Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor mei, 2009

Laat het liggen voor de armen en de vreemdelingen

zondag, 31 mei, 2009

Leviticus 23:15-22

En dan komt het wekenfeest. Zeven weken na het feest van de bevrijding, het feest van de eerste oogst, komt het feest van de dag waarop de oogst volop kan beginnen. Dan hoeft er geen ongezuurd brood meer te zijn. Het land geeft in overvloed en je kunt de eerste dieren gerust slachten. Maar ook dan moet er gedeeld worden. Je moet brood bakken en zeven eenjarige rammen, een stier en twee volwassen rammen met graan en wijn meenemen. Voor God en voor de Priester en zijn huishouden. Die dag moet je samen vieren. Elders staat dat je met je familie, je slaven, dienstknechten en dienstmeiden, de tempeldienaars, de armen en de vreemdelingen een maaltijd moet houden. De oogst is om te delen en niet om voor jezelf te houden. Dat is de boodschap van de feesten van het volk Israel. Dit wekenfeest, dat wij kennen als Pinksteren, is het begin van de oogsttijd. Het land staat vol met wuivend graan en iedereen weet dat er het komende jaar, het komende winterseizoen vooral voldoende te eten zal zijn. Behalve voor die mensen die geen land hebben, de armen en de vreemdelingen. Daarom staat hier, als de oogst begint, dat aan de rand van de akker een beetje moet blijven staan. En als er wat op de grond valt, bij het binden van de schoven dan moet je dat laten liggen. Dat randje graan aan de rand van de akker en die aren die blijven liggen zijn voor de armen en de vreemdelingen. Dat zal toch mooi geweest zijn. Het moet ook druk geweest zijn in Israel wil men ons tegenwoordig wijs maken. Want als je goed bent voor de vreemdelingen dan stromen ze massaal naar jouw land. Nu, in Israel hebben ze er nooit iets van gemerkt. Dat dit voorschrift werd gehandhaafd weten we uit het boek Ruth, zij hield er haar huwelijk met Boaz aan over en uit dit huwelijk zou David afstammen. Ook Jezus van Nazareth en zijn leerlingen konden van dit voorschrift meedelen, zij werden op hun vingers getikt toen ze op de Sabbat aren aan het plukken waren. Maar van een toestroom van arme hongerige vreemdelingen was geen sprake, terwijl ook in de geschiedenis van Israel in buurlanden hongersnoden, oorlogen en natuurrampen waren. Delen met vreemdelingen is dus een kenmerk van geloven in de God van Israel. Ieder die zich daar tegen verzet, dat bespot en dat bestrijd is een vijand van de God van Israel. Dat geldt ook vandaag de dag. Iemand die serieus denkt voor te kunnen stellen dat je de helft van de Rotterdamse bevolking maar moet verwijderen uit Nederland heeft zich zeer ver verwijderd van het Nederlands erfgoed van christendom en Humanisme. Juist op het Pinksterfeest, het Wekenfeest van Israel, is het te hopen dat ons volk de Geest van Jezus van Nazareth weer weet te ontdekken. De geest van delen met je naaste en van je naaste houden als van jezelf.

