Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor september, 2009

De minste van allemaal willen zijn

zondag, 20 september, 2009

Marcus 9:30-41

Ieders dienaar willen zijn, daar draait het om bij Jezus van Nazareth. En dat is niet eenvoudig. Daar moet je voor studeren lijkt het wel. Jezus van Nazareth neemt in dit verhaal immers zijn leerlingen mee naar huis om hen te onderrichten. Eerder had Marcus ons al verteld dat Jezus van Nazareth in Kafernaüm was gaan wonen. In de verhalen die voor het verhaal van vandaag staan had Jezus van Nazareth steeds last gehad van grote mensenmenigten die genezing bij hem zochten of gewoon achter hem aan liepen om te horen wat hij te zeggen heeft. Maar aan populariteit heeft Jezus van Nazareth kennelijk een broertje dood. Verering door de massa loopt altijd uit op de dood van degene die vereerd wordt. Of die kan het niet aan of de massa raakt teleurgesteld en dood het idool of die wordt door de concurentie gedood, maar dood gaat het idool. Jezus van Nazareth is voor alles realist, hij weet dat het hem ook zo zal vergaan. Maar hij weet ook dat zoveel liefde van God niet definitief dood kan gaan. Dus als het definitief lijkt, na drie dagen, het getal van de volmaaktheid, dat komt het weer tot leven. Dan staat het op tegen de dood. Daar zijn ook die leerlingen voor. Die moeten leren zichzelf uit te schakelen. Niet zij zijn belangrijk maar de mensen die de liefde nodig hebben. Daar moet je op letten. Jezus van Nazareth wijst op de zwaksten in elke samenleving, de kinderen. Die hebben nog geen weet van goed en kwaad, die leven nog als in het paradijs. Die zijn het eerst slachtoffer van honger, oorlog en geweld. Die zijn het zwaarste slachtoffer van misbruik, van uitbuiting en gebruik door volwassenen voor persoonlijk gewin of persoonlijk genot. Wie een kind opneemt en het daarmee voor het kind opneemt, neemt Jezus van Nazareth op en neemt het daarmee voor zijn liefde op. Eigenlijk zegt Jezus van Nazareth dat wie zo doet zorgt dat hij opstaat uit de dood die het nalopen en de verering hem gebracht hadden. Daarom ook hoef je mensen die zorgen voor armen, die het opnemen voor kinderen, die pal staan voor de vrede, die het kwade uit de wereld proberen te verdrijven, niet te veroordelen als ze niet in Jezus van Nazareth geloven. Ze doen evengoed wat hij had bedoeld dat er gedaan moet worden. Je moet juist de mensen bestrijden die zeggen te geloven in Jezus van Nazareth maar het kwaad in de wereld laten voortbestaan. Mensen die niet willen delen omdat honger de verantwoording van de hongerige zou zijn, mensen die het niet opnemen voor kinderen omdat het hun kinderen niet zijn. Mensen die kinderen uitwijzen naar landen waar ze nooit zijn geweest. Die mensen moeten we bestrijden wegens onmenselijkheid. En als we dat weten te doen dan weten we dat wie niet voor de Weg van Jezus van Nazareth js, wie het niet opneemt voor zijn mensen, die is tegen hem, maar ook tegen ons.

