Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor oktober, 2009

Hij is geen God van doden

zaterdag, 31 oktober, 2009

Marcus 12:18-27

Die Saduceeën geloofden niet in de opstanding van de doden. Hun voorbeeld maakt het geloof in die opstanding dan ook bespottelijk. Jezus van Nazareth geeft op hun vraag eigenlijk twee antwoorden, als we al opstaan dan is dat als de engelen en verder weten het niet want God is een God van levenden. Dat leidinggevende religieuze Joden niet in een opstanding van de doden geloofde is minder raar als het lijkt. Voor ons is het geloof toch in elk geval een geloof in de opstanding van de doden, maar dat is het voor de Bijbel niet. In de oudste gedeelten van de Bijbel gaat het helemaal niet over een latere opstanding van de doden. Het lijkt er zelfs heel sterk op dat, in tegenstelling tot de Heidense volken, de Joden helemaal niet geloofden in een opstanding van de doden. In het boek Genesis wordt verteld dat God een grens stelde aan de leeftijd van de mensen, ouder dan 120 jaar zouden ze niet worden. Daar staat dan dat de adem van God, waarmee hij de mens het leven heeft gegeven, weer terug keert naar de borst van God. Een mooi beeld. Maar tijdens en na de ballingschap en vooral tijdens de bezetting door Griekse overheersers vonden veel mensen het wel erg wreed van God dat mensen het geloof in de God van Israël moesten bekopen met marteling en een vreselijke dood en dat het daarmee afgelopen zou zijn. Zo kon de God van Israël niet zijn. Als God zich zou ontfermen over zijn kinderen en het rijk zou aanbreken waarin de tranen gedroogd zouden zijn en God zelf weer zou regeren vanuit Jeruzalem dan zouden ook die rechtvaardigen daaraan deel hebben die hun leven gegeven hadden voor de God van Israël. Zo ontstond bij grote delen van het volk de overtuiging dat er een opstanding van de doden zou zijn. Ook in onze samenleving kom je die overtuiging wel tegen. Als jonge mensen sterven dan kan het toch niet afgelopen zijn? Als mensen zich inzetten tegen zinsloos geweld en daarbij zelf omkomen, of sneuvelen op een missie die vrede en veiligheid moet brengen, dan zullen ze toch deel mogen hebben aan de samenleving waar de dood niet meer zal zijn? Of er een God is weten veel mensen niet,  zeker niet hoe ze zich die God moeten voorstellen, maar dat het na de dood niet afgelopen is dat willen ze wel geloven. Van Jezus van Nazareth mag dat, al moet je daar geen voorstellingen van willen maken. Wat zeker niet moet is mensen voorhouden dat het lijden gedragen moet worden tot na de dood, dat je in dit leven niet moet opstaan tegen onrecht en geweld. Vandaag herdenken we dat Maarten Luther in 1517 een discussie wilde beginnen met mensen die van dat leven na de dood een ruilhandel wilden maken. Ze hadden bedacht dat je eerst je zonden zou moeten boeten en hoe meer geld je aan hun kerk zou geven hoe minder lang je zou moeten boeten. Om angst aan te jagen hadden ze bedacht dat boeten maar plaats te laten vinden in een eeuwig vuur, het vagevuur. Maarten Luther kwam daartegen in opstand want de Bijbel leerde iets anders. God roept mensen, hij riep Abraham, en hij vergeeft hun fouten als ze zich aan zijn wet houden, zo vergaf hij Jacob dienst leugens. En zoals Jezus van Nazareth zijn liefde door de dood heen kon dragen zal God ook zijn geliefden door de dood heen dragen. Daarom mogen we in dit leven al opstaan tegen onrecht en het lijden van medemensen, dat mogen we ook vandaag al doen, dat is kiezen voor het leven.

Spreken in gelijkenissen.

