Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor september, 2009

Had maar vijf of zes keer geslagen!

woensdag, 30 september, 2009

2 Koningen 13:10-21

Als je geschiedenis wil lezen, zoals die in de wetenschap van de geschiedenis wordt beschreven, dan moet je in een ander boek zijn. Daar begint dit gedeelte uit de Bijbel mee. We hebben nog wel eens de neiging de Bijbel onder het juk van de wetenschappelijke geschiedenis te laten doorgaan. Zijn er schriftelijke bronnen over de verhalen, zijn er archeologische aanknopingspunten, worden de meldingen van botsingen met anderen ook bij die andere volken teruggevonden. Voor de wetenschap terechte vragen en eisen. Maar niet voor de Bijbel. In de Bijbel staat beschreven hoe God met de mensen omgaat en hoe de mensen met God omgaan. Dat staat beschreven aan de hand van geschiedenissen waarin wij onszelf zouden moeten kunnen herkennen. En het aardige is dat de Bijbel dat ook zelf zegt. Als je dus geschiedenis wil lezen over de koningen van Israël en Juda dan moet je in andere boeken lezen, die boeken zijn niet in de Bijbel opgenomen. Het verhaal van vandaag gaat over Koning Joas van Juda, die koning werd toen hij zeven jaar was en over Elisa, de profeet die zo uitdrukkelijk de vruchtbaarheidsreligies in Israël had bestreden. Er gaat in het verhaal een koning dood die de genoemde religies had gehandhaafd, zulke koningen zijn er altijd en daar valt dus niks van te leren. Er gaat ook een profeet dood. Deze profeet geeft een les in vertrouwen. Als een koning vertrouwen in de rechtvaardigheid van zijn strijd heeft wint hij. Aram overvalt en plundert Israël en Juda met enige regelmaat. Verzet daartegen is gerechtvaardigd. Het zijn de zwaksten in de samenleving die daar het ergste en eerste slachtoffer van worden. Maar de koning maakt zich er een beetje van af. Niet de woede leidt hem bij het slaan van de pijlen maar het ritueel opvolgen van de bevelen van de profeet. Winnen zal hij wel, hij is er genoeg van overtuigd, maar overwinnen van het kwade is er niet bij. Daarvoor zou hij meer in zichzelf hebben moeten geloven. Van die koning Joas is eerder al gemeld dat hij de Tempel in Jeruzalem had gezuiverd. Maar de plunderaars wist hij niet krachtig genoeg te bestrijden. Hij werd dan ook uiteindelijk vermoord door zijn hovelingen. Als de profeet dood gaat is daarmee zijn kracht nog niet verdwenen. Volgens het verhaal komt er zelfs een dode weer tot leven. Wat wij er dan van kunnen leren? We kunnen de bestrijding van kwade hebzucht niet aan machthebbers en regeerders overlaten. Ze zijn er zelf mee besmet. Soms zijn er die de kwade hebzucht ook zelf wel willen bestrijden. Maar denk nooit dat ze er krachtig genoeg tegen op zullen treden. Als je zo kijkt naar maatregelen van de regeerders van onze dagen zul je het herkennen. Blijven wijzen op de kwade hebzucht is dus blijvend nodig, ook vandaag, omwille van de armen die er van te lijden hebben, omwille van het leven.