Het zal voor jullie een rustdag zijn

zaterdag, 19 september, 2009

Leviticus 23:23-25

Gelukkig nieuwjaar. Voor velen zal dit wat merkwaardig klinken maar het is de eerste dag van de zevende maand volgens de Joodse Kalender en dan is het nieuwjaar. De Joodse Kalender is een andere dan de onze, het is een heel oude kalender en men heeft dan ook een andere jaartelling. In elk geval heeft men niet de Christelijke jaartelling, die begint rond het jaar van de geboorte van Jezus van Nazareth. De Joodse jaartelling begint op het moment dat God van de chaos een mensenwereld heeft gemaakt, een wereld waar mensen samen konden leven. Om je te herinneren dat de aarde die we bewonen een geschenk is van het goede, God zag immers dat het goed was, schallen op de eerste dag van de zevende maand de hoorns weer eens extra. Die eerste dag van de zevende maand is een rustdag, een Sabbath. Want een Sabbath is  meer dan alleen een dag van niks doen. Het is ook een zorg voor het leven dat je is toevertrouwd, want niet alleen je personeel mag niet werken, ook de dieren die voor je zorgen, de os die voor je ploegt en de ezel die je graan naar de markt brengt, mogen niet voor je werken. Die dieren kreeg je toen God van de chaos een mensenwereld maakte en op die nieuwjaarssabbath mag je dus God extra dankbaar zijn door te zorgen voor de rust van allen die aan je toevertrouwd zijn. De bazuinen klinken overigens regelmatig in de Tempel in Jeruzalem. De priesters bliezen daar op de bazuinen waarop de levietenkoren, begeleid door de citers een psalm aanhieven. Maar hier staat dat overal de hoorns moeten schallen. Niet om een leger tot een oorlog op te roepen, zoals ook wel gebeurd is, maar om een feest aan te kondigen, het feest van het nieuwe jaar. Dat nieuwe jaar van een mensenwereld, de wereld van de God van heb-uw-naaste-lief-als-jezelf, mag de hele aarde mee beleven. Iedereen zal er immers van profiteren. Dat volk Israël vierde het nieuwe jaar niet op de manier van de andere volken van de oudheid. Die vierden het nieuwe jaar voordat er gezaaid werd in het voorjaar. Daar moesten de goden tot vruchtbaarheid verleid worden. Het verhaal van Israël begint bij God die eerst de aarde tot mensenwereld riep en die aan de mensen gaf. Israël vierde het nieuwe jaar daarom in de herfst, als de oogst was opgeslagen. Dan immers kan iedereen van de aarde gaan leven. Dat was ook de betekenis van de Sabbatsrust. Daarom herinneren Christenen zich de bazuinen uit het boek van de Openbaring van Johannes. In dat visioen klinken de hoorns bij de komst van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, als God zelf weer op deze aarde komt wonen. Een gelukkig nieuwjaar wensen betekent dus in Bijbelse taal, hard werken aan die nieuwe aarde.

Zo is in vervulling gegaan..

vrijdag, 18 september, 2009

2 Koningen 9:30-37

Een smerige afloop van een smerig verhaal. De Bijbel houdt niet van keurigheid of fatsoen. De zaken waar het om gaat worden bij hun naam genoemd zonder ze mooier te maken dan ze zijn. Koningin Izebel wordt door de haremdienaren uit het raam gegooid en vertrapt door de paarden van de nieuwe koning Jehu. Haar lijk wordt vervolgens aangevreten of opgevreten door de hongerige honden van Samaria. De resten dienen als mest voor de akkers. Punt uit, het is verschrikkelijk, maar zo loopt het af met een machthebber die macht, aanzien en bezit belangrijker vindt dan de mogelijkheden tot overleven voor haar onderdanen. En, geef toe, altijd als een machthebber op een dergelijke manier aan het einde komt dan ontstaat er een soort voldaan gevoel. Niemand gaf iets om het leven van Saddam Hoessein. Als je de film over de processen in Neurenberg ziet snap je heel goed waarom er doodvonnissen werden uitgesproken en waarom die vonnissen ook werden uitgevoerd. Dat geldt ook voor het proces tegen Adolf Eichmann. Zelfs de 150 jaar gevangenisstraf tegen Bernard Madoff kan tot voldoening stemmen. We zijn wel tegen de doodstraf, vooral tegen de doodstraf voor alledaagse misdrijven als moord en roofmoord, die vaak gepleegd worden door zieke en gestoorde geesten, maar niet tegen dergelijke straffen voor de machtigsten op aarde als die willens en wetens alle geboden en verdragen negeren en duizenden of miljoenen om brengen of om laten brengen door hun politiek. Bij de tribunalen over misdaden tegen de menselijkheid in Den Haag is de doodstraf overigens als straf uitgesloten. Izebel heeft zich in de geschiedenis gemaakt tot het voorbeeld voor een slechte vrouw. Ze probeert door zich op te maken haar vrouwelijkheid tot een wapen in de strijd te maken en als dat niet lukt herinnert ze Jehu aan Zimri, die eerder een koning had vermoord en daarna zelf ook ter dood werd gebracht. Dat ze vrouw was doet hier echter niet ter zake. Achab had door geweld de dood gevonden en de zonen en schoonzonen die haar in haar overtuigingen en politiek waren gevolgd hadden ook door geweld de dood gevonden. Jehu was de laatste voltrekker van de vonnissen die aan God worden toegeschreven. Maar komen ze van God? Je kunt net zo goed zeggen dat deze machthebbers de straffen over zichzelf hebben afgeroepen. De kwaadheid die bij het voortduren van onrecht en geweld tegen zwakken oplaait kan bij mensen die de Weg van heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf zo groot worden dat geweld tegen deze onmenselijke machthebbers niet meer wordt uitgesloten. Dat was in de Tweede Wereldoorlog zo bij verzetsmensen, dat is nu nog soms zo. Het moet niet, maar soms is het onvermijdbaar. De enige weg om dit te voorkomen is te zorgen dat dit soort machthebbers niet aan de macht kunnen komen. Dat moeten we dan maar proberen.