donderdag, 29 oktober, 2009

Marcus 12:1-12 
 
Soms kun je de boodschap niet vaak genoeg herhalen. We hebben dan ook vier evangeliën die de boodschap elk op een eigen manier vertellen. Maar vergelijkingen, gelijkenissen, zijn een enkele keer behulpzaam om de bedoeling van je boodschap te verduidelijken. Natuurlijk moet je daar voorzichtig mee zijn. Elke vergelijking gaat immers mank. Nooit is een analogie geheel dezelfde maar het kan genoeg duidelijk maken. Jezus van Nazareth hield er van zijn boodschap in vergelijkingen te gieten, de gelijkenissen, korte verhaaltjes die zijn boodschap duidelijk moeten maken. Dat geldt ook voor deze gelijkenis van de knechten in de wijngaard die weliswaar knechten blijven maar iedereen wijs maken dat ze de baas zijn en daartoe boodschappers van de heer van de wijngaard zelfs weten te mishandelen of te doden. De religieuze leiders van die tijd voelden zich aangesproken. Vlak voordat deze gelijkenis wordt verteld heeft die Jezus van Nazareth in het verhaal van Marcus de handelaars uit de Tempel verdreven en nu maakt hij de dienaren van de Tempel uit voor criminelen. Dat gaat toch wel een beetje ver. Zo sterk durven we het tegenwoordig bijna niet meer te brengen. Het offeren in de Tempel is door het optreden van die Jezus onmogelijk geworden. De geldwisselaars en offerdierverkopers zijn immers verdreven. Dat het offeren betekent dat je samen een maaltijd houdt, dat de dienaren van de Tempel er voor zijn om toezicht te houden op een goed verloop van die maaltijd en dat iedereen daaraan mee kan doen, dat wordt vergeten. Uiterlijk vertoon heeft de plaats ingenomen van het oude godsdienstige handelen dat gericht was op samen leven en samen delen. Wij moeten in onze dagen bijvoorbeeld politici blijven herinneren aan hun plicht namens ons te zorgen voor een rechtvaardige samenleving waarin we in vrede met elkaar kunnen leven. In dat opzicht hebben zij de plaats van de levieten ingenomen en zouden ze aan onze tafel voor een goed verloop moeten zorgen  en er voor zorgen dat iedereen kan meedoen. Als de baantjes verkocht gaan worden, als alleen de rijken beschermd worden, als ze beter voor zichzelf zorgen dan voor de zieken, gehandicapten en de armen dan wordt het ook voor ons tijd het plein voor de Tweede Kamer schoon te vegen om voor een radicale omkeer te zorgen. Voorlopig geldt in elk geval dat onze keuze bij verkiezingen  niet de enige keer moet zijn dat politici onze stem gehoord hebben. We zullen ze blijvend moeten laten horen waar de noden in de samenleving liggen, in elk geval tot de voedselbanken overbodig zijn geworden. In elk geval tot er eindelijk eerlijke handelsverhoudingen met de arme landen gekomen zijn. In elk geval tot wapenhandel een alleenrecht voor regeringen is onder controle van de Verenigde Naties. In elk geval ook tot iedereen in ons land mee kan doen met de samenleving en niet het gevaar loopt apart gezet te worden vanwege een geloof, levensovertuiging, leeftijd of sexuele voorkeur. Een wijngaard kan een ideale samenleving zijn als we maar niet denken dat we het exclusieve recht op de vruchten van de wijngaard hebben. Ook de vruchten van onze wijngaard zullen gedeeld moeten worden, ook vandaag.

We weten het niet.

woensdag, 28 oktober, 2009

Marcus 11:26-33
 
We hebben er zo’n mooi woord voor, legitimering. Zijn je daden legitiem, ofwel is er een wet of voorschrift waarop je je kunt beroepen. of nog mooier, is er een autoriteit die je een opdracht voor je gedrag heeft gegeven? De diaken uit Wijchen die terecht stond omdat ze een uit te zetten gezin had helpen inpakken beriep zich op haar ambt, ze was immers door haar kerk aangesteld om de armen te helpen en dus kon ze niet anders dan de kinderen in haar armen nemen toen die werden uitgezet met hun ouders. De rechter sprak haar dan ook vrij van de beschuldiging zich onnodig bemoeit te hebben met de uitzetting. Maar wie springt in de bres voor twee Amsterdamse meiden die uitgezet dreigen te worden naar Turkije? Ze zijn 14 en 16 jaar oud. Oud genoeg om zelf op een vliegtuig te stappen, naar een land dat ze niet kennen want 11 jaar geleden kwamen ze hier in Nederland bij hun vader wonen. In Turkije mogen ze naar de Nederlandse ambassade om te vragen of dat mag, dat wonen in Nederland bij hun vader, dat waren ze elf jaar geleden namelijk vergeten, ze hadden dat ook niet helemaal goed begrepen. Ze moeten dan wel Nederlands spreken en kennis hebben van onze Nederlandse samenleving, daar op die ambassade mogen ze examen doen. Iedereen moet de wet kennen nietwaar en dus moeten ze terug. Regels zijn regels en hier datzelfde examen doen is tegen de regels. Maar wie springt er voor hen in de bres. Nederland heeft ooit in New York een verdrag getekend dat we gezinnen niet uit elkaar halen. Deze Amsterdamse meiden wonen bij hun Nederlandse vader en Nederlandse stiefmoeder en volgens de leiding van hun school is dat een gelukkig en stabiel gezin waarin de meiden opgroeien tot nuttige burgers. Op grond van wie of wat mogen we nu kritiek hebben op de beslissing hen terug te sturen naar Turkije? Doen we dat omdat een God wil dat we op goede voet met vreemdelingen komen, of omdat onze godsdienst zegt dat je je naaste lief moet hebben als jezelf en we zelf onze dochters van 14 en 16 voor geen goud op een vliegtuig naar Turkije zouden zetten? Of doen we dat omdat we van mensen houden en omdat we bureaucratisch gedrag in dit geval uiterst wreed vinden? Eigenlijk maakt het antwoord op de vraag naar de legitimiteit van onze protesten tegen wat de Amsterdamse meiden wordt aangedaan niet uit. De vraag is verkeerd. De vraag is of we met elkaar in een samenleving willen leven waarin we elkaar dit willen aandoen. Een samenleving waar de voorhof van de Tempel een marktplaats is geworden en waar voor samen maaltijd houden geen plaats meer is. In het verhaal van Jezus van Nazareth zwijgen de vraagstellers op dit punt, maar de protesten tegen de wreedheid van een absurt beleid mogen niet tot zwijgen worden gebracht. Die protesten zijn een opdracht van ons geloof. Ons niet aflatend geloof in een samenleving waarin mensen niet apart worden gezet vanwege hun geloof of afkomst maar juist de toetssteen vormen voor de vraag of wij de Wet van de God van Israël willen volgen zoals ons voorgeleefd is door Jezus van Nazareth. Die vraag kunnen wij niet ontwijken, die moeten we elke dag beantwoorden, elke dag opnieuw.