Iemand om de Israëlieten te bevrijden

dinsdag, 29 september, 2009

2 Koningen 13:1-9

Je moet even zoeken om te snappen waar het in dit verhaal om draait. Dat maakt dat je het ook niet gemakkelijk meer vergeet. Maar de zonde van Jerobeam was de aanbidding van twee gouden stierkalveren. Daar kwam nog bij dat er in Samaria, de hoofdstad, zelfs een zogenaamde Asjera paal werd opgericht. Die stierkalveren waren om vruchtbaarheid af te smeken maar die Asjera paal zetten alle vruchtbaarheid in het hele land in het teken van deze nepgodin. De Israëlieten dansten dus weer om het gouden kalf en hadden een vruchtbaarheidsgodsdienst in plaats van de Godsdienst van de God van Israël die immers draaide om de zorg voor de minsten en de zwaksten in plaats van de zorg voor winst en meer winst en profijt en meer profijt. Het antwoord op een land dat rijk wil zijn is jaloezie en de koningen van Aram zagen dat welvarende en vruchtbare landje naast zich en lieten er met enige regelmaat plunderingen uitvoeren. Hun legers waren vele malen sterker dan het leger van Israël ooit kon zijn. Het gewone volk had daarvan bar te lijden. Oorlogen en het mislopen van winstgevende ondernemingen komen immers altijd op de armste mensen neer. Die moeten het leed dragen en krijgen de rekeningen gepresenteerd. Het was in de dagen van Koning Joachaz van Israël niet anders dan in de dagen van Bos en Balkenende. Maar in het verhaal van God en Israël staat er altijd iemand op die de gewone mensen in Israël bevrijdt van de vijand. De God van Israël is immers een bevrijdende God die uiteindelijk de hele wereld wil bevrijden van leed en ellende. Ook nu vertelt de Bijbel over het opstaan van een bevrijder. Wie die bevrijder geweest is weten we niet. De geleerden strijden er nog over en wijzen soms op koningen die nog moeten komen. Ook zou er een richter of profeet geweest kunnen zijn die de leiding over het volk op zich nam en de vijanden terug had geslagen naar hun eigen land. Helpen deed het overigens niet want het volk bleef bij het aanbidden van de twee gouden stierkalveren, zelfs de Asjerapaal in de hoofdstad Samaria lieten ze staan. Zijn wij dan beter? Hebben wij de banken en financiële instellingen zo hervormd dat er geen risico’s meer worden genomen en dat leidinggevenden en bestuurders genoegen nemen met een redelijk inkomen dat nooit meer dan twintig keer het inkomen is van de laagst verdienende in het bedrijf? Integendeel moeten we vaststellen. Het najagen van winsten ten koste van de economie en het bestaan van gewone mensen blijft onaangetast. Banken zijn gered waardoor spaargelden van gewone mensen gegarandeerd konden blijven maar hypotheken worden bijna niet meer verstrekt en kleine ondernemers kunnen nauwelijks meer investeren. De aanbidding van rijkdom en grotere rijkdom blijft ook in onze samenleving bestaan. Tijd om er wat aan te doen en te zorgen voor een rechtvaardige wereld. Dat is namelijk pas echt geloven in de God van Israël.