Zo waar zal ik het u op deze akker vergelden

donderdag, 17 september, 2009

2 Koningen 9:14-29

Hoe kun  je een koningsmoord goedpraten? De Bijbel geeft er in het gedeelte dat we vandaag lezen een voorbeeld van. Jehu moord de koningen van Israël en Juda uit en geeft daarvoor als reden een voorspelling die van God afkomstig zou zijn. Mag dat? Mag je zo met de woorden van God omgaan dat die je eigen daden rechtvaardigen? Dit verhaal doet daar geen uitspraak over. De verhaal gaat over recht en gerechtigheid. Centraal daarbij staat de akker van Nabod. Die akker staat niet zomaar in het verhaal. Die akker is heilige grond. Die akker gaat terug op Jozua die het land Israël verdeelde onder de families die het land hadden ingenomen met als doel de mensen in Israël tot in eeuwigheid te verzekeren van genoeg eten om te blijven leven. Zo’n akker was die akker van Nabod ook, of ook geweest. We hebben al gelezen dat het huis van Achab veroordeeld was om wat Izebel had gedaan. Zij had vreemde goden en hun godsdienst in het land gebracht. Die godsdienst ging over vruchtbaarheid en de dienst aan de vruchtbaarheid. Rijken en machtigen waren vruchtbaarder dan armen en zwakken. Die laatsten kosten alleen maar. Dus moet je de rijken en de machtigen ter wille zijn als je arm en zwak bent, dan kun je misschien mee profiteren van die rijkdom en die macht. Dat was de godsdienst van Izebel. En in het kader van die godsdienst had ze haar man koning Achab verleidt om de akker van Nabod in bezit te nemen om er een groententuin voor eigen gebruik van te maken. Maar de akker van Nabod paste in de godsdienst van de God van Israël. Die God trok mee met de slaven uit Egypte, die God had zich verbonden aan de zwakken en de onderdrukten. Er was dus oorlog tussen de God van Israël en de godsdienst van Izebel. Toen Achab besloot om Nabod en zijn zonen om te brengen op hun eigen akker, omdat ze zich hadden verzet tegen de wensen van de Koning, leek het of de godsdienst van Izebel het had gewonnen. Maar God laat de geschiedenis altijd anders aflopen. Uiteindelijk blijken de armen en de zwakken de belangrijkste motoren van de geschiedenis te zijn. Niet de nazi’s houden de herinnering aan de holocaust levend maar de slachtoffers bepalen onze herinnering er aan en de nazi’s worden vervolgd waar ze ook opnieuw dreigen op te duiken. Zo loopt het ook af met het koningshuis van Achab. Dat sterft uit op de akker van Nabod, waarmee Nabod het verloop van de geschiedenis van Israël bepaald en niet Achab. Ook bij ons horen we nog wel eens de redenering dat rijken en machtigen er moeten zijn om de armen en de zwakken mee te laten profiteren. Volgens de Bijbel loopt dat uit op onrecht. In de Bijbel wordt uitgegaan van eerlijk delen, van je naaste liefhebben als jezelf. Aan ons om de keus te maken, voor de God van Israël door naast de zwakken en de armen te staan, of voor de godsdienst van Izebel en de machtigen en de rijken naar de mond te spreken.