De eerste schoof van je gersteoogst

zaterdag, 30 mei, 2009

Leviticus 23:9-14

Het Pesachfeest was niet alleen een feest voor de bevrijding uit Egypte, uit de dood, maar het was uiteindelijk ook een oogstfeest. In het verhaal over de slavernij in Egypte speelde de eerstgeborenen een grote rol. Mozes was als eerstgeboren jongen gered van een wrede maatregel waarbij alle eerstgeboren jongetjes uit het slavenvolk gedood moesten worden. Op de avond voor de vlucht uit Egypte werden alle eerstgeborenen van de Egyptenaren gedood, alleen de Israelieten ontkwamen doordat zij bloed van een lam aan de deurposten hadden gesmeerd. Dat het eerste van de oogst aan God werd opgedragen is dus zo vreemd nog niet. En de gersteoogst was de eerste oogst die na de koude winter kwam. Alles wat je had opgeslagen was bijna op en het spant er natuurlijk elk jaar om of er weer een goede oogst komt. Als dan de eerste schoof binnen is mag er een klein feestje worden gevierd. Er zal weer te eten zijn, er is weer leven in het land. Dat een dergelijk gebeuren gekoppeld wordt aan het verhaal over de bevrijding uit de dood in Egypte is zo vreemd dus nog niet. Maar het is een feest met een bijzonder karakter, want eerst moet het beste dat je hebt aan God worden geofferd. Tarwebloem vermengt met olijfolie laat zich met een heel klein beetje water kneden tot ongezuurde broden, de speciale broden die niet snel bederven en die met Pesach worden gegeten als herinnering aan de vlucht uit Egypte. De wijn die er bij geschonken wordt herinnert aan het bloed dat voor de bevrijding werd vergoten en zo komen we ineens in dit oude gedeelte uit de Bijbel brood en wijn tegen als offer met Pasen. Voor Christenen is dit een directe verwijzing naar Jezus van Nazareth die vlak voor de Pasen dit brood en wijn als symbool van zijn eigen lichaam en bloed aan zou bieden. Dit brood en wijn offeren betekent dat je dus van begin af aan bereid moet zijn het te delen. Want met God delen is delen met de armsten in de samenleving, met de weduwen en de wees, met de zieken en bedroefden, met hen die zich niet konden verheugen in een nieuwe oogst. Want soms mislukt de oogst en dan ben je afhankelijk van de bereidheid van anderen om te delen. Zoals miljoenen op aarde nu afhankelijk zijn van de rijken voor hun eten, voor de kans op een nieuwe oogst. Klimaatverandering, aardbevingen en droogte, soms ook overstromingen, hebben er voor gezorgd dat velen ook deze lente niet kunnen uitzien naar een nieuwe oogst. Vooral in de arme landen waren ook geen middelen aanwezig om zich daar tegen te wapenen. De mensen daar zijn daarom ook dit jaar voor een groot deel afhankelijk van de bereidheid van ons om te offeren. Bij ons gaat de gersteoogst het hele jaar door, elke week hebben we weer een eerste schoof, laten we elke week dus iets offeren voor onze arme broeders en zusters.