Een dag die jullie als heilige dag samen moeten vieren

maandag, 28 september, 2009

Leviticus 23:26-32

Vandaag is het Jom Kippoer, Grote Verzoendag. Dat is één van de meest belangwekkende en ontzagwekkende Joodse Feesten. We lezen er over in het boek Leviticus en het feest wordt in elke Synagoge over de hele wereld vandaag gevierd. Het is in de eerste plaats een Sabbath, een dag waarop niet gewerkt wordt, niet door de gelovigen zelf, maar ook niet door het personeel en ook niet door de dieren die het land bewerken of voor het transport zorgen. Maar daarmee houdt het deze feestdag niet op, want het is ook een vastendag. Het is de dag waarop de bij ons bekende zondenbok vandaan komt. In het taalgebruik kennen we die nog wel. Als er iets vreselijks gebeurt zoeken we iemand op die de oorzaak is geweest van alle ellende die ons is overkomen. Sommige laffe angsthazen wijzen zelfs hele bevolkingsgroepen en aanhangers van een andere religie aan als zondenbokken. Maar oorspronkelijk was het een echte bok. Een priester legde zijn handen op de bok en laadde daarmee alle zonden van het volk op die bok en stuurde hem dan de woestijn in. Het volk kon dan opnieuw beginnen met de dienst aan de God van Israël. Grote Verzoendag is dan ook een dag van reiniging. Daarom is dat niet werken, niet eten of drinken, geen sexuele omgang hebben, niet roken dus ook, geen straf, maar een totaal loslaten van alles wat je aan aardse zaken bindt. Als je dat kunt loslaten dan ben je ook in staat het te delen met degene die dat het hardst nodig heeft. Als je vandaag een Synagoge binnen stapt hoor je daar alle geloften die het volk Israël in de loop van de eeuwen heeft uitgesproken tegenover God en waarvan iedereen doordrongen is ze niet voldoende gehouden te hebben. De diensten in de Synagoge zijn gisteravond al begonnen, want vrome Joden willen geen minuut missen van de Jom Kippoer. Vanmorgen is daar hetzelfde Bijbelgedeelte gelezen als wij vandaag lezen en vanmiddag zal het verhaal van Jona gelezen worden. Die ging tegen zijn zin naar Niveve en merkte tot zijn ontsteltenis dat het volk daar zich bekeerde en weer gerechtigheid betrachtte. En dat maakt de Grote Verzoendag tot een echte feestdag. Niet al het eten en dringen en genieten van aardse rijkdom maakt een feest tot een feest maar weer opnieuw mogen beginnen met het houden van je naaste als van jezelf. Als je je zelf bewust maakt van al die keren dat je dat hebt verzuimd en dat je eerder gekozen hebt voor je eigen voordeel dan voor de zorg voor de ander dan besef je hoe dood je eigenlijk bent, maar als je dan merkt dat je helemaal opnieuw mag beginnen, mag opstaan uit die dood en mag kiezen voor het leven, dan is dat een geweldig feest. Voor Christenen is de Grote Verzoendag dan ook overgegaan op de doop. Elke keer als kinderen of volwassenen worden gedoopt worden de oude zonden met het water weggespoeld en mag iedereen opnieuw beginnen met de dienst aan de God van Israël, houden van je naaste als van jezelf. Ook vandaag mag dat dus weer.

Koning Joas van Juda verzamelde alle wijgeschenken

zondag, 27 september, 2009

2 Koningen 12:5-22

Die Koning Joas was opgegroeid in de Tempel in Jeruzalem. Jarenlang had hij daar verborgen gezeten. De Tempel in Jeruzalem was niet de enige offerplaats in Juda maar wel de voornaamste. Later wilde men dat het voor heel Israël de enige offerplaats zou worden en uiteindelijk werd het dat ook. Van heinde en ver trokken mensen dan op naar Jeruzalem om daar de grote feesten te vieren. Maar in de dagen van Koning Joas was het zo ver nog niet. Integendeel de Tempel in Jeruzalem was in verval geraakt onder een reeks Koningen die ook vreemde goden hadden geduld. Pas  bij het aantreden van Koning Joas was de Tempel van Baäl verwoest en de hogepriester van Baäl voor het altaar gedood. Koning Joas begon met duidelijk te maken dat je aan de God van Israël zelf niets hoeft te geven. Het zilver dat gegeven wordt aan de Tempel in Jeruzalem is voor de Priesters en voor het herstel en onderhoud van het Tempelgebouw. Maar als je mensen zomaar zilver geeft dan doen ze er niks mee. Koning Joas kwam na een tijdje tot de ontdekking dat die Priesters wel het zilver ontvingen maar niks deden aan het herstel van de Tempel. Daarom draaide hij de regeling terug. Het zilver werd apart ingezameld en aan de bouwlieden gegeven die aan het herstel van de Tempel werkten. Alleen de herstel en reinigingsoffers brachten voortaan het nodige zilver op voor de Priesters. In Juda ging dit niet stiekum, je hoeft God immers niet iets anders te geven dan de bereidheid alles te delen, in de eerste plaats met de minsten. En als je dat ontwend bent of zelfs ontdoken bent dan moet je dat weer opnieuw beginnen in de Tempel en daar waren die offers voor. Van een koning wordt verwacht dat die de vrede brengt in het land en de oorlog tegengaat. Ook Koning Joas beantwoorde aan die verwachting. Al dat zilver waarover in dit Bijbelgedeelte wordt gesproken werd uiteindelijk ook gebruikt om een oude vijand af te kopen, Koning Hazaël van Aram. Maar het loopt met Koning Joas niet anders af als met andere koningen in de oudheid. Hij wordt gedood door hovelingen. Maar dat verhaal hoort bij de echte geschiedenis. Niet bij de geschiedenis van hoe God met de mensen omging, de geschiedenis die in de Bijbel staat. Het verhaal over Koning Joas en het zilver wil ons nog eens laten zien dat al die rijkdom die we ook in ons land binnen krijgen uiteindelijk bestemd moet zijn voor de dienst aan de God van Israël. Die God wil dat we die rijkdom delen met de minsten in de wereld. Die God wil dat we die rijkdom gebruiken om vrede te brengen waar nog oorlog en strijd is. De God bevrijdt ons van de slavernij van het zilver, van het altijd meer en nog meer voor de rijken. Dat was in de dagen van Joas niet anders als in onze dagen. Net als Koning Joas mogen wij daaraan meewerken, aan vrede en gerechtigheid, zodat de hele aarde een Tempel wordt voor de God van Israël.