Hierbij zalf ik jou tot koning van Israël

woensdag, 16 september, 2009

2 Koningen 9:1-13

Mag je eigenlijk stoken tegen de wettige regering? Volgens vele zogenaamde gelovigen niet. God heeft immers Koningen en regeringen boven ons gesteld en daar moeten we het dan maar mee doen. De Bijbel heeft daar een ander verhaal over. Zelfs bij een democratie moet je soms tegen de regering in het geweer komen. In het boek Exodus staat dat je de meerderheid in het kwade niet mag volgen. In het verhaal dat we vandaag lezen stookt de profeet Elisa tegen de wettige koning van Israël. Hij was al eerder in botsing gekomen met die koning. De voorganger van Elisa, Elia, had een aantal keren heel hard gebotst met de stichter van het koningshuis, Achab. Die Achab had immers zijn vrouw Izebel toestemming gegeven om de afgodendienst uit haar thuisland ook in Israël in te voeren en daar dezelfde status te geven als de dienst aan de God van Israël. Telkens weer hadden Elia en Elisa verkondigd dat de God van Israël de enige God was en tevens de Heer van de wereld, de enige heer. Er was zelfs een profetenschool ontstaan die Elia en Elisa steunden in de dienst van de God van Israël. Eén van de profeten uit die school kreeg nu de opdracht om te gaan stoken tegen de Koning van Israël, Koning Joram. Die was in Jizreël om te herstellen van de wonden die hij had opgelopen in de strijd. De generaal en de soldaten waren nog op het slagveld in Rama, of Ramot, bij Gilead, een van de vrijsteden in Israël. In zo’n stad kon je niet worden gearresteerd maar dat was in Israël niet meer te vertrouwen want de profeet kreeg de opdracht zich direct uit de voeten te maken als hij klaar was. Hij moest de generaal Jehu tot koning zalven. Wel zo dat niemand het zou zien. Het was aan Jehu en aan zijn leger om de keuze  wel of niet te aanvaarden. Jehu aarzelt dan ook nog even, maar als hij de boodschap doorgeeft beslist zijn leger dat hij met recht gezalfd was en riep zijn leger hem tot koning uit. Natuurlijk gebeurde dat niet zomaar. Het recht en gerechtigheid waren ver te zoeken in Israël. De dienst aan de God van Israël en daarmee de zorg voor de armsten waren zwaar verwaarloosd. Zelfs de soldaten die oorlog hadden gevoerd en de slag hadden gewonnen kregen geen zorg of aandacht, de koning zorgde alleen voor zichzelf. Tegen een dergelijke koning, tegen een dergelijke regering mag je kennelijk niet alleen in opstand komen, uit het verhaal van vandaag klinkt dat je daartegen in opstand moet komen. Dat geld dus ook voor ons. Ook wij kunnen geen regering dulden die groepen in de samenleving tegen elkaar opzet, die de zwakken verwaarloost en de armen armer maakt, die hongerigen laat verhongerigen en gevangenen zonder recht laat, die oorlog steunt en vrede verstoord. Tegen een dergelijke regering moeten ook wij in opstand komen, zelfs als die regering zogenaamd democratisch gekozen is.