Maar de zevende dag is het sabbat

vrijdag, 29 mei, 2009

Leviticus 23:1-8

Wat is de belangrijkste feestdag voor Joden en Christenen? Het Paasfeest, of Pesachfeest zoals de Joden het noemen? Nee dus. Bij de opsomming van van de religieuze feesten voor het volk Israel komt de Sabbat voor de Pesach. Bij alles wat je doet, alles wat je maakt of voortbrengt moet je op de zevende dag rusten om te zien dat hetgeen je doet goed was. En als het niet goed was is het goed dat je dat gezien hebt want dan kun je het in de komende week van zes dagen herstellen om op de zevende dag te rusten en te zien dat het goed was. Christenen hebben in de loop van de geschiedenis de sabbat vervangen door de eerste dag van de week. Op die dag kwamen ze bij elkaar om de opstanding van Jezus van Nazareth te vieren en te oefenen in het breken van het brood en delen met de armen. Twee dagen achter elkaar niet werken was een al te grote luxe, dat wordt ook niet van ons gevraagd. De voorschriften voor de Pesach die we in het gedeelte van vandaag lezen brengen ons op het spoor waarom het zo belangrijk is dat iedereen op dezelfde dag het werk laat rusten. Want in onze samenleving willen de goden van winst en profijt zeven dagen lang gediend worden.Omzet moet er gedraaid worden, offers gebracht, winst vergroot, profijt geschapen, de goden van winst en profijt kunnen geen dag zonder. In de voorschriften over het feest van het ongezuurde brood lezen we dat je de eerste dag als een heilige dag samen moet vieren. Dat feest is de herdenking van de bevrijding uit de slavernij van Egypte, eigenlijk de bevrijding van de dood. Voor christenen is die bevrijdingsdag over gegaan op de eerste dag van elke week, daarom wordt er in veel kerken elke zondag ongezuurd brood gebroken, gedeeld en gegeten. Dan wordt bevrijding van de slavernij, bevrijding van de dood gevierd. En dat vieren doe je samen. Door allemaal het werk neer te leggen op die ene dag in de week belijden we ook niet afhankelijk te zijn van de goden van winst en profijt. Het gaat daarbij niet om wat we mogen of niet mogen, het gaat er daarbij om te zien wat er goed is. Want als het niet goed is wat er zich in onze samenleving  afspeelt dan hebben we zeker een week nodig om het weer ten goede te laten keren. Als we allemaal op verschillende dagen vrij hebben dan werken we eigenlijk allemaal de hele tijd. Dan kunnen we nooit samen vieren dat we bevrijdt zijn van slavernij en dood. Dan kunnen we nooit samen nagaan wat er nog niet goed is als we naar onze wereld kijken, dan komen we er ook nooit toe samen aan het werk te gaan om te zorgen dat het goed wordt. Daarom is die sabbat, daarom is die eerste dag van de week zo belangrijk, het is het begin van de volmaakte wereld, begin daarom met de zondag vrij te houden en verzet je tegen alle druk om dan ook te moeten werken.

Op dezelfde dag als een eigen jong

donderdag, 28 mei, 2009

Leviticus 22:26-33

Eerbied voor het leven, daar gaat het hier over. Er wordt vlees gegeten, in een woestijnomgeving kun je niet veel anders. Ook waar schrale gronden zijn, waar gras en distels groeien en alleen vee kan grazen, is vlees eten de aangewezen vorm om in leven te blijven. Maar niets weerhoud je eerbied op te brengen voor de dieren die de mensen in leven houden. Zo houd je een jong de eerste acht dagen in leven. De moeder heeft het immers gedragen en verwacht niet anders dat er een jong komt drinken. Na een aantal dagen wordt ook dat een gewoonte en mag het ook geslacht worden. Een mensenkind overigens wordt na acht dagen besneden en daarmee aan God opgedragen. Een jong dier en haar moeder mogen ook niet op dezelfde dag worden geslacht. Wie onverschillig is zal denken: wat maakt het uit, geslacht worden ze toch, dan komt het toch niet op de dag aan. Maar zo’n voorschrift zet je als consument en slager aan het denken. Wat ben je aan het doen, wat doe je dieren aan en ben je je wel bewust wat een dier voor jou over heeft? Dat dier schenkt je het leven en als het volwassen is en geworpen heeft ook het leven van haar kinderen. Wij zijn die eerbied voor het leven van dieren volkomen kwijt geraakt. Als we in een stad wonen en niet uitkijken dan kennen onze kinderen de dieren niet meer die ze op hun bord krijgen. Hoe er geslacht wordt en hoe er met dieren wordt omgegaan in onze slachthuizen is al helemaal onbekend. We noemen dat onsmakelijk en verorberen smakelijk het vlees dat uit het slachthuis komt. Ook het leven van dieren die voor consumptie zijn bestemd is buiten ons gezichtsveld. Zouden de dieren die wij eten aan God geofferd mogen worden? En als ze een leven hebben gehad waardoor ze niet geofferd zouden hebben mogen worden waarom zouden wij ze zelf dan wel eten? Delen wij ons voedsel niet met onze God? Wij maken het nog erger door dieren te doden alleen voor ons plezier. Niet meer voor voedsel, niet meer om mensen in leven te houden. Wij doden dieren om van hun vachten bontjassen te maken, tweede hands jassen. Die dieren worden niet geofferd aan de God van Israel maar aan de goden van winst en profijt en het zijn dan ook de aanhangers van die goden,  kamerleden en ministers van het CDA, die te hoop lopen als voorgesteld wordt om dat doden voortaan te gaan verbieden in onze samenleving. Er zijn mensen die het eten van dierenvlees maar helemaal nalaten. Vlees dat je niet kan delen met de God van Israel moet je ook zelf niet willen eten. De Bijbel schrijft een vegetarisch menu niet voor. De Bijbel heeft het over het eerbied voor het leven, maar wie God wil dienen moet voedsel eten dat met God te delen is, dat geleefd heeft en gestorven is met eerbied voor het leven en dankbaarheid voor hetgeen ons geschonken is.