De keuze tussen zegen en vloek

dinsdag, 27 oktober, 2009

Deuteronomium 11:22-32

Er is in ons land een “Bond tegen het vloeken” maar die gaat over heel iets anders dan waar de vloek in het gedeelte dat we vandaag lezen over gaat. Volgens dit Bijbelgedeelte is een vloek het niet houden van de geboden van de God van Israël, het is een zegen om die geboden wel te houden. Nu weten we dat het gebod van de God van Israël zich laat samenvatten als “Heb Uw naaste Lief als Uzelf”. Doe je dat niet dan vloek je dus. Een “Bond tegen het vloeken” zou dus moeten gaan over het opsluiten van onschuldige kinderen met gedragsproblemen in gevangenissen, over het tegengaan van eerwraak en vrouwenhandel, over het op straat zetten van gezinnen omdat ze hun woonlasten niet kunnen betalen, over het achterstellen van vreemdelingen, over eerlijke handelsverhoudingen met de armste landen in de wereld. Maar daar gaat die “Bond tegen het vloeken” niet over, die gaat over taalgebruik en daarmee moet je oppassen want voor je het weet vervloek je de mensen die zich niet aan de geboden van de God van Israël houden en maak je zo duidelijk dat ze niet kiezen voor zegenen maar voor vloeken. Die zegen en die vloek gaan heel het land aan. Als je in het land Israël met je gezicht naar het Oosten gaat staan, daar waar de zon opkomt, dan ligt de Gerizim aan je rechterhand en de Ebal aan je linkerhand in het midden van het land Palestina. De plaats aan je rechterhand geldt in de Bijbel als de meest voorname plaats, die aan je linkerhand als de minst voorname plaats. Het voornaamste in het land behoort dus het houden van het gebod van de God van Israël te zijn, het omgekeerde komt ook voor maar hoort een veel mindere plaats in te nemen. Die berg Gerizim ligt bij de eiken van More, misschien wel Mamre. Dat was de eerste plaats waar Abraham zich vestigde in het land Kanaän. Die berg en die zegen herinnert dus ook aan de belofte die God heeft gedaan aan Abraham om hem een groot nageslacht te geven, een machtig volk. De zegen op de berg Gerizim is dus verleden heden en toekomst tegelijk. De belofte uit het verleden, de verovering in het heden en het houden van de Wet in de toekomst. De Gerizim zou daarom ook heel lang een belangrijke plaats in blijven nemen in Israël. Het werd uiteindelijk de Tempelberg voor de Samaritanen. Die werden na de ballingschap wel niet erkend door de Joden als echte Joden maar ze hadden wel degelijk iets met de Wet van de God van Israël. Ze kenden wel niet alle boeken uit de Hebreeuwse Bijbel, ons Oude Testament, maar hielden wel vast aan de eerste vijf boeken, de Torah, de Wetten van Mozes. De Samaritaanse Bijbel speelt voor ons nog altijd een rol in de vertaling van de Hebreeuwse Bijbel in het Nederlands. Ook op de Ebal werd een altaar opgericht, maar we leren uit de boeken van verschillende kleine profeten dat daar al heel snel een afgodendienst ontstond. Geen wonder dus dat uiteindelijk die berg het symbool werd van de vloek, andere goden achterna lopen is immers het verlaten van het gebod van de God van Israël. Hebben wij dan nu nog wat met die keuze tussen zegen en vloek? Het is natuurlijk goed te weten dat beide altijd voorkomen in een land, ook in een land als het onze. We zullen dag in dag uit vele malen de keuze moeten maken tussen zegen en vloek. Lastig is het als het niet met taal te maken heeft maar met zorg voor de naaste. Mooie woorden zijn niet genoeg, te vaak wordt daarin eigenbelang verpakt en het afwenden van de zorg voor de naaste. Vervloekingen kunnen ons soms attent maken op het onrecht dat onze naaste wordt aangedaan en waar we tegen hebben op te komen. Let dus niet te veel op de woorden maar veel meer op het effect op de armsten, de zwakken in de samenleving. Dat kunnen we ook vandaag tot zegen voor ons land zijn, door te houden van onze naaste als voor onszelf.