En deed wat slecht is in de ogen van de HEER

dinsdag, 15 september, 2009

2 Koningen 8:16-29

Geschiedenissen van de Koningen van Juda. Het is of weer op de basisschool zitten en de graven van Holland, de stadhouders en de Koningen moeten leren. Toch is dat niet de bedoeling van het stuk dat we vandaag lezen. Natuurlijk er staat over Koningen en hun opvolgers. Maar erg nauwkeurig staat het er niet. Je moet heel erg scherp opletten om te ontdekken dat de kroonprinsen al een jaar de koninklijke waardigheid hadden voordat ze zelf koning werden. Misschien was de schrijver ook wat slordig toen hij dat opschreef. Er staat ook duidelijk dat als je echte geschiedenis wilt lezen je in een ander boek moet zijn, de kronieken van de koningen van Juda. Dat is een ander boek dan de Kronieken die in de Bijbel staan. Dat boek over die koningen van Juda is overigens verloren gegaan. Waarom staat dat gedeelte van vandaag dan wel in de Bijbel? Daarvoor moeten we weer met de ogen van de Bijbel lezen. Werd de Wet van God gevolgd of niet? Er staat over deze koningen dat ze slecht deden in de ogen van God en wel omdat ze trouwden met een prinses uit het huis van Achab. Die prinsessen waren dochters van Isebel en die koningin had uit haar land afgodendienst meegenomen. Vruchtbaarheidsgoden waren geplaatst naast en soms zelfs in de Heiligdommen van de God van Israël. In de ogen van vrome Joden was dat ongeveer het slechtste wat mensen konden doen. Maar Juda werd daarvoor niet van de kaart geveegd. Het werd immers nog geregeerd door het Huis van David en David had de dienst rond de Ark van het verbond centraal in Israël gezet. In die Ark werd de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf bewaard. Die Wet wordt in dit verhaal tegenover de praktijk van het huis van Achab geplaatst. Dat maakt dat de Edomieten in opstand kwamen. In de Bijbel zijn de Edomieten de afstammelingen van Esau, de broer van Jakob. Jakob had het eerstgeboorterecht van Esau gepikt en in dit verhaal kun je teruglezen dat die Edomieten heel lang ondergeschikt waren aan Israël. Nu de dienst aan de God van Israël ondergeschikt gemaakt is aan de dienst aan vreemde goden vervalt ook de heerschappij over andere volken. Dat geldt ook voor Libna. Een stad die misschien minder bekend is maar die was veroverd door Jozua. Het was een stad van Levieten, dienaren van de Tempel in Jeruzalem. Die Levieten hadden dus ook het idee gekregen dat ze beter zonder de koning van Juda verder konden gaan. De banden tussen Israël en Juda waren daarentegen heel goed, maar er werd heel slecht voor de zwaksten in het land gezorgd. Wat wij er van kunnen leren? Dat we op moeten blijven letten op onze regeringen, wie ons ook regeert, de zorg voor de zwaksten en de minsten in de wereld moet voorop blijven staan en niet de bescherming van de rijken en de machtigen. We zullen er de geschiedenis op moeten blijven beoordelen, zeker ook vandaag.

De koning zal sterven.

