tastbaarder. Dit gedeelte gaat over de geboden die God heeft gegeven. Die geboden laten zich samenvatten in het heb Uw naaste Lief als Uzelf. Pas als je onvoorwaardelijk op elkaar weet te bouwen dan kun je de woestijn overleven. Dat bleek al bij het manna dat het volk in de woestijn vond. Als Mozes niet geweten had wat het was en dat je het zou kunnen eten dan zou het volk verhongerd zijn. Maar vertrouwen op iemand als Mozes lag niet voor de hand. Telkens was het volk tegen zijn leiding in opstand gekomen. Telkens ook had het het voortbestaan van het volk in gevaar gebracht. Vaak waren er doden bij gevallen. Toch, na 40 jaar, op de grens van het beloofde land zijn de lessen van de woestijn duidelijk geworden. Pas als je als volk onvoorwaardelijk op elkaar kunt bouwen, alles voor elkaar over hebt en de kennis en vaardigheden van elk lid van het volk respecteert, waardeert en benut dan kun je zo’n tijd in de woestijn overleven. Dan raken je kleren niet versleten omdat er mensen zijn die weten hoe je kleren kunt maken van wol en andere dierenhuiden, dan zwellen je voeten niet op omdat er nooit verder gelopen wordt dan de zwakste leden van het volk aankunnen. Dat is de geest van de God van Israël waarin alles gedaan wordt. Laat elk mens tot zijn en haar recht komen, zorg voor de zwaksten en de minsten, de weduwe en de wees. Dat maakt het volk Israël tot een voorbeeld, tot een licht voor alle volken. Maar nu staat het volk op de drempel van het beloofde land, het land waarheen ze 40 jaar lang op weg waren geweest. Dat land was het land overvloeiende van melk en honing. In dat land zou je verwachten dat iedereen zichzelf wel zou kunnen redden. In zo’n land is er altijd voor iedereen werk en hoeft niemand armoede te lijden. Dat hoor je ook zo vaak over ons land vertellen. Al die zorg door de samenleving maakt mensen maar afhankelijk, net zo afhankelijk als het volk Israël in de woestijn van het manna was geworden. Maar juist op de drempel van het beloofde land wordt het volk Israël nog eens de Weg van de God van Israël ingescherpt. Juist in een land dat overvloeit van melk en honing heb je de kracht nodig die er uit gaat van de Weg van de God van Israël. Als iedereen mee mag doen, als er voor iedereen gezorgd wordt, als niemand bang hoeft te zijn voor de toekomst van zichzelf of het gezin waarvoor gezorgd moet worden, dan durft iedereen ook alles op te offeren, inclusief zichzelf, als dat nodig is om het land te verdedigen. Angst zal de samenleving in het beloofde land aantasten. De neiging om alles zelf te gaan doen, om op je eentje oplossingen te vinden voor problemen wakkert de angst alleen nog maar aan. Samen leven, samen werken en samen delen is moeilijk. Bij ons is dan ook het samen delen maar achterwege gelaten want ieder voor zich geeft de sterksten de beste kansen en daar zou iedereen beter van moeten worden. Het boek Deuteronomium bestrijdt dat. Niet de sterksten bepalen de kracht van het volk maar de zwaksten. Pas als iedereen tot zijn of haar recht is gekomen is er gerechtigheid geschied. De waarschuwing van Mozes mogen wij ons daarom ook aantrekken. Zeker nu we nadenken over delen in de toekomst. Ook bij ons zijn de zwaksten de maat voor goed of slecht. Blijf dus kijken naar hen, blijf geloven in de Weg van de God van Israël en blijf op weg naar de samenleving die ons door die God in het vooruitzicht is gesteld.