Heel het volk was verheugd

zaterdag, 26 september, 2009

2 Koningen 11:17-12:4

Het lijkt wel een modern krantenbericht. Zo’n bericht in de zijlijn waarvan je denkt waarom moet dat ook nog vermeld worden. Ondanks dat Atalja in het koninklijk paleis ter dood gebracht was bleef het rustig in de stad. In dat zelfde paleis kwam nog dezelfde dag de nieuwe koning wonen. Een knaap van zeven jaar. Maar omdat er een dode was gevallen was het paleis nog onrein. Vervuild door een moord. Maar niemand die zich daar wat van aantrok. Misschien beschouwde men de terechtstelling van de koningin wel als een offer aan de God van Israël. Niet een offer om die God gunstig te stemmen of om wat van die God te krijgen, daarvoor offer je immers niet aan de God van Israël, maar een offer om te laten zien dat het gaan van de Weg van die God een serieuze zaak is. Want daarmee begint het gedeelte van vandaag. Er worden verdragen gesloten. Een verdrag tussen God, de koning en het volk en een verdrag tussen de koning en het volk. Die koning regeert dus niet zomaar. Als die koning niet regeert zoals was afgesproken kun je die koning ter verantwoording roepen. Hetzelfde is het geval met die God. In het boek Job wordt die God dan ook ter verantwoording geroepen. Maar meestal is het het volk of die koning die ter verantwoording moeten worden geroepen. Hebzucht en machtzucht brengen volkeren en koningen of machthebbers maar al te gemakkelijk af van de Weg van de God van Israël. Die God wil immers recht en gerechtigheid, die God wil een volk dat zorgt voor zwakken in de samenleving, die God wil dat vreemdelingen met respect worden behandeld, dat vrede boven oorlog wordt gesteld. In de geschiedenis zien we telkens weer dat er mensen moeten zijn die de stem van die God opnieuw laten horen, die het volk en haar koningen oproepen weer opnieuw de Weg van die God te gaan. In ons verhaal van vandaag is het de priester Jojada die het volk roept. De tempel van de vruchtbaarheidsgod Baäl en de altaren en beelden van die god worden vernield. Geleerden lezen uit de Hebreeuwse tekst dat die tempel van Baäl binnen de muren van de Tempel voor de God van Israël was gevestigd. Het zou kunnen want er stonden verder geen beelden in de Tempel van de God van Israël, zo’n beeld van Baäl had geen concurentie. Maar de concurentie kwam van het volk van Juda dat was toegestroomd, die geloofden immers dat ze zelf geschapen waren naar het beeld van hun God. Aan de andere kant werd de priester van Baäl ter dood gebracht voor de altaren en het valt niet te verwachten dat Jojada de Tempel van God onrein zou hebben laten maken. Juda was weer helemaal van de God van Israël. Geen vruchtbaarheidsgoden, geen gouden kalveren bleven er over. Een volk dat bereid was te delen van wat men had, een volk om jaloers op te zijn, een volk om na te volgen, zoals wij de de Weg van de God van Israël willen volgen, ook vandaag weer.