Ook van vreemdelingen

woensdag, 27 mei, 2009

Leviticus 22:17-25

We hebben het al eerder opgemerkt, voor God kun je niet anders volstaan dan met het volmaakte. Dat wordt in dit gedeelte nog eens uitgebreid duidelijk gemaakt. Niet alleen mogen de Priesters geen offervlees eten dat enig gebrek vertoond, het was per slot van rekening offervlees voor God, ook mag er geen dier geofferd worden dat enig gebrek vertoont. De truc van het uitzoeken van het beste voor de Priesters en wat overblijft verbranden voor God gaat hier dus niet op. Voor God kun je niet anders dan het volmaakte ter beschikking stellen. En bij Israel hadden die offers een bijzondere betekenis. Er was geen beeld waarvoor je je offer kon brengen. De God van Israel hoefde echt niet te eten te hebben om je te belonen met vruchtbaarheid, met een goede oogst, winst in je bedrijf en een hoop kinderen die voor je oude dag kunnen zorgen. De God van Israel geeft uit genade niet als beloning voor wat je voor die God over hebt. Die God van Israel vraagt maar een ding en dat is dat je je naaste lief hebt als je zelf, dat je dus deelt met de mensen die niks meer hebben om te delen, zelfs niet met de God van Israel. Dat maakt dat offeren een heel bijzondere daad.Offeren aan de God van Israel heeft een directe maatschappelijke betekenis. Je houdt niet alleen de religie in stand, omdat de Priesters er van mee mogen eten, je zult ook bijna volmaakt het gebod van die God moeten volgen om dat offer meer te maken dan een leeg ritueel. Eerbied voor het leven hebben, respect voor anderen en zorg voor zwaksten in de samenleving. Daarom worden ook de vreemdelingen genoemd.Want offers werden ook gebracht bij het sluiten van verdragen, bij het beeindigen van conflicten. Dat deed je samen. En hier staat dan dat ook de offers van vreemdelingen aan dezelfde voorwaarden moeten voldoen als je eigen offers. Dat betekent dat bij een verdrag het volmaakte alleen goed is voor God. Dat daarbij dus rekening gehouden moet worden met de belangen van anderen, vooral met de minsten en de zwaksten. Anders hoef je aan God niet te vragen dat er wat goeds uitgaat van je verdrag, dat het gezegend wordt. Dat geldt al helemaal bij het einde van gewelddadige conflicten. Dan staat de zorg voor de anderen voorop. Dan geldt dat eerst de slachtoffers geholpen moeten worden, dat er weer een toekomst geschapen moet worden voor hen die moesten vluchten en alles verloren in het conflict. Offeren aan de God van Israel is dus niet alleen het offeren van volmaakte dieren, het is het begin van een volmaakt leven, van een volmaakte wereld. Als je daar niet aan werkt, niet bouwt aan een wereld van delen en rechtvaardigheid voor mensen, dat is er een gebrek aan je offer en is het van geen waarde voor de God van Israel. Bouwen dus vandaag.