Daarom volg ik ze met heel mijn hart

vrijdag, 16 oktober, 2009

Psalm 119:129-136

Dat hoor je toch niet vaak meer, dat de geboden uit de Bijbel een wonder zijn. Dat je ze met je hart moet volgen is al meer bekend. Maar waarom zou je ze een wonder noemen? Een wonder is immers iets dat je niet verwacht en dat ook niet gewoon te verklaren is. En het gevolg van het volgen van wetten en regels is immers het ontstaan van recht en orde. Daar waar wetten en regels ontbreken of niet worden nageleefd ontstaan onrecht en wanorde en de bedoeling van God bij de schepping was orde scheppen. De aarde was woest en ledig en God maakte scheiding tussen dood en leven, licht en donker, aarde en land. Daarmee en daardoor werd de chaotische wereld een wereld waarin mensen konden leven, chaos werd geschapen tot mensenland. Wat is dan het wonder waar in deze psalm over wordt gezongen? Het wonder is dat de geboden van God niet tot verstarring leiden maar tot beweging. Onze menselijke wetten staan in grote dikke wetboeken die voor eenvoudige mensen niet te lezen zijn. Naast die wetboeken zijn er nog dikkere commentaren op de wetten en nog dikkere en grotere verzamelingen uitspraken van rechters die de jurisprudentie vormen. Je kunt in het leven geen stap meer zetten en geen hap meer doorslikken zonder met een wet te maken te hebben. De wetten van God zijn een verademing. Geen dikke boeken met wetten die we niet meer snappen. De tien kernwoorden snappen we zo goed dat bijna iedereen daar wel een aantal van uit het hoofd kent, niet moorden, niet stelen en niet bedriegen zijn bijna wetten die onze menselijke wetten vooraf gaan. Maar het allereenvoudigste te snappen is de samenvatting van de Wet, heb Uw naaste lief als Uzelf. Dat is geen wet die tot verstarring leidt, dat is een wet die in beweging zet, in beweging naar een ideale samenleving, een wereld waar God zelf wil komen wonen, waar alle tranen zijn gedroogd en de dood niet meer is. Die wet zet niet alleen de enkele gelovige in beweging maar iedereen op de hele wereld, daar kan ook iedereen aan meedoen. Voor die Wet is dan ook maar één rechter nodig, God zelf. Die Wet is een licht op je levenspad, alle beslissingen laten zich toetsen aan die Wet. Komen mensen door jouw handelingen tot hun recht? Wordt er gedeeld met de armsten? Worden de zwakken beschermd? Worden de hongerigen gevoed en krijgen de vermoeiden rust? Was iedereen maar zover dat we de wereld langs die wet konden inrichten. Maar ook al is het niet zover we kunnen er elk moment weer mee beginnen. Dat mag van die God van Israël, dat heet ook in deze Psalm “genade”, als je echt die Wet wil naleven dan kun je daar elk moment opnieuw mee beginnen en als je er opnieuw mee begint dan zijn je fouten uit het verleden vergeven voor zolang je je aan die Wet houdt. Daarom moet je die Wet van de God van Israël ook echt je gangen laten sturen, dan loop je niet de kans uitgeleverd te worden aan het kwaad. Er wordt in dit gedeelte zelfs gevraagd bevrijd te worden van de onderdrukking van mensen. In onze welvaartsmaatschappij, onze vrije democratie, lopen we het risico ongevoelig te worden voor de pijn van onderdrukking. Het lijkt er immers op dat we zelf niet worden onderdrukt. Maar als we iedereen op deze wereld beschouwen als broeders en zusters, directe familie, dan is de pijn van iedereen die wordt onderdrukt ook onze pijn. Dan leren we waar en hoe de Wet van God wordt geschonden, waar dus mensen worden geschonden. Dan springen de tranen je in de ogen want de pijn van broeders en zusters leert ons dat de Wet van God niet wordt onderhouden. Daar zullen we dag en nacht voor moeten strijden, daarvoor moeten we opstaan en op Weg gaan, ook vandaag weer.