maandag, 14 september, 2009

2 Koningen 8:7-15

Zijn politici te vertrouwen? In dit verhaal worden we er voor gewaarschuwd. De koningen van Aram hadden de Israëlieten al vele malen beroofd van hun oogst en waren vaak het land binnengevallen. De profeet Elisa had hun generaal Naäman op de mogelijkheden van genezing gewezen maar had ook de legers van Aram misleid en gezorgd dat ze hun roverspraktijken moesten staken. Nu was de koning van Aram ziek en toen hij hoorde dat die beroemde profeet uit Israël in de buurt was liet hij zich de kans niet ontgaan om beterschap te kopen. Hij droeg een belangrijk hoveling, misschien wel zijn eerste minister, op om met een geschenk naar Elisa te gaan. Nu die Hazaël, zoals de Bijbel hem noemt, laat het er niet op zitten. De oosterse invloed uit Damascus spat het verhaal uit. Veertig kamelen beladen met geschenken worden naar Elisa gebracht. Nu duidt het getal veertig in de Bijbel vaak op een crisis. Meestal staat het er in dagen of jaren maar ook hier is het duidelijk dat de crisis in Aram groot is. En wie er zoveel voor over heeft om een godsman, iemand die namens een God het een en ander kan doen, voor je kar te spannen is tot veel in staat. Elisa weet dat iedereen sterft en dat je tegen een zieke altijd kan zeggen dat die beter wordt. Elisa zou rustig de kamelen mee hebben kunnen nemen, de zieke koning zou hoop hebben gekregen. Als hij beter zou worden zou Elisa alle eer krijgen en als hij dood zou gaan dan zou er een opvolger komen die zou vinden dat Elisa het slim gespeeld had. In de politiek kun je immers niemand vertrouwen. In de godsdienst van Elisa zorg je eerst voor anderen en dan pas voor jezelf. Die koning Benhadad zorgde echter altijd eerst voor zichzelf en wilde daarvoor ook Elisa gebruiken. Maar Elisa ziet dat die Hazaël niet veel beter is. Die zou zich gemakkelijk lenen voor een moord en zou vervolgens ook het land Israël willen beroven. En zo gebeurde ook. Benhadad werd vermoord en Israël zou nog vaak met Hazaël te maken krijgen. Zijn onze politici even onbetrouwbaar? Nu, ze zullen elkaar niet vermoorden. Wij moeten wel extra opletten op beloften en drogredenen. Er moet de komende jaren bezuinigd worden. Die bezuinigingen worden bij de armen neergelegd. Er zal op zorg, wonen, uitkeringen en veiligheid worden bezuinigd. Van maxima aan inkomens en bonussen zal geen sprake zijn. Dat rijken meebetalen aan de AOW en de overige uitkeringen is geen sprake. Vermindering van de speciale woonsubsidie voor rijken, de hypotheekrenteaftrek, blijft uit den boze. Of de bezuinigingen die wel worden aangekondigd echt nodig zijn valt dus zeer te betwijfelen. Op dat punt zijn onze politici net zo onbetrouwbaar als Hazaël. Aan ons om er doorheen te kijken en het te blijven opnemen voor de armsten in de wereld.

Angsten van het dodenrijk grepen mij aan

zondag, 13 september, 2009

Psalm 116

Vandaag zingen we met de kerk een danklied mee. We zingen tenminste op het eind dat we een dankoffer willen brengen. Maar waar zijn we dan wel zo dankbaar voor. We hebben immers geleerd dat geloven in de God van Israël geen verzekering is tegen rampspoed en ongeluk. Dat kan je evengoed overkomen, maar waar moet je dan dankbaar voor zijn. Deze psalm schetst dat heel nauwkeurig. Geloof in de God van Israël bevrijdt je van de angst voor de dood. Ieder mens sterft immers, daar hoef je niet bang voor te zijn. Wat er eventueel na de dood staat te gebeuren weten we niet. In het boek van de wording van de mens, in Genesis, staat dat de mens de levensadem van God heeft gekregen en dat die levensadem terugkeert naar God als de mens sterft. Dat is een hele geruststelling. Verder gaat het er in het leven om je naaste lief te hebben als jezelf en dus te werken aan een samenleving waarin alle mensen meetellen en waar van alle mensen gehouden wordt. Die liefde en die samenleving hangen niet van ons als individuele mensen af, dat werk erven we van onze voorouders die er ooit mee begonnen zijn en we mogen het doorgeven aan de kinderen en kleinkinderen die na ons komen. In die geschiedenis leven we dus eeuwig als we mee doen aan dat bouwen aan wat wel genoemd wordt het koninkrijk van God. Angst voor de dood hoeven we dus niet meer te hebben. En de bevrijding van de angst voor de dood maakt dat we kunnen leven alsof we eeuwig leven. Ondanks alle tegenslagen die we kunnen tegenkomen blijven we dag aan dag weer opnieuw werken aan dat nieuwe Koninkrijk, in de vaste overtuiging dat het komt. Ja zelfs op één en dezelfde dag kunnen we er weer duizend keer aan beginnen. Dat doen komt omdat we ook geloven dat het voor elk van ons elke dag ook afgelopen kan zijn. Er is geen tijd om de komst van het Koninkrijk uit te stellen. Wie het lijden van de mensen in de wereld beschouwt wil er zelfs geen moment mee wachten. De God van Israël is een God van ontferming en daarom ontfermen wij ons over de mensen die ontferming nodig hebben. De vluchtelingen, mensen die van haard en huis verdreven zijn, de hongerigen, de armen, de zwakken, de zieken en zij die hun naasten verloren hebben, de gevangenen, de mensen die vernederd en geknecht worden, de weduwen en de wezen. Daarvoor mogen zorgen maakt je dankbaar, dat zorgen maakt dat het leven zin krijgt, want je leeft niet langer alleen, je schenkt het leven aan hen die de dood onder ogen zagen. Daarom heffen we de beker van de bevrijding, de beker die we niet alleen drinken maar delen met ieder die dat nodig heeft, daarom brengen we een dankoffer, het brood dat we breken en delen met een ieder die honger heeft. Dat maakt dat de hele wereld de Tempel wordt waar de Wet van heb uw naaste lief als uzelf wordt gevierd. Ook vandaag.