Zo ontsnapte hij aan de dood.

vrijdag, 25 september, 2009

2 Koningen 11:1-16

Zijn er nu in de Bijbel verschillen tussen mannen en vrouwen? De verhalen in de Bijbel spelen zich af in de gewone mensenwereld. In de gewone mensenwereld zijn mannen meestal de baas. Niet omdat dat zo hoort of omdat God dat zo heeft gewild maar omdat mannen de mensen wijs hebben gemaakt dat dat het beste is. Maar alleen mannen vervangen door vrouwen helpt ook niet om een betere wereld te krijgen. In Israël was Izebel een machtige koningin geweest, maar die had aangezet tot het onrecht dat Nabod was aangedaan en ze had een vreemde verderfelijke godsdienst ingevoerd. In Juda had men daarna ook zo’n Koningin. Dat was Koningin Atalja. Toen haar zoon Koning Achazja was gedood door Jehu en daarna ook al haar andere zonen bleef ze achter met een hoop jonge kinderen. Maar in plaats van als regentes de regering op zich te nemen en te wachten tot de oudste zover zou zijn dat die de troon kon overnemen doodde ze alle kinderen om zelf koningin te kunnen worden. Ze had echter een zuster die het kennelijk niet kon aanzien en een zoontje van Achazja verstopte. Ze bracht hem onder in de Tempel in Jeruzalem, waar ze zelf ook ging wonen kennelijk, in de Tempel zat hij zes jaar verborgen. Toen brak het jubeljaar aan. In het zevende jaar immers moet het land rusten, mag niemand werken, moet er gegeten worden van wat er is gespaard en wat het land voortbrengt zonder dat het is bewerkt. In de Bijbel heet dat het Sabbatsjaar. Zo zou de aarde moeten zijn, niemand die een last draagt maar iedereen die er van kan leven. Bevrijd dus van knechtschap, onderdrukking en verslaving aan meer en nog meer. In dat zevende jaar riep de Hogepriester, de priester die het meest moest letten op de uitvoering van heb uw naaste lief als uzelf, de hoofden van de Turkse huursoldaten, de Kariërs, en de koninklijke garde bij zich. Er waren nog wapens in de Tempel aanwezig uit de tijd van Koning David en zo kon er een staatsgreep worden georganiseerd en de jonge Joas tot koning worden uitgeroepen. Atalja werd ter dood gebracht en allen die haar volgden. Wie goed leest ziet dat er niemand was die haar volgde. Ze werd door de Paardenpoort naar het paleis gevoerd en vanouds werd er in de Poort recht gesproken door de oudsten van het volk. Zo zal het ook hier zijn gegaan en een moordenares van kinderen verdient in de Bijbel de dood. Ze heeft er immers zelf voor gekozen. Vanuit de Tempel in de Jeruzalem staat een nieuwe koning op. Het geeft de kans op een nieuw begin voor de samenleving. Opnieuw kan er recht worden gedaan aan de mensen. De wapens van koning David staan weer in dienst van de godsdienst voor de God van Israël. En die God vraagt zijn volk te zorgen voor minsten, de zwaksten. Die God vraagt dat ook aan ons, ook vandaag. Laat ook onze samenleving op die basis worden ingericht. Laten we daar aan werken.