Spreek er steeds over

maandag, 26 oktober, 2009

Deuteronomium 11:10-21

Waarover spraken zij? Over de geboden van de God van Israël. Niet over hoe goed ze wel niet geloofden, hoeveel ze hielden van die God in hun harten, nee dat vraagt de God van Israël niet. Je hoort het ook tegenwoordig wel. Onder Christenen lijkt het wel of er niks anders nodig is dan luide te roepen hoeveel je van Jezus houdt en daarbij een beetje te zwaaien met je armen. Dat is dus bijna het tegendeel van wat de Bijbel vraagt. God vraagt niet om aangeroepen te worden. God zorgt zelf zorgvuldig voor het land staat in het Bijbelgedeelte dat we vandaag lezen. Het gaat vanzelf wel regenen, daarover hoeven we ons geen zorgen te maken en daarvoor hoeven we God niet aan te roepen. Het gaat om de geboden van God. Daar moet je de hele dag over praten, die moet je je kinderen voorhouden, die moet je op je voorhoofd dragen en in een band om je arm. Je hand moet je dus laten sturen door de geboden van God. Je moet ze op de deur van je huis spijkeren. Alles wat je doet en overal waar je komt moet bepaald worden door de geboden van God. Dat is nogal fanatiek. En dat is ook precies de bedoeling. De God van Israël is namelijk niet de God van de rijken, van de geslaagden in het leven, van de mensen die het goed gaat. De God van Israël is de God van slaven, van de minsten, van zieken en zwakken, van mensen die afhankelijk zijn van de zorg en de steun van anderen. Die mensen kunnen altijd een beroep doen op de God van Israël. Die mensen kunnen er op vertrouwen dat hij altijd mensen zal sturen die zijn geboden onderhouden. Want het hart van zijn geboden is dat je van je naaste houdt als van jezelf. Al dat werk op het land, al dat vee dat je laat grazen, al die vruchten die je zal plukken van de overvloed die het land geeft, zijn er niet om er zelf rijk van te worden maar die zijn er om er van te delen met degenen die niet zo gelukkig waren al die overvloed te krijgen. En armen zijn er nog steeds, ook vandaag de dag gaan er mensen dood van de honger, in ons eigen land misschien minder dan in andere landen, maar toch. Onze manier van handeldrijven, onze economische politiek verhindert nog steeds miljoenen op aarde dat ze mee kunnen delen. Wij maken ons er vaak af met incidentele ontwikkelingshulp waarvan we achteraf smalend kunnen zeggen dat het niet helpt. Wij zijn nooit genoeg bereid om ook onze eigen positie ter discussie te stellen en de onrechtvaardige handelsverhoudingen in eerlijke handelsverhoudingen te veranderen. Fair Trade blijft een aardige winkel op een onaantrekkelijke plek in het winkelgebied. Fair Trade is niet het hart van onze handelspolitiek. Wij stellen geen maximum aan de inkomens van onze rijken zodat er geld vrij komt voor echt delen met de armsten. Wij stellen geen grenzen aan de inkomensverhoudingen in onze bedrijven zodat de bijdrage van een ieder aan het succes van een bedrijf ook gelijkwaardig beloond wordt. Wij stellen geen maat aan de exorbitante zelfverrijking die in de top van banken en bedrijfsleven voorkomt. Als er over gesproken wordt dan hoor je er schande over spreken maar er is geen enkele wet in voorbereiding, geen maatregel in ontwerp om er grenzen en maat aan te stellen. Integendeel, het nastreven van individuele rijkdom en welvaart, de bescherming van nutteloos eigendom, blijven hoofdkenmerken van onze samenleving. Daarmee is de aanbidding van de goden van goud en belofte belangrijker dan de geboden van de God van Israël. Willen we op weg blijven naar een ideale samenleving dan zullen we daar wat aan moeten willen veranderen. In elk geval zullen we er vandaag weer mee moeten willen beginnen.