Zeven jaar als vreemdelingen

zaterdag, 12 september, 2009

2 Koningen 8:1-6

Soms staat er in de Bijbel tussen de regels meer dan in het eigenlijke verhaal. Dat maakt de Bijbel niet moeilijker om te lezen maar wel spannender. Het verhaaltje dat we vandaag lezen is daar een voorbeeld van. Het is een verhaaltje dat er zomaar tussendoor staat. We hadden al een verhaal gelezen waarin de knecht van Elisa, Gechazi, betrapt was op het innen van zilver van Naäman, de generaal uit Aram. In het verhaal van vandaag duikt Gechazi weer op en nu als verhalen verteller over Elisa aan de Koning. Sommige geleerden denken dat de volgorde van de verhalen door de war is geraakt, maar het zou ook best kunnen dat er tussen de regels staat dat die verhalen van Gechazi niet zo heel erg betrouwbaar zijn. Verhalen over doden die tot leven gewekt worden kun je immers maar moeilijk geloven. Het verhaaltje van vandaag gaat overigens niet over het dode kind dat tot leven werd gewekt maar over honger en grond om van te leven. Toen het volk Israël uit de woestijn was gekomen en het beloofde land had veroverd had Jozua het land verdeeld onder de families. Nauwkeurig was er opgeschreven wie welk stuk land had gekregen. Van dat stuk land moest je familie altijd kunnen leven. Elke zeven jaar moest je dat stuk land rust gunnen. En als je tot armoede was vervallen en het land had moeten verkopen moest je familie het na zeven  maal zeven jaar, dus in het vijftigste jaar, weer terugkrijgen. Dat jaar heet in de Bijbel het jubeljaar. Profeten zijn op die regels altijd teruggekomen. Het was als een verzekering tegen armoede voor de zwaksten. Ook als het niet goed in je leven zou gaan kun je altijd terug vallen op het recht op een eigen akker. En daar gaat dit verhaal over. Want vanwege een hongersnood had de vrouw uit Sunem het land moeten ontvluchten. Als vreemdeling had ze moeten wonen bij de Filistijnen. Maar de wetten van God had ze kennelijk niet vergeten want toen ze terugkeerde deed ze een beroep op de koning om haar haar eigen land weer terug te geven. Dat zou de enige reden moeten zijn voor de koning om dat ook te doen. Daarmee zou hij haar immers recht hebben gedaan en haar weer een plaats gegeven hebben in de eigen samenleving van Israël. Maar er zijn soms tranentrekkende verhalen nodig om ons in beweging te brengen. Hier is het een verhaal van Gechazi dat de koning in beweging brengt. Erg is dat niet want uiteindelijk gaat het er om dat de arme recht gedaan wordt, dat mensen weer een eigen plaats krijgen in de samenleving. En daarmee is het ook een les voor ons. Misschien is de hulp die we geven overdreven, misschien drijft de televisie het leed wel over en wordt er meer gegeven als strikt noodzakelijk. Maar als we er in slagen mensen weer een plaats te geven in een samenleving waar ze meetellen en zelf een bijdrage kunnen leveren dan doen we mensen pas recht. En dan doen we recht aan  de Wet van God om je naaste lief te hebben als jezelf. Tussen de regels door gaat daar het verhaaltje over van vandaag.