Niet met hart en ziel

donderdag, 24 september, 2009

2 Koningen 10:28-36

Was die koningsmoordenaar Jehu nu een goede koning van Israël? Ja en nee. Hij had de vruchtbaarheidscultus van Baäl, zoals die door Koningin Izebel van huis was meegenomen, met wortel en tak uitgeroeid. Toen was hij een geaccepteerd Koning en toen was het wel weer genoeg. Maar er waren nog meer vruchtbaarheidsgodsdiensten in Israël binnengeslopen. In Betel en Dan werden gouden beelden van stierkalveren aanbeden. Een vruchtbaarheidssymbool dat ook in de woestijn door een deel van het volk was aanbeden en dat dus zeer oude wortels in het volk had. Daar bleef Jehu af. Nu waren er twee Koninkrijken, Israël en Juda. Juda had Jeruzalem als hoofdstad en daar stond de Tempel waar het soort beelden als in Dan en Betel een gruwel was. Geleerden nemen dan ook aan dat het boek 2 Koningen waar we uit lezen geschreven is door iemand die betrokken was bij de Tempel in Jeruzalem. Tijdens de ballingschap in Babel, toen er aan de bijbelboeken fors is gewerkt om ze in orde te krijgen, speelde de Tempel in Jeruzalem en de godsdienst die daar beleden werd een grote rol. De kritiek op Jehu die de verfoeilijke beelden liet bestaan is daarom niet verwonderlijk. Het is het soort kritiek op politici die wij ook wel kennen. Zo was er een minister die ten tijde van de financiële crisis wel de banken redde van de ondergang, zodat het spaargeld van iedereen behouden bleef, maar hij verbood niet de bonussen totaal die hadden geprikkeld tot het onverantwoorde bankiersgedrag dat de oorzaak was geworden van de financiële crisis. Het gevaar op nieuwe crises bleef daardoor bestaan. Dat beschermen van de rijken maakte ook een eerlijke verdeling van lasten tussen arm en rijk bij het afbetalen van de kosten van de crisis bijna onmogelijk. Onrechtvaardigheid bleef in stand en met onrechtvaardigheid begon het verhaal dat uiteindelijk op het koningschap van Jehu zou uitlopen. Het was de geschiedenis van Achab en Nabod, waarbij Achab de akker van Nabod in handen kreeg, die tot de ondergang van de Baälsdienst en het koningshuis van Achab zou leiden. Het is dus geen geschiedenis in de zin van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, voor dat soort geschiedenis worden we verwezen naar het boek “kronieken van de Koningen van Israël”. Dat is niet het boek Kronieken dat in de Bijbel voorkomt, dat geschiedenisboek waarnaar hier verwezen wordt kennen we niet. In de Bijbel staat de geschiedenis van recht en gerechtigheid. Daarom staat er ook dat de afloop door God wordt bepaald. In dit verhaal gaat het ook niet van de ene op de andere dag maar duurde het een paar generaties voordat Jehu had overwonnen en koning was. Zijn rust was ook niet zonder gevolgen, het land Israël werd kleiner. Aan ons dus het signaal om tegen onrecht en voor gerechtigheid te blijven strijden. Dat heeft op den duur vanzelf succes, daar zorgt God voor.