Wat weten zij van de wonderen?

zondag, 25 oktober, 2009

Deuteronomium 11:1-9

Sinds de Tweede Wereldoorlog blijkt het steeds nodig om nieuwe generaties opnieuw te vertellen en te onderwijzen in wat er gebeurt is. Steeds weer neigen mensen er toe elkaar uit te sluiten op grond van afkomst of geloof. Steeds weer wordt gevraagd wat individuele burgers de samenleving kosten en wordt voor het samen leven een afweging gemaakt naar kosten en baten. De geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog leert ons wat de gevolgen kunnen zijn van een dergelijk politiek, van een dergelijke manier van redeneren. Nieuwe generaties hebben niet meegemaakt wat de voorgaande generaties meegemaakt hebben. Daar wijst Mozes ook op. Als eenmaal het land dat overvloeit van melk en honing verovert zal zijn dan zullen de slavernij in Egypte, de tocht door de woestijn en de gevolgen van het niet onvoorwaardelijk op elkaar kunnen rekenen vergeten zijn. Het gevaar is dat dan ook die geboden van God vergeten zullen worden en dat het volk stil valt en niet op weg blijft naar de ideale samenleving. Ziekte en tegenslag komen immers altijd overal voor. Pech is er voor sommigen nu eenmaal en mensen maken ook wel eens foute beslissingen waardoor ze in problemen komen. Je kunt nu eenmaal niet altijd onvoorwaardelijk voor iedereen blijven zorgen klinkt het dan. En dat was nu net wel wat God ons heeft opgedragen. Als we bezet zijn dan zullen we ons wel verzetten. Maar zolang we een democratisch gekozen regering hebben zullen we ons tegen die overheid verzetten, want iedereen mag in de eerste plaats toch voor zichzelf zorgen nietwaar. Die redeneringen strijden met de waarschuwingen die de Bijbel ook in het gedeelte dat we vandaag lezen geeft. Daarom is het goed dat er weer nieuwe televisieprogramma’s komen over de Tweede Wereldoorlog. Niet over goed en fout maar over gewone mensen en wat hen overkwam. Daarbij kun je er op letten wat er gebeurt als mensen bereid zijn ook met inzet van eigen leven voor anderen te zorgen. Wat er gebeurt als mensen niet pikken dat er in ons volk onderscheid gemaakt wordt tussen mensen op grond van geloof of afkomst. Maar we kunnen ook zien wat er gebeurt als die overtuiging wordt losgelaten. Voor de Tweede Wereldoorlog al waren er mensen die op grond van de Bijbel waarschuwden voor de overtuigingen van de nazi’s. Zij hadden gezien hoe er gerekend werd wat de kosten waren van verstandelijk gehandicapten, psychiatrische patienten en ouderen. Zij hadden gehoord hoe overheidsprogramma’s die mensen systematisch uitroeiden en hoe dokters en verplegenden daaraan meewerkten. In het zicht van de dreigende oorlog werden die programma’s gestopt. Uiteindelijk werden ze vervangen door de concentratiekampen waar joden, zigeuners, homo’s, vrijmetselaars, socialisten, communisten en andere tegenstanders van de nazi’s, of zij die als tegenstander werden aangemerkt, systematisch werden vernederd, geslagen en gedood. Wie deze grootschalige moordpartij ontkent zal ook vandaag de dag proberen een zelfde scheiding tussen burgers aan te brengen opdat de ene groep kan heersen over de andere. In het boek Deuteronomium beschouwt Mozes de ontsnapping uit de slavernij in Egypte als een bevrijding door God. Wie gelooft in de God van Israël wil ontsnappen uit de slavernij van een samenleving in doodscultuur. We leren vandaag dat we die bevrijding ook moeten doorgeven aan onze kinderen en kleinkinderen. We zijn dan wel bevrijdt van de nazi’s, maar hun opvattingen en politiek steken van tijd tot tijd nogal hinderlijk en in steeds nieuwe vormen de kop op. Die kop zullen we moeten blijven vermorzelen. Ook vandaag.