Wie niet tot de priesterfamilie behoort

dinsdag, 26 mei, 2009

Leviticus 22:10-16

We lezen in het Oude Testament nog wel eens over offers aan goden die dan stiekum door de Priesters van die goden worden gegeten. Het volk dat die goden aanbad moest blijven denken dat die godenbeelden zelf die offers nuttigden. In Israel was dat anders. Daar was het voorschrift dat de Priesters bepaalde offers zouden eten. Dat was het salaris voor hun Priester zijn. Maar het ging niet aan dat jan en alleman daar van zou mee eten. Je zou dan gemakkelijk vriendjespolitiek kunnen krijgen. Uitgebreide feestmaaltijden waarbij de Priesters zorgden voor het voedsel door de offers op tafel te zetten hoorden er in Israel niet bij te zijn. Dus moet je nauwkeurig afbakenen wie er wel en wie er niet bij de familie van de Priester hoort en wie er dus wel en wie er niet mag mee eten van de offers die speciaal daarvoor worden gebracht. En daar moet je in dit Bijbelgedeelte eens scherp op letten. In onze samenleving zal dat niet zo snel opvallen. Maar ook de slaven mogen meeeten. Slaven zijn bezit. Voor ons zijn het ook mensen, maar in een slavenmaatschappij zijn ze toch in de eerste plaats bezit, zoiets als vee. In de meeste samenlevingen die op slaven waren gebaseerd telt het leven van een slaaf dan ook niet echt mee. Verlies van een slaaf is een economisch verlies, maar soms moet je het verlies nemen om een voorbeeld te stellen en om andere slaven gehoorzamer te maken. Zo dus niet in Israel. De slaaf gaat in Israel tot je directe familie behoren. Je wordt verantwoordelijk voor het leven en het welzijn van de slaaf. De slaven van de Priesters mogen dus mee eten van het voedsel dat aan God werd geofferd. De God van Israel is dus uitdrukkelijk ook een God van slaven. Wij kennen alleen nog de loonslaven. De tijd dat de loonslaven in onze samenleving mee kunnen delen in de offers die aan de goden worden gebracht ligt nog ver weg. De goden van winst en profijt vragen hoge offers. Ze moeten immers buitensporige bonussen kunnen uitkeren aan hun hoge priesters. Dat het bij banken en sommige bedrijven even mis is gelopen komt volgens sommigen door menselijke fouten, niet door het aanbidden van de goden van winst en profijt zelf. Toegeven dat het fout is, dat aanbidden van winst en profijt, zou de rijken aantasten. Want tegenover het aanbidden van winst en proftijt staat het delen met de minsten in de samenleving, het aanbidden van de God van Israel, het navolgen van Jezus van Nazareth. De hoge priesters van de goden van winst en profijt, de leden van raden van bestuur, van raden van commissarisen, mogen zeker niet op het idee komen dat er gedeeld moet worden met de armen. Dat alleen dat delen de werkelijke continuiteit van hun onderneming kan waarborgen, de Bijbel spreekt zelfs van het eeuwige leven. Alleen gelovigen in de God van Israel en Jezus van Nazareth mogen geloven in een samenleving die gebaseerd is op liefde voor de naaste en delen met de minsten. En dat geloven betekent er aan werken, ook vandaag weer.