De zoon van Rechab

woensdag, 23 september, 2009

2 Koningen 10:15-27

Soms kom je in de Bijbel namen tegen van personen die we verder niet kennen. Die schijnbaar terloops genoemd worden maar die geen schilderij van Rembrandt van Rijn hebben gehaald of in een spreekwoord zijn opgenomen. Zo’n uitdrukking als “de zoon van Rechab” hoort daar ook bij. Die Jonadab die kwam kijken wat de nieuwe koning van Israël, Jehu, allemaal wel niet uitspookte, was niet de zoon van een meneer Rechab maar hij hoorde bij de stam van de Rechabieten. Dat waren ook aanhangers van de God van Israël maar ze weigerden het beloofde land binnen te trekken en in huizen te gaan wonen. Dat vonden ze veel te verleidelijk. Telkens in de geschiedenis van Israël zouden ze af en toe uit de woestijn het land binnenkomen om te vertellen dat de Israëlieten wel heel erg ver van de God van Israël, de Wet van de Woestijn waren afgedwaald. Ze eisten dan recht en gerechtigheid. Het bericht  dat Jehu de zoon van Achab had gedood op de akker van Nabob zal de Rechabiet Jonadab aangetrokken hebben. Dat was namelijk het wreken van onrecht waar Rehabieten voortdurend op aandrongen. Dat maakt Jehu mogelijk deze aanhanger van de God van Israël mee te nemen als getuige in de zuivering van Samaria van de vruchtbaarheidsgodsdienst die het onrecht had veroorzaakt. Het verhaal laat het verschil zien tussen de godsdienst van de God van Israël en de godsdienst van Baäl, de vruchtbaarheidsgod. De priesters van Baäl konden hun God eren door in feestkleding in de Tempel bijeen te komen. Daar hoefde geen volk aan te pas te komen. Dat wordt hun ondergang. In die dienst van de God van Israël zijn offers niet een dienst aan God, ze zijn er niet om die God gunstig te stemmen, maar een teken dat je bereid bent te delen van wat je hebt. Dat doen Jehu en Jonadab zelf in dit verhaal, want zij geven het verschil aan. In de godsdienst van de God van Israël geef je desnoods jezelf als dat nodig is om de ander het leven te geven. In de Godsdienst van Baäl betekent het offeren van jezelf het einde van de godsdienst. Zoals in onze samenleving het jezelf wegcijferen en de armen helpen het einde betekent van je carrière en je de kans ontneemt op bonussen en nog meer verdienen. Jehu roeit dan ook  de hele godsdienst van Baäl uit. De Tempel van Baäl wordt tot een vuilnishoop. We moeten maar hopen dat het ook niet zo zal vergaan met onze banken waar het grijpen en graaien bijna tot een heilige godsdienst werd. Dat graaien blijkt bijna onuitroeibaar, ook nu kennen bankiers elkaar weer de nodige hoge bonussen toe, alsof een eerlijk loon voor de arbeid niet voldoende is, alsof in een christelijke samenleving het gebed niet ophoud bij de vraag om het dagelijks brood. We zullen ook in onze samenleving die godsdienst van grijpen en graaien moeten uitroeien. Ze leidt voor armen naar onrecht, honger en oorlog en dat moeten we er niet en nooit voor over hebben.

Door wie zijn deze koningszonen gedood?

dinsdag, 22 september, 2009

2 Koningen 10:1-14

Het hart van de Bijbel is dat, wat je zelf niet wil dat je wordt aangedaan, je ook een ander niet moet aandoen. In het verhaal over Jehu dat we vandaag lezen leren we hoe de politiek kan werken. En denk nu niet dat we sinds de dagen van Jehu beschaafder zijn geworden want dat zijn we niet. Jehu geeft openlijk toe dat hij een complot gesmeed heeft tegen de wettige koning van Israël. Hij heeft die koning gedood, diens echtgenote uit het raam laten gooien en hij woont nu in het paleis in Jizreël. Ook de vriend van de koning, de koning van Juda, heeft hij laten doden. Maar het koningshuis Achab is nog niet uitgestorven. De aanbidder van de vruchtbaarheidsgod die Izebel had meegenomen was zelf vruchtbaar. In de hoofdstad Samaria leefden nog 70 zonen, alsof alle volken zouden afstammen van Achab, zo klinkt zo’n getal in de oren van de lezers. Deftige burgers van Samaria hadden die zonen opgevoed. Dat zal een hele eer geweest zijn een prins te mogen opvoeden. Maar Jehu stelt ze voor de keus, of een wettige opvolger van Achab kiezen en oorlog voeren, of het huis Achab met wortel en tak uitroeien en in vrede verder leven. De deftige burgers van Samaria kiezen voor het laatste, ze kiezen uit angst voor hun eigen hachje. Daarmee stellen ze zich natuurlijk gelijk aan de koningsmoordenaar Jehu. Die komt er voor uit. Jehu brengt vervolgens de hele troep vruchtbaarheidsdienaren om. Het klinkt als een wreed verhaal, maar de Bijbel vertelt het of er een oogst plaats vindt waarbij het kaf van het koren wordt gescheiden. Het kwaad kun je immers niet ongestraft laten voortwoekeren. Wij zitten zelf ook in zo’n discussie. Moet je een club laten voortduren die begint met vragen naar de kosten van een vreemdeling? In de jaren 30 werden in Duitsland verstandelijk gehandicapten en psychiatrische patiënten met een dodelijke injectie omgebracht omdat ze de samenleving extra geld kostten. Wij hebben een toenemend aantal hoogbejaarde dementen waarvoor kostbare zorg nodig is. Komt na de vraag naar de kosten van vreemdelingen ook de vraag naar de kosten van demente bejaarden, verstandelijk en lichamelijk gehandicapten en psychiatrische patienten? In de Bijbel staan de vreemdelingen altijd op één lijn met de armen, de zwakken, de weduwen en de wezen. Uitdrukkelijk wordt opgedragen ook met de vreemdelingen te delen. In Bijbelse termen geldt dat wie begint met de vreemdelingen te vervolgen niet zal ophouden als hij bij de zwaksten in de eigen samenleving is aangekomen. Daarom neemt Jehu geen halve maatregelen en gaat hij zelfs door tot Achab’s vriendjes uit het koninghuis van Juda zijn omgebracht. Het is een wreed verhaal maar een krachtige waarschuwing aan onze eigen samenleving om een grens te trekken als onze broeders en nu ook onze zusters van vreemde herkomst worden bedreigd.