Dat u de weg volgt die hij u wijst

zaterdag, 24 oktober, 2009

Deuteronomium 10:12-22

Het is allemaal niet zo ingewikkeld. Er zijn geen kostbaar aangeklede Tempels met geheimzinnig mompelende priesters waar je voor elke gunst die je van een God wil hebben eerst een offer moet brengen. Geen klankschalen of kleurstellingen, en vooral geen offers aan de God zelf. De offers die je brengt zijn een teken dat je wil delen van wat je hebt en zijn bestemd voor de Priesters en Levieten, die moeten toch ook leven. De Levieten leggen je de wet uit zodat je de juiste keuzes kan maken. En als je de God van Israël wil volgen dan zijn er vreemdelingen en weduwen en wezen om je te helpen. Zo eenvoudig is het. Verschaf de weduwe en de wees recht, laat hen tot hun recht komen, neem ze op in je gemeenschap en zorg dat ze een volwaardige plaats krijgen. Ze zijn de armsten in de samenleving. In een samenleving waar alleen mannen een eigen inkomen hebben, waar mannen zorgen voor de bewerking van het land en de handel komen weduwen en wezen zonder inkomen te zitten. Daar zijn we dus samen verantwoordelijk voor. In onze dagen voor de ouden van dagen, voor de zieken en invaliden, voor de mensen die niet in staat zijn een eigen inkomen te verwerven. Niet alleen in ons land maar uiteindelijk in de hele bewoonde wereld. Maar in ons land moeten we de vreemdelingen met liefde behandelen. Het staat er echt. Iedereen die zich wil beroepen op de Joods Christelijke traditie van ons land, die bang is dat we overvleugeld worden door een andere godsdienst, zal zich moeten conformeren aan het gebod dat staat in het gedeelte dat we vandaag lezen, U moet de vreemdelingen met liefde behandelen. Want we zijn uiteindelijk allemaal vreemdelingen geweest of stammen af van vreemdelingen. De geschiedenis van het slavenvolk dat veertig jaar door de woestijn had gezworven nadat het in 400 jaar in Egypte tot slavernij was vervallen is natuurlijk geweldig. Er waren ooit 70 mensen naar Egypte gegaan en er kwamen enkele honderdduizenden terug. Ook onze geschiedenis wordt soms als zo geweldig voorgesteld. Ooit kwamen de Batavieren op boomstammen de Rijn afzakken en nu behoren we tot de 20 rijkste industrielanden in de wereld. Over onze samenleving hoeven we ons dan ook in het geheel niet te schamen. Natuurlijk zijn er problemen die we moeten aanpakken en oplossen. We hebben nog steeds nare gevolgen van hebzucht. We delen nog steeds onvoldoende, er zijn nog steeds voedselbanken nodig en de inkomensverschillen in allerlei bedrijven zijn onverklaarbaar groot. Er is nog steeds misdaad in ons land en jongeren worden verwaarloosd en vervallen soms onnodig tot misdaden. Maar misschien erger is dat de manier waarop wij onze landbouw hebben georganiseerd en handel drijven hongersnood veroorzaakt in arme landen. Erger is ook dat de kleding die wij dragen voor een groot deel wordt gemaakt door kinderen onder erbarmelijke omstandigheden. Erger is ook dat om hier mannelijke lusten te bevredigen arme meisjes uit minder welvarende landen gedwongen worden in onze sexindustrie te gaan werken en daar worden verhandeld, gemarteld, geslagen en vernederd. Heel het boek Deuteronomium spoort ons aan de Weg te gaan die God ons wijst. Daarvoor moeten we eerst opstaan en die Weg willen gaan. Volgens dit boek is het een Weg die voert van dood naar leven. Ook al leven wij nu in een betrekkelijke welvaart als we de Weg willen gaan van de God van Israël dan zullen ook wij moeten opstaan, opstaan tegen al dat onrecht in onze samenleving, het onrecht dat ons omringt. Ook vandaag weer opstaan dus.

Al ben ik maar klein

vrijdag, 23 oktober, 2009

Psalm 119:137-144

Sommige van die kleine zinnetjes in de Bijbel kunnen tot geweldige misverstanden leiden. “Al ben ik maar klein en niet in tel” is zo’n zinnetje. De nadruk op de kleinheid van de mens heeft er in ons land toe geleid dat we onze nek niet mogen uitsteken. Iedereen die zichzelf ergens goed in vindt of die ergens ook buitengewoon goed in is wordt minutieus nagevlooid op de kleinste onvolkomenheid. De mens is klein en moet vooral klein blijven. Maar dat staat er dus in het geheel niet, integendeel. Waar het hier om gaat is dat God groot is, zo groot dat God alle verstand te boven gaat. Hoeveel verstand een mens ook heeft, hoeveel kracht, hoeveel betekenis, God is oneindig veel groter. Daarom kun je je ook geen beeld van God maken. Maar hoe klein je ook bent in vergelijking met die geweldige God, de geboden van die God zul je nooit kunnen vergeten. Of je nu wel of niet in een God geloofd, je kent die geboden. En geboden als “je moet niet moorden” en “je moet niet stelen” en “voor een rechter niet liegen” zul je in het algemeen ook wel naleven. Sterker nog, die geboden zul je zelfs aanbevelen bij anderen en aanleren aan je kinderen. En als je niet in een God geloofd zul je zelfs proberen geen andere goden na te lopen en zeker geen beelden van goden te maken die je vervolgens gaat aanbidden. Ook dat zul je aan anderen aanbevelen en aan je kinderen aanleren. Verstandige mensen propageren zelfs dat je van andere mensen geen object moet maken om je lusten aan te bevredigen en dat het altijd hetzelfde willen hebben als een ander ook niet erg verstandig is. Verstandige mensen, gelovig of niet, zullen ook dat aan anderen aanbevelen en aan hun kinderen aanleren. En daarmee doen die verstandige ongelovigen precies wat God van hen vraagt. Nou ja, bijna precies. Want er ontbreekt nog wat. Geloof in de God van Israël heeft twee vaste begeleiders en die ontbreken meestal. De eerste is de hoop. Dat betekent het vaste vertrouwen dat de belofte van die God ook werkelijk zal uitkomen. Ondanks alle tekenen van het tegendeel is de hoop op een betere wereld, een wereld waar alle tranen gedroogd zullen zijn, waar iedereen mag meedoen en waar geen honger en ellende meer is, waar vrede heerst, een zekerheid waaraan door dik en dun wordt vastgehouden door de gelovige. God zal immers uiteindelijk op aarde komen wonen. De tweede metgezel van het geloof is de Liefde. Ook gelovigen raken die metgezel van tijd tot tijd wel eens kwijt. Liefdeloos worden dan andere mensen benaderd. Je mag gelovigen daar altijd op aanspreken want liefdeloos is voor hen hetzelfde als goddeloos. Paulus schreef ooit over geloof, hoop en liefde en citeerde een prachtig lied daarover. Hij besloot met te zeggen dat de Liefde de grootste van de drie is. Dat komt omdat werkelijk geloof in de God van Israël en in Jezus van Nazareth zich uitdrukt in de liefde voor de naaste. Zelfs al hebben mensen een heel ander geloof, een geloof dat het onze zou willen overwinnen dan mogen ze dat en hebben gelovigen in de God van Israël hen zo lief dat ze zich zullen inspannen om die anderen in de gelegenheid te stellen hun geloof tot uitdrukking te brengen en hun God te aanbidden op de manier die ze vanuit hun geloof het beste vinden. Daarin lijken vooral Christenen altijd de kleinste te willen zijn. Maar omdat ze willen opkomen voor de minsten, voor de zwaksten, zijn ze de grootste. Ze gaan namelijk steeds meer op hun God lijken die ook de minsten en de zwaksten lief heeft. Daarom geloven we ook vandaag dat de hoop op een betere wereld een zekerheid is als alle mensen hun naaste lief hebben als zichzelf, daar kunnen we zelf vandaag weer mee beginnen.