Wees dus niet bang voor hen

donderdag, 15 oktober, 2009

Deuteronomium 7:12-26

Het verhaal zoals dat in het boek Deuteronomium wordt verteld is gehoord en gelezen in de eeuwen nadat het volk het beloofde land was binnengetrokken. Van begin af aan was het niet mogelijk gebleken om de Wet van de God van Israël helemaal te houden. Bij de verovering van Jericho was het nog wel gegaan maar toen Ai veroverd werd had de eerste roof al plaatsgevonden. Daarom was het niet gegaan met het volk zoals de bedoeling was geweest. Uiteindelijk was het zelfs uitgelopen op een ballingschap in Babel en de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem. Toch had het volk keer op keer dit verhaal weer opnieuw gelezen. Het zou toch kunnen dat ze door weer opnieuw te beginnen toch de belofte zouden vervullen die ze God hadden gedaan en dat God ze vergeven zou voor alles wat ze kwaad hadden gedaan. Maar moeilijk is het. Ze werden omringt door talrijke machtige volken. Die volken hadden goede oogsten en bescherming van, zoals werd gezegd, machtige goden. In Israël moesten ze maar afwachten of ze een goede oogst zouden krijgen. Als ze een goede oogst hadden gekregen dan moesten ze maar afwachten of roversbenden niet die oogst zouden komen stelen. Toch beseften ze dat die goden waarvan de beelden rond de akkers waren opgericht, waarvan de altaren op de dorsvloeren werden ingericht niet de vruchtbaarheid en de bescherming konden brengen die een mens nodig heeft. Zelfgemaakte goden stelden immers niks voor. En die roversbenden konden het ene jaar wel met succes een oogst roven, het andere jaar werden ze verslagen door een machtiger leger of door een handje vol Israëlieten. Uiteindelijk had je toch altijd het meest aan goede vrienden en die krijg je door te delen, door alles te delen wat je hebt en daarbij zeker niet de minsten, de zwaksten te vergeten. Als een heel volk het eerst let op de zwaksten dan wordt er zeker op jou gelet als het je een keer niet mee zit. Je moet daarom de tegenstanders geleidelijk verdrijven. Langzaam maar zeker moet die verkeerde godsdienst verdwijnen en moeten de mensen tot de overtuiging komen dat de Weg van de God van Israël veel meer voordeel brengt, de enige godsdienst is die eigenlijk pas echt voordeel brengt. Voordeel, niet in de vorm van individuele rijkdom of macht maar voordeel omdat niemand uit de samenleving wordt uitgesloten, voordeel omdat iedereen mag meedelen en meedoen. Daarom hoef je voor die machtige volken eigenlijk ook niet bang te zijn. Ook in onze tijd geld dat. De ongelovigen lijken de overhand te hebben. Eigenbelang staat voorop. Dienstverleners in de samenleving worden maar al te vaak als slaven behandeld, vernielingen en geweld zijn aan de orde van de dag en in sommige kringen lijken alle andere mensen wel beschouwd te worden als voorwerpen om je eigen lusten aan te kunnen bevredigen. Mensen die het opnemen voor de zwakken in de wereld, voor de hongerigen en gevangenen worden uitgelachen. Wie een rechtvaardige behandeling van vreemdelingen vraagt loopt de kans zelf uitgestoten te worden. Maar voor gelovigen is er maar één keus, je zult je naaste liefhebben als jezelf of je zult God verlaten en voor wie kennis heeft gemaakt met de God van Israël, wie door die God is gegrepen,  is het verlaten zijn van God hetzelfde als dood gaan. We moeten dus de zaak omdraaien, we zullen mensen moeten afbrengen van het geloof in eigen kracht en ze moeten brengen tot het geloof in God, in het geloof in de naaste liefhebben als zichzelf, ook vandaag weer.