Hun verplichtingen tegenover mij

maandag, 25 mei, 2009

Leviticus 22:1-9

Het is vanouds opgevallen dat het volk Israël een reeks wetten en voorschriften had die het volk veel gezonder hielden dan andere volken. We zien dit ook weer in de voorschriften voor de Priesters. Natuurlijk, het beste is nog niet goed genoeg voor God, het dienen van de God van Israël verdient volmaaktheid, maar een voorschrift om je voortdurend te wassen is in een woestijnomgeving, of een droog klimaat als Israël zelf had natuurlijk wel een heel verstandig voorschrift. Er is voor de herkomst van deze bepalingen vanzelfsprekend een bovennatuurlijke verklaring te geven. God heeft de voorschriften gedicteerd en domme mensjes schreven ze getrouw op en hielden zich er vervolgens aan. Maar dat dictaat van God staat nergens op die manier beschreven. Er wordt wel gesproken over de berg waarop Mozes voorschriften van God kreeg, maar dat was alleen een kernachtige samenvatting. Dan was er de Tent der ontmoeting waar voortdurend overleg plaatsvond. Er is echter een betere verklaring die ook ons kan helpen. Wij hebben immers geen wetgevers met een directe lijn met God. Onze eerste minister zetelt wel in een Torentje maar dat is maar een klein Torentje en die is niet omgeven door de Wolk waarin God zich manifesteerde zoals in de tijd van Israël. Nee de verklaring die ons kan helpen is die van de liefde voor de mensen. Wie echt geïntereseerd is in het wel en wee van mensen, wie echt waarde hecht aan elk individueel leven komt bij zeer nauwkeurige waarneming van alles wat er gebeurt op wetten als die in de Bijbel zijn gegeven. In de Bijbel spelen ervaringen in de woestijn een belangrijke rol. Daar waren de ervaringen opgedaan die hadden geleid tot de ontdekking van de God van Israël, de noodzaak onvoorwaardelijk op elkaar te kunnen bouwen en al die wetten en regels over hoe je moet leven om te overleven. We weten uit de Bijbel dat het volk Israël altijd contact is blijven houden met woestijnnomaden die dezelfde God als Israël aanbaden. Het is dan ook niet zo raar om aan te nemen dat tal van voorschriften in de loop van een lange geschiedenis overgenomen zijn van die woestijnnomaden. Moeten ook wij daar naar kijken? Misschien wel, maar in elk geval moeten we ons afvragen hoe onze wetten er behoren uit te zien als we ze afstemmen op de armsten in de samenleving. Als we onze wetten en regels afstemmen op de zwaksten, op de mensen die het minst mee kunnen komen, op de minderheden die gemakkelijk in de knel kunnen komen. De Bijbel noemt ook altijd de vreemdelingen als groep die extra zorg en aandacht verdient. Wij verkeren in de mogelijkheid ook wetgevers voor heel Europa te kunnen kiezen. Ook bij die keuze kunnen we er op letten welke wetgevers zich bij uitstek zullen inzetten voor de minsten onder ons. Zo kunnen we proberen wetten te krijgen die een basis hebben die lijkt op de wetten in de Bijbel, de liefde voor alle mensen. Wetten die ons een volmaakte samenleving zouden kunnen geven.

Bevrijd mij en doe mij recht.