Dan kunnen ze het land binnengaan

donderdag, 22 oktober, 2009

Deuteronomium 10:1-11

Als je de verhalen achteraf leest ken je de afloop al. Dat de Levieten mochten bestaan van de dienst aan de God van Israël wisten we al. Dat ze daarom geen land hadden wisten we eigenlijk ook al. Maar dat er een tijd zat tussen het vertrek bij de Horeb en de aanstelling van de Levieten ontgaat je dan, evenals het feit dat er eerst een nieuwe hogepriester moest komen voordat Mozes de trouwste volgelingen van de God van Israël en de Wet, die hij in het hart van het volk geplaatst had, tot bewakers en verzorgers van die Wet had aangesteld. In het gedeelte dat we vandaag lezen wordt dat nog eens samengevat. In plaats van het volk te vernietigen omdat het andere goden naliep dan de God van Israël werd er in plaats van een gouden stierkalf een kist van acaciahout met twee stenen platen in het hart van het volk geplaatst. Die kist en dat wat er in lag waren geen beeld van de God van Israël maar waren een geschenk van die God en het houden van de geboden op de platen in die kist waren de wederdienst van het volk aan die God. Overigens had die God zelf die wederdienst helemaal niet nodig maar het volk wel. Door het naleven van de geboden werd het volk een beter volk, werd het volk een voorbeeld voor alle volken op de aarde. Het hart van die geboden laat zich samenvatten in het heb-Uw-naaste-Lief-als-Uzelf. Als een heel volk dat doet is er geen onrecht meer in dat volk, zijn er geen mensen die aan de kant gezet worden, is er geen bedrog en afperserij, worden er geen moorden gepleegd, is niemand jaloers op een ander, houdt niemand het bezit voor zichzelf, is er geen honger meer en wordt voor de weduwe en de wees gezorgd. Als je dus echt die kist met die Wet in het hart van een volk plaatst dan kan dat volk het beloofde land binnengaan. Als alle volken dat doen dan wordt de aarde een hemel en zal God zijn tent op deze aarde spannen. De ark heeft heel lang in de tent van de samenkomst gestaan en kwam uiteindelijk in de Tempel van Salomo terecht. Daarna is hij verloren gegaan. De wetboeken zoals wij ze uit de eerste vijf boeken van de Bijbel kennen doken later bij een restauratie van de Tempel weer op. Toen bleken ze vergeten en voerde de toenmalige Koning ze weer in. Maar ook als de stenen of de papieren verdwenen schenen waren er profeten die opstonden om het volk weer de Wet van de God van Israël voor te houden. Na de ballingschap kregen ook de Levieten weer hun bijzondere plaats in het land. Vooral hun functie van rechtspreker en onderwijzer kwam daarbij weer tot uiting. Ze lazen heel de Wet voor aan het volk zo staat in het boek Nehemia beschreven. Christenen hebben het nog wel eens moeilijk gehad met de Wet zoals die in detail beschreven staat. In het begin waren er Joden die vonden dat elk detail gehouden moest worden. Voor Heidenen maakte dat het leven bijna onmogelijk. Omdat Jezus van Nazareth zo duidelijk had geleerd dat het zou gaan om het hart van die Wet, het je naaste liefhebben als jezelf, werd dat de Wet die gold voor Christenen, en Joden dus ook. Paulus roept zelfs op om  die Wet in je hart te laten beitelen en daarmee worden alle gelovigen Levieten, dienaren van de Ark waar de Wet wordt bewaard. Als dat eens waar zou zijn dan zouden we allemaal nu al dat land binnen mogen gaan waar God zelf zal wonen. Zover is het nog niet. Er zit immers tijd tussen het begin en het einde van het verhaal. Wij staan nog maar aan het begin. In onze samenleving is nog maar weinig van die Wet van de God van Israël te merken, vraag het maar eens aan de slachtoffers van de leenbedrijven en de bank die omviel. We zullen nog heel hard en heel lang moeten werken om iets van de aanwezigheid van die Wet in onze samenleving merkbaar te maken, maar we mogen er vandaag weer mee beginnen.