U moet hun altaren slopen

woensdag, 14 oktober, 2009

Deuteronomium 7:1-11

Een harde tekst, zeker in de vertaling die we hier lezen, de Nieuwe Bijbelvertaling. In de oudere vertalingen, maar ook in de Naardense Bijbel, wordt gesproken over het verbannen van de overwonnen volken, niet over het doden. In een aantekening bij de nieuwste Willibrordusvertaling vinden we dat er eigenlijk staat dat die volken aan de “vernietiging gewijd” moeten worden en dat dat betekent dat ze aan het gewone gebruik moeten worden onttrokken. Als we ons dat bedenken bij het lezen van deze passage wordt ook de nadruk op het vernietigen van de godsdienst en het benadrukken van de eigen godsdienst van Israël duidelijk. Volken werden en worden immers gekend naar hun godsdienst. Er zijn christelijke, joodse, moslim staten en staten die nog andere godsdiensten aanhangen. Wij leven in een staat die het zonder God doet als staat, scheiding van kerk en samenleving heet dat. Het voordeel is dat gelovigen in de God van Israël en in Jezus van Nazareth onafhankelijk van wie dan ook kunnen blijven wijzen op het falen van de staat als het gaat om de zorg voor de minsten en de armsten in de wereld. Maar het volk Israël staat in dit gedeelte van de Bijbel op de drempel van een nieuw land, een land waar voor iedereen genoeg is en waar de wetten van de God van Israël de samenleving zouden moeten gaan bepalen. Vruchtbaarheid komt daarbij van de natuur en niet van de een of andere god. Welvaart is in die wetgeving hetzelfde als welzijn van iedereen die in dat land leeft en dat kan alleen als er ook met iedereen gedeeld wordt. Daarvoor is nodig dat ook de laatste spoortjes van de heidense culturen worden verwijderd uit het land. Je kunt nu eenmaal niet net doen of jij een vruchtbaarheidsgod beter dient en beter offert dan je buurman en tegelijk alles over hebben voor je naaste die juist een misoogst of een ramp is overkomen. In de zorg voor de minsten en de armen, voor de weduwen en de wees, botsen de godsdiensten, is er eigenlijk een voortdurende oorlog met andere godsdiensten. De God van Israël bevoordeeld niet de rijken boven de armen. Wie beter geloofd dan een ander krijgt niet meer maar kan meer delen. De God van Israël is altijd met de armen en zolang er armen zijn in de samenleving behoren er geen rijken te zijn die alles voor zichzelf houden. In die strijd tussen godsdiensten klinken de harde woorden uit het Bijbelgedeelte van vandaag. En dan is het even schrikken. Want in een samenleving waarin het eigendom heilig wordt verklaard en mensen met hun eigendom kunnen doen wat ze willen zonder dat eigendom in dienst van die samenleving te hoeven stellen zien we ineens een andere godsdienst opdoemen dan de godsdienst die in de Bijbel wordt voorgeschreven. Gelovigen in de Bijbel stellen immers alles wat ze hebben bijna per definitie in dienst van de ander en willen elkaar daar ook op aanspreken. Ze doen dit niet omdat het hen beter maakt, of omdat ze er zich op voor kunnen laten staan, maar omdat het nodig is in een samenleving waarin bezit ongelijk is verdeeld. Bezit hebben we om daarmee de naam van God groot te maken heette het vroeger wel. Daarmee werd bedoeld dat hoe meer mensen mee konden delen van dat bezit hoe groter de naam van God werd geprezen. Juist in de Heidense godsdiensten van Asjeerapalen en bijbehorende altaren ging het er om meer te bezitten en meer te krijgen dan de ander. Het geloof in de God van Israël staat daar diametraal tegenover, daar gaat het er om de ander recht te doen. Ook vandaag, ook in onze samenleving.