Als we hier blijven zitten, sterven we ook

vrijdag, 11 september, 2009

2 Koningen 7:3-20

Rond het ontzet van Leiden in 1574 is er een vergelijkbaar verhaal van iemand die door de honger gedreven op de ochtend van de derde oktober in alle vroegte naar de Spaanse linies sluipt om daar tot de ontdekking te komen dat de Spanjolen zijn verdwenen en dat er een verse pot hutspot op het vuur klaar staat. In het verhaal dat we vandaag lezen is het nog sterker. Hier zijn het de mensen die buiten de samenleving geplaatst zijn, de lijders aan huidvraat, die besluiten hun geluk te beproeven bij de vijand. Zij zetten de angst voor de dood van zich af en dat brengt hun het leven. Niet alleen vinden ze daar voedsel maar ook goud en zilver. Toch is het niet goed om alles voor jezelf te houden en zo keren ze terug naar de stad om het goede nieuws te vertellen. Wat nu de vijanden van Israël op de vlucht heeft gedreven is niet geheel duidelijk. In Leiden was dat het opkomende water en in Alkmaar was dat een jaar eerder het slechte weer geweest. Wellicht dat ook hier een onverwachte tropische stortbui de indruk heeft gewekt dat er een heel leger met paarden en wagens in aantocht was. De koning van Israël had nog moeite genoeg om te gaan kijken omdat ze zelfs de meeste paarden hadden opgegeten, maar inderdaad de Armeeërs waren op de vlucht geslagen, ze hadden hun uitrusting en kleding langs de weg gegooid. Toen kon de hele bevolking zich aan het eten zetten en de schade inhalen. In zo’n geval daalt de prijs van het voedsel aanzienlijk. Dat had de profeet goed gezien, als de stad gered wordt dan is er een overvloed aan voedsel beschikbaar. Mensen lopen je dan gemakkelijk onder de voet. Is dat dan een mooi einde van een spannend verhaal met de gerechte straf voor de adjudant van de koning die niet geloofde wat de profeet hem had verteld? Misschien moeten we het ook als een waarschuwing zien. Er wordt nog al eens gemakkelijk gesproken over afhankelijkheid die hulp zou oproepen. Er is een voedselramp, door oorlog, aardbeving of droogte en we sturen massaal ons voedsel dat over is er heen. Mensen sterken weer aan en tot zo lang blijft het geven van voedsel een gegeven. Als we te lang wachten dan ontstaat opnieuw oorlog over het voedsel dat gebracht wordt en worden mensen onder de voet gelopen. Als we te lang blijven geven en niet zorgen voor het opnieuw op gang brengen van de landbouw dan worden mensen afhankelijk en blijven ze afhankelijk. Als we de landbouw weer op gang gebracht hebben moeten we ook zorgen voor een eerlijke markt. Concureren met gratis voedsel houdt geen enkele boer vol. De lage prijs van graan in dit verhaal over Elisa is dus niet alleen een teken van de macht van de God van Israël maar ook een waarschuwing om recht te doen aan mensen. Mensen kunnen voor zichzelf zorgen, aan ons om daar de voorwaarden voor te scheppen als mensen het tijdelijk niet meer kunnen.