Het halsstarrige, slechte en zondige gedrag van dit volk

woensdag, 21 oktober, 2009

Deuteronomium 9:25-29

Telkens als er een tijdsperiode van veertig in de Bijbel voorkomt dan duidt dat op een volledige tijdsperiode, de tijd die iets nodig heeft.Veertig dagen en veertig nachten is over het algemeen de tijd die een crisis duurt. Eigenlijk was ook de veertig jaar die het volk Israël in de woestijn had doorgebracht een crisis, ze waren immers op de vlucht en zonder land. Zo was Mozes in een crisis met God geraakt toen God had besloten het volk Israël maar te vernietigen omdat ze ondanks de bevrijding uit de slavernij een gouden stierkalf hadden verkozen boven de God die hen van de berg had toegesproken in donder en bliksem als de God die hen uit Egypte had bevrijd. Mozes vraagt God nog eens terug te denken aan Abraham, Izaak en Jacob die God hadden gevolgd zonder er verder veel van te weten en zonder een beeld van die God te hebben. Het volk dat uit Egypte was bevrijdt, daar van de dood was gered, had zich steeds halstarrig gedragen, was voortdurend in opstand gekomen en had nooit helemaal voluit vertrouwd op de God die ze naar het beloofde land zou leiden. Maar juist de Egyptenaren zouden nooit mogen zeggen dat die woestijngod van Prins Mozes de moordenaar niet machtig genoeg was om zijn volk door de woestijn naar het land te brengen dat hij hen beloofd had, niet omdat God de mensen liefhad had hij ze bevrijdt maar omdat God de mensen haatte. Zo is het dus niet. Ook vandaag de dag hoor je nog vaak de redenering waar Mozes God voor dacht te waarschuwen. God straft de mensen met de ondergang van de DSB, God straft de mensen met deze of gene natuurramp, God straft de mensen met Aids of Kanker of een combinatie van beide, God straft de mensen met.. vul zelf maar iedere denkbare ramp of onheil in. Zo is het dus niet. God bevrijdt van rampen en onheil, maar waarom gebeuren ze ons dan nog steeds? Is God niet machtig genoeg om ons er voor te behoeden? God is wel machtig genoeg maar ook wij zijn een halstarrig en slecht volk. Ook wij lopen liever de gouden stierkalveren na dan dat we onze rijkdom delen met de minsten op aarde. Ook wij gebruiken andere mensen liever als object voor onze lustbevrediging dan dat we eerlijk en trouw een gelijkwaardige relatie aangaan met een ander, een ander waarvoor we willen zorgen en waarvoor we er altijd willen zijn. Rampen van mensen ver bij ons vandaag zijn zelden voor ons rampen die onze broeders en zusters overkomen, alleen als er landgenoten bij betrokken zijn voelen we mee. Heel veel van de ellende en de rampen op de wereld kunnen we voorkomen als we bereid zijn om samen te delen, samen voor elkaar te zorgen. Heel veel van de ziekten in de wereld zouden te genezen zijn als we aan onderzoek naar medicijnen en oorzaken van ziekten net zoveel geld zouden uitgeven als aan wapens en militairen. Heel veel meer kennis zou er zijn om de aarde een betere wereld te maken als we alle mensen de kans zouden geven op een goede opleiding en het doen van wetenschappelijk onderzoek. Wij hebben onze wereld nog steeds niet ingericht als een ideale samenleving. Voortdurend moeten we opstaan en roepen om gerechtigheid, om recht te doen aan alle mensen op de wereld. Zelfs in ons eigen land laten we het toe dat de ene gelovige wordt opgezet tegen de andere, dat de ene kleding beter wordt gevonden dan de andere en dat mensen verboden dreigt te worden zich voor te doen zoals ze zijn of zoals ze willen zijn. Ook voor ons gelden de waarschuwingen van Mozes en ook voor ons moet gebeden worden zoals Mozes voor het volk Israël bad. Laten wij dan zijn woorden ter harte nemen en ook vandaag aan het werk gaan voor dat beloofde land, ook ons beloofd.