zondag, 24 mei, 2009

Psalm 31

Kort en krachtig vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling in het begin van deze Psalm de noodroep van de Psalmdichter: “Bevrijdt mij en doe mij recht”. Ook in deze Psalm wordt de tegenstelling geschetst tussen de gelovigen en de ongelovigen. Met de gelovigen gaat het dan altijd slecht. Zij zijn de onderliggende partij en hebben God maar al te hard nodig om hen te helpen. De ongelovigen die lijken het goed voor elkaar te hebben. Zij hebben goden met eigen handen gemaakt, beelden van goud en zilver, en lachen die arme gelovigen uit, die hebben nog niet eens een beeld om trots op te zijn. Maar zij zijn het ook die onrecht doen, die anderen niet tot hun recht laten komen maar integendeel: zelfs van de arme weten ze nog te stelen. Zo ouderwets is zo’n Psalm dus helemaal nog niet. De tegenstelling tussen de werklozen, die soms voor de derde of vierde maal in hun leven werkloos geworden zijn, en de leden van raden van bestuur en raden van commissarisen is groot. Hadden de werklozen maar een bescheiden loon en hebben ze nu een nog lagere uitkering, de leden van de raden van bestuur hadden vorstelijke salarissen en kregen bij ontslag ontzagwekkende bonussen mee. De leden van de raden van commissarissen hadden het nog beter, zij kregen voor een luttel arbeid al vorstelijke salarissen en stappen van het ene bedrijf naar het andere tegen beloningen waar de gewone arbeider alleen van kan dromen. Het is die tegenstelling die de Psalmdichter op het oog heeft. Daar waar er zoveel armen zijn kunnen immers nooit zo buitensporig rijke rijken zijn, een gelovige heeft immers te delen met de armen. De Psalmdichter heeft het niet voor niets over het hart van het heiligdom, daar waar de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf wordt bewaard. Maar je hebt de steun van de God van die Wet voortdurend nodig, want altijd weer opnieuw zijn er mensen die misbruik maken van de voorspoed die God aan de mensen schenkt. Altijd weer zijn er mensen die niet willen delen maar alles wat ze krijgen zelf houden en gebruiken om er nog rijker mee te worden. Daarom kan de Psalmdichter zijn Geest in de handen van God leggen, het kan niet anders dan dat de Psalmdichter zich wel aan de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf wil houden, dus wil handelen in de Geest van God. Die Geest zal veel later de Trooster worden genoemd. In het Oude Testament wordt over die Geest gesproken als over de adem van God, met de adem van God kun je spreken, kun je zingen. Maar die adem van God bevat ook het leven, met die adem werd de mens het leven gegeven en door te delen geef je met die adem ook anderen het leven. Zo zingen we ook vandaag, de dagen van voedselcrisis en financiële crisis, deze Psalm mee.

Niemand met enigerlei gebrek

zaterdag, 23 mei, 2009

Leviticus 21:13-24

Hoe kun je nu geloven dat we een volk van Priesters en Koningen moeten zijn als zoveel mensen worden uitgesloten van het Priesterambt. Hier worden immers alle gehandicapten uitgesloten? En juist de gehandicapten en chronisch zieken hebben onze extra aandacht nodig, zeker als het gaat om baantjes, zeker als het gaat om een plek in de gelovige gemeenschap. Dat is allemaal waar maar we moeten dit gedeelte lezen in de traditie van het afzonderen voor God. Voor God was het beste nog niet goed genoeg. Aan een offerdier mocht geen haartje of veertje afwijkend zijn of scheef zitten. Offerdieren moesten volmaakte dieren zijn, waren ze dat niet dan moest je ze zelf maar opeten. Zo ook met de Priesters, ze moesten volmaakt en zonder enige fout zijn. Dat wordt in dit gedeelte nog eens onderstreept. Alleen het volmaakte dient God. En ons dienen van God moet dus volmaakt zijn. Als ons dienen van God volmaakt is dan maakt het ook niet meer uit of we gehandicapt zijn of niet, want als ons dienen van God volmaakt is dan zijn we zelf ook volmaakt. Nu is ons dienen van God zelden volmaakt. We hebben immers onze grenzen, we kunnen niet de hele wereld op ons nek nemen. We zijn Jezus van Nazareth niet die de zonden van de hele wereld kon dragen zoals dat zo vaak zo mooi is gezegd. Wij zijn zo niet. Wij hebben onze liefhebberijen, wij hebben onze geliefden voor wie we ook moeten zorgen. Wij zijn er niet altijd zeker van wat onze naaste nodig heeft. Wij zijn niet zonder zonden. Wij leven dus van genade want als we niet zo volmaakt zijn zoals de Priesters hier worden beschreven dan zouden we eigenlijk niet mee mogen doen. We mogen echter wel meedoen, we worden zelfs geroepen om mee te doen. Dat komt omdat we er telkens weer opnieuw mee mogen beginnen, we mogen ons telkens omkeren en weer opnieuw een poging wagen om God op een volmaakte manier te dienen door onze naaste lief te hebben als onszelf en als we daarin tekort schieten dan beginnen we weer opnieuw. En omdat we opnieuw mogen beginnen, omdat we daar dankbaar voor mogen zijn, willen we het steeds vaker en steeds beter doen en groeien we naar volkmaaktheid, een volmaaktheid die we geschonken krijgen van God die ons steeds weer nieuwe kansen geeft. Jezus van Nazareth is ons daarin voorgegaan, hij droeg immers de liefde van God zelfs door de dood heen. We zullen dus net als de schrijver van Leviticus het volmaakte voor ogen moeten houden als het gaat om de dienst aan God. Is de situatie van onze minste broeders en zusters al volmaakt? Hebben alle hongerigen te eten, zijn alle bedroefden getroost, hebben we een samenleving in de wereld waar iedereen mag meedoen en niemand meer bang hoeft te zijn? De vraag stellen is hem beantwoorden, de wereld is bij lange na niet volmaakt, daar valt voor ons nog heel veel werk voor te doen, dat mag dus.