Dan zou het ons goed gaan

dinsdag, 13 oktober, 2009

Deuteronomium 6:20-25

Vandaag lezen we een stuk uit het Oude Testament dat gemakkelijk tot misverstanden kan leiden. Zoals de Nieuwe Bijbelvertaling het stuk vertaalt zou je de indruk kunnen krijgen dat er sprake is van een soort van voor wat hoort wat. Als wij nu maar die wetten houden dan krijgen we daarvoor in ruil dat het goed gaat. Maar het sleutelwoord in dit Bijbelgedeelte is het leven. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat “zou hij ons het leven sparen”, vanaf de Statenvertaling werd vertaald: “om ons in het leven te behouden”. Ook in die vertaalkeuzes wordt de indruk van een voor wat hoort wat gewekt. Als wij die geboden niet houden dan zal God ons doden. De Naardense Bijbel vertaalt het Hebreeuws wat nauwkeuriger en daar staat: “om ons te doen leven” en dat geeft de bedoeling van dit Bijbelstuk beter weer. Als onze kinderen vragen waarom we niet in de eerste plaats voor onszelf zouden moeten zorgen maar onze naaste lief moeten hebben als onszelf dan is het antwoord dat we daardoor meer gaan leven. Niet God brengt, als een soort wraak, de dood als we de geboden niet houden, maar het niet houden van de geboden is in zichzelf een dodelijke en dodende zaak. Het is als het ware zelfmoord om het anders te doen. We lezen niet voor niets over de uittocht uit de slavernij en de tocht door de woestijn. Beide situaties waren levensbedreigend. Zonder de bevrijding en zonder de Wetten die daar werden ontdekt zou er geen volk meer zijn, zou het volk zijn uitgestorven. Pas als de mensen onvoorwaardelijk op elkaar kunnen rekenen en bereid zijn alles wat ze hebben met elkaar te delen dan pas is overleven en is echt leven mogelijk. Dat alles voor elkaar over hebben en op elkaar kunnen rekenen begint niet bij de ander maar begint bij onszelf. Voor onszelf begint daarmee het echte leven. In het Nieuwe Testament heeft vooral Paulus zich heftig verzet tegen de voor wat hoort wat benadering van de Wetten van de Woestijn. Dat was een benadering van de wetten van een volk zoals die bij elk heidens volk voorkomt. Vooral de Romeinen waren heel goed in het op die manier toepassen van de wetgeving. Voor dat soort wetsopvatting zijn Christenen dood, zij kiezen de vrijheid van het leven. De vrijheid om het goede te doen en niet dan het goede. Bij God is immers niet anders dan het goede. De Wetten van God brengen daarom niet anders dan het goede. En de kern van die wetgeving is het je naaste lief hebben als jezelf. Dat brengt ook pas echt gerechtigheid voort. Geen gerechtigheid zonder aanziens des persoons, waarin het recht een blinddoek voor heeft, maar gerechtigheid die mensen tot hun recht laat komen. Er staat in dit Bijbelgedeelte dat je de geboden moet naleven voor het oog van de God van Israël, in de Naardense Bijbel wordt vertaald met voor het aanschijn van God. Over de manier waarop je de geboden nakomt moet je dus kennelijk het licht van God laten schijnen. Daarmee worden die geboden niet een dorre plicht die je de vrijheid beneemt maar het worden wegwijzers op de Weg naar de ideale samenleving, de samenleving waar geen honger en verdriet meer zal zijn, waar de dood is overwonnen en waar iedereen aan mee kan doen. Die Weg mogen we ook vandaag nog gaan.

Als u daar in overvloed leeft

maandag, 12 oktober, 2009

Deuteronomium 6:10-19

Heel het boek Deuteronomium is gecomponeerd als een toespraak van Mozes vlak voor het volk het beloofde land binnentrekt. Mozes zelf zal daar niet bij zijn maar geeft een nog een aantal laatste raadgevingen mee voor het leven in het nieuwe land. In dit gedeelte wordt nog het meest uitdrukkelijk naar voren gewezen. De overvloed waarin het volk zal gaan leven heeft het niet aan zichzelf te danken. Het was een volk van slaven, gevlucht uit Egypte en in het land gekomen na een lange, zeer lange, tocht door de woestijn. Het is een waarschuwing die wij ons ook wel eens ter harte mogen nemen. Toen vlak na de Tweede Wereldoorlog ons land in puin lag is er hard gewerkt aan de wederopbouw. Bij die wederopbouw werd ook gezorgd voor de ouderen, voor de armen ook. Zo kwam de AOW tot stand, ook de sociale wetgeving als ziektewet en WAO en als sluitstuk de Bijstandswet, nu Wet Werk en Bijstand. Die zorg werd opgebracht door mensen die weinig te besteden hadden, die te maken hadden met bestedingsbeperking, die alles wat ze hadden en wat ze kregen investeerden in de samenleving. Daarna kwam de welvaart, die in de jaren 60 van de vorige eeuw op peil gehouden moest worden door zogenaamde gastarbeiders. En nu de welvaart en de rijkdom vernieuwd moet worden, nu het delen met anderen zo hier en daar in de wereld ook vrucht afwerpt, nu lijken we te vergeten dat we die rijkdom niet aan onszelf te danken hebben maar dat we die hebben gekregen van de generaties voor ons, generaties die met vallen en opstaan, met strijd soms, de Weg probeerden te volgen van Jezus van Nazareth en zich zijn oproep om de naaste lief te hebben als zichzelf eigen probeerden te maken. Het verhaal van de geschiedenis van onze rijkdom laat zich vertellen zoals Mozes hier het verhaal van het bereiken van het beloofde land vertelt. Centraal staat de oproep van Mozes om in dat nieuwe land niet de goden van omringende volken na te lopen. Bij ons heten het geen goden van omringende volken maar economische theorieën van de geleerden van de rijken. De goden van markteconomie, de goden van winst en profijt, de goden van goud en beloften. Waarom mogen banken en financiële instellingen niet van ons allemaal zijn? Waarom mag het geld dat we samen verdienen niet geïnvesteerd worden in onze eigen economie maar moet het gebruikt worden om schulden in andere landen mogelijk te maken? Dat we de rijkdom ook nog zouden moeten willen delen met de armsten in de wereld raakt bijna geheel achter de horizon van het hedendaagse herstelbeleid. We horen nog wel over de klimaatkrisis omdat we daar direct zelf last van hebben, maar de voedselcrisis in de wereld is geen letter in een krant of een minuut op tv meer waard. Juist in een land vol rijkdom en welvaart zou de God van Israël extra centraal moeten staan, daar waar gedeeld wordt met de armsten worden ook de vijanden verjaagd, ook in onze dagen. Daarom zullen we ook vandaag de waarschuwingen van Mozes ter harte moeten nemen.