Naar het onblusbare vuur

maandag, 21 september, 2009

Marcus 9:42-50

Ten zuiden en ten westen van Jeruzalem lag het dal Hinnom. Hier brandde dag en nacht een groot vuur waar al het afval van Jeruzalem in werd verbrand. Vanouds was hier een offerplaats voor de afgod Moloch. Daar werden kinderen als offer in het vuur geworpen. Ook werden er lijken van veroordeelde misdadigers verbrand, ze hoefden dan niet begraven te worden. De plaats werd Gehenna genoemd en was zo verschrikkelijk dat Gehenna ook de naam van het dodenrijk werd. Als Jezus van Nazareth over de Gehenna spreekt dan heeft hij het over een verschrikkelijke plaats die al zijn toehoorders helder voor ogen stond. Je kunt dus beter je handen af hakken dan als misdadiger in het vuur van de Gehenna geworpen worden. Zo verschrikkelijk moet het voor je zijn als je niet meer de Weg volgt van het houden van je naaste als van jezelf. Mensen van die weg afbrengen is wel het ergste dat je kan doen. Toch heeft ook dat onblusbare vuur van die verschrikkelijke plaats Gehenna iets goeds. Het reinigt de stad zoals zout het voedsel reinigt en behoed voor bederf. Al het dode afval in de stad laten rotten maakt de stad onleefbaar. In het Italiaanse Napels kunnen ze daar over meepraten. Daar werd het afval niet meer opgehaald. Het werd zo erg dat het leger moest worden ingezet om de stad weer schoon te maken, de stad dreigde anders onleefbaar te worden. Zo was het ook met Jeruzalem en het Gehenna zorgde er voor dat de stad het afval kwijt kon. Daarom moeten wij er voor zorgen het zout in onszelf niet te verliezen. Dat betekent dat je telkens weer de Weg op moet gaan van Jezus van Nazareth. Dat je eens van die weg afdwaalt is erg, maar niet onherroepelijk, op elk moment kan ieder van ons zich weer omkeren, bekeren heette dat ook wel, om weer die Weg op te gaan. In elke gemeenschap van mensen die zich niet om zichzelf maar om de ander als eerste bekommeren dien je de vrede te bewaren. Onderlinge strijd kost immers energie die ten koste gaat van de zorg voor de minsten, het laat ook niet zien hoe een samenleving waarin iedereen kan meedoen en waar oog en oor is voor de minsten er uit kan zien. Maar oog en oor voor de minsten in de wereld is waar Jezus van Nazareth ons om vraagt. Daar is zijn vader, daar is God zelf te vinden. Bij de slachtoffers van de voortdurende strijd in Somalië, bij de hongerenden in Darfur, bij de gevangenen in Birma en al die andere landen waar mensenrechten worden geschonden, bij de armen in Europa, bij de vreemdelingen onder ons die worden buitengesloten, bij de kinderen op de wereld die worden uitgebuit en misbruikt. Daar horen wij ook te zijn want hen verwaarlozen is het ergste wat ons kan gebeuren. Vandaag hoeft dat dus niet meer.