Respecteer zijn heilige status

vrijdag, 22 mei, 2009

Leviticus 21:1-12

In het Nieuwe Testament worden de gelovigen opgeroepen om een volk van Koningen en Priesters te worden. Wat Koningen zijn weten we maar al te goed, overal op aarde zijn er immers machthebbers die zich beter wanen dan hun onderdanen, die zich weten te verrijken en boven elke wet verheven achten. Maar wat zijn Priesters in dit verband. Dat zijn toch niet de vrijgezellen van de Roomse zogenaamde Kerk die, zoals nu in Ierland weer eens is gebleken, kinderen voor hun leven beschadigen. Zij worden Priesters genoemd om de macht van de Roomse zogenaamde Kerk over gelovigen te bevestigen. Zonder hen kunnen die arme gelovigen immers niet zalig worden. Als arme weesjes zijn zij achtergebleven toen hun Heer Jezus van Nazareth de troon aan de rechterhand van God besteeg en alleen door de Priesters kunnen ze in contact met God komen. Protestanten verwerpen dit geloof als afgoderij. God is direct aan te roepen door de gelovigen en samen moeten gelovigen een volk van Koningen en Priesters worden. In het Bijbelgedeelte van vandaag lezen we wat dat Priester zijn in houdt. “Hij biedt jullie God voedsel aan” staat er en wat mag dat dan wel betekenen. Offers in de Tempel werden immers gedeeld, het zijn de Priesters en levieten die er van eten en als alles goed gaat dan richten de gelovigen in de Tempel een maaltijd aan met hun familie, de armen, de slaven, de vreemdelingen en de dienaren van de Tempel. Dat voedsel aan God aanbieden is dus het voordoen hoe met de minsten op aarde gedeeld moet worden. En verder zie je, als je nauwkeurig leest, dat een Priester het leven moet kiezen en niets, ook zichzelf niet, mag beschadigen. Geen haar knippen, niet pronken met dat haar, geen tatoes, zeker niet om religieuze redenen, en niet met lijken in de weer. Een Priester is er voor de levenden en voor het leven, dat komt immers van God. En wat dan met hoererij? Een vrouw is geen dood object met wie je je lusten kunt bevredigen. Een Priester heeft daarvan het voorbeeld te geven en houdt zich er verre van. In het Oude Testament zijn de Priesters de nakomelingen van Aäron, de broer van Mozes. De Wet van heb Uw naaste Lief als Uzelf is de directe familie van de religie van Israël. In het boek Jozua lezen we later dat recht wordt gesproken door de Levieten, de dienaren in de Tempel die zich overal in het land mochten vestigen juist om recht te spreken. In het Nieuwe Testament zijn het alle gelovigen die tot Priester geroepen zijn. Hun lichaam is de Tempel van God geworden. Zij houden zich bij uitstek bezig met het leven, met het laten leven van de hongerigen door hen te voeden, van de naakten door hen te kleden, van de lammen door hen weer in beweging te brengen en van de blinden door hen het licht te laten zien. Kies dan het leven en maak je niet als wezen afhankelijk van andere machthebbers dan de ene Heer.