Houd de geboden steeds in gedachten

zondag, 11 oktober, 2009

Deuteronomium 6:1-9

Die Wetten van de woestijn, de tien geboden, staan dan wel op stenen platen maar daar moeten ze niet blijven. Mozes roept in het gedeelte dat we vandaag lezen het volk op om ze voortdurend in gedachten te houden. Je moet deze wetten dus ook niet aan rechters over laten. Gerechtigheid moet je zelf doen, deze wetten zijn er voor bedoeld om alle mensen recht te doen, tot hun recht te laten komen. Je moet ze daarom als een teken om je arm dragen en als een band om je hoofd, je moet ze op de deurposten van je huis schrijven en op de poorten van je stad. Uiteindelijk zal Paulus zeggen dat hij wil dat diezelfde wetten in je hart gebeiteld zullen staan. Je moet er één mee worden. En wat God lief hebben is is duidelijk want er staat in diezelfde geboden dat God liefhebben hetzelfde is als je naaste liefhebben als jezelf. Daar circelen al die wetten om heen. Dat is een regel die je zelfs je kinderen duidelijk kan maken zodat ze van jongs af aan mee doen in de beweging van de God van Israël en mee bouwen aan het land dat uiteindelijk heel de wereld zal moeten omvatten, het land overvloeiende van melk en honing, het land waarin alle mensen tot hun recht komen. Het “hoor Israël” dat we vandaag lezen, dat hier wordt vertaald met “luister Israël, de Heer onze God, de Heer is de enige” is het hart van elk Joods gebed. Het is gebed en belijdenis ineen. Het is niet eens een belijdenis dat er geen andere goden zouden kunnen bestaan. De Bijbel heeft het vaak over de God van Israël als hoofd van de raad van goden, of omringt door goden, maar voor de gelovige is er maar één echte God, de God die het volk uit de slavernij van Egypte heeft geleid. Voor Christenen de Vader van Jezus van Nazareth die uiteindelijk zelfs de dood zou overwinnen. Juist die bevrijding van dood en slavernij maakt de Weg die de geboden wijzen zo belangrijk. Ook in onze dagen kunnen we verlangen naar een samenleving waarin niet meer gemoord wordt, waarin niet meer wordt gestolen, waarin het bezit van een ander mensen niet meer in beweging brengt, waar mensen mensen mogen zijn en geen objecten voor persoonlijke lustbevrediging, waar niemand zich hoeft te schamen voor diens afkomst. Ook wij weten dat we nog lang niet in een samenleving leven waarin die geboden algemeen geldend zijn en in ieders hart gebeiteld staan. Wie om zich heen kijkt in de wereld en de hongerigen ziet, de kinderen die sterven van ellende, de zieken voor wie geen medicijnen zijn, de slachtoffers van oorlog en geweld, de geweldige hoeveelheden wapens die over de wereld reizen, weet dat een aarde waarin vrede en gerechtigheid heerst nog ver weg is. Wat dat betreft reizen we eigenlijk nog steeds door dezelfde woestijn als waar het volk Israël de Wetten kreeg. De oproep van Mozes om de Wetten voortdurend bij de hand te houden is daarom eigenlijk net zo actueel als die was toen het boek Deuteronomium werd geschreven. Daarom zullen wij de echo van Mozes moeten zijn en voortdurend roepen om naleving van deze wetten. Ook wij hongeren en dorsten immers naar gerechtigheid.