Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor april, 2009

Geld heb ik niet, maar wat ik wel heb, geef ik u

maandag, 20 april, 2009

Handelingen 2:43-3:10

Als je niet mee kunt doen in de race om rijkdom wordt je vanzelf een bedelaar. Jongeren die om zich heen zien dat mensen van dezelfde afkomst geen werk krijgen en zeker geen carrière maken komen vanzelf in de criminaliteit terecht. Als de samenleving hen het stempel opdrukt dat ze niet deugen dan moet dat maar en dan zullen ze daar ook het beste in slagen. Lucas beschrijft in het begin van zijn boek de Handelingen van Apostelen een samenleving die tegengesteld is aan de carière maatschappij die we zo goed kennen. De mensen van de Weg van Jezus van Nazareth verkopen alles wat ze hebben, delen dat uit aan de armen en komen elke dag bij elkaar om het brood te breken. Dat brood breken doen ze natuurlijk ter nagedachtenis aan Jezus van Nazareth. Verder wordt verteld dat ze in de Tempel zijn. Niet zo vreemd want daar wordt de Wet bewaard waarin staat dat je je naaste moet liefhebben als jezelf en dat was nu juist het eigenaardige aan de Weg van Jezus van Nazareth. Goed voorbeeld daarvan is het verhaal Petrus en Johannes en de genezing van de verlamde. Zo’n man die moeilijk op eigen benen kon staan en zeker niet zelf zijn brood kon verdienen en meedoen in de race om de beste te worden. Voor hem bleef niet anders over dan zitten bij de Tempelpoort en zich afhankelijk te maken van anderen. Ook hij had een succesvol beroep. Als het de plicht is van iedereen om aalmoezen te geven aan de armen dan zal iedereen het waarderen dat je als arme ook direct bereikbaar bent, dat men niet op zoek naar je hoeft maar voor iedereen zichtbaar de arme zit uit te hangen. De gevers van aalmoezen deden dat dan ook graag in alle openbaarheid zo dicht bij de Tempel in Jeruzalem. Alleen die rare mensen van de Weg van Jezus van Nazareth verstoren het feestje. Die geven geen aalmoes maar die steken hun hand uit. Die zetten mensen in beweging om ook die weg te gaan. Daar heb je immers geen geld voor nodig? Dat hebben ze zelf ook niet. Daar heb je een gemeenschap voor nodig die je neemt zoals je bent, die niet vraagt hoe rijk je wel niet wordt, waarin je de beste bent, maar die alleen van je vraagt dat je deelt en af en toe ook een hand uitsteekt. Dan ben je geen bedelaar meer maar dan doe je als gelijke mee. Zo’n gemeenschap zal niet lang standhouden zul je zeggen, dat is een idealisme dat elke zin voor realiteit tart. Toch zijn er tot in onze dagen telkens weer mensen die het proberen. Die huis en haard verlaten om samen gemeenschap te worden, gemeenschappen waar iedereen aan mee mag doen en niemand bedelaar hoeft te worden. Na verloop van tijd lossen die gemeenschappen zich vaak weer op. Maar de droom blijft, zolang mensen er aan blijven werken zal er ooit een andere wereld komen. Een wereld waar iedereen samen die gemeenschap vormt waar geen bedelaars en boeven meer hoeven te zijn. Een wereld waar God zelf zal willen wonen.

Leven voor altijd.

zondag, 19 april, 2009

Psalm 133

De eerste zondag na Pasen heet in de kerken “beloken Pasen”. We weten het dan wel met dat verhaal over de opstanding van Jezus van Nazareth. In de kerken wordt op die zondag het verhaal van de ongelovige Thomas gelezen, de apostel van eerst zien en dan geloven. De volgelingen van Jezus van Nazareth zitten nog steeds bij elkaar in een huis in Jeruzalem. En over dat bij elkaar zitten gaat de kleine Psalm die we vandaag lezen. Alleen hebben we hier weer te maken met een groot vertaalprobleem. In het Duits wordt vertaald met “Geschwester” waar wij broeders lezen. In het Hebreeuws staat een woord dat familie van de zelfde stam aanduidt. Een goed Nederlands woord is er niet voor. Huub Oosterhuis heeft deze Psalm ook vertaald en hij laat het in het midden, bij hem luidt het eerste vers : “Alleen kan ook, met twee of drie, met twaalf, of zeven maal zeven, eendrachtig.” Daar hoor je de belofte van Jezus van Nazareth in terug dat waar twee of drie in zijn naam bijeen zijn hij ook aanwezig zal zijn. In het verhaal over die apostel Thomas verscheen hij inderdaad. Onze Psalm heeft het dan over Priesters die gezalfd zijn en ook de gemeenschap van gelovigen, van de Wet van Jezus van Nazareth wordt wel een gemeenschap van Koningen en Priesters genoemd. Zo lezen we de Psalm als een oproep om samen te zijn in de Geest van de God van Israël, in de Geest van Jezus van Nazareth voor ons Heidenen. Het idee dat je op je eentje ook wel Christen kan zijn wordt hier ter discussie gesteld. Gelovigen in de nieuwe wereld van Jezus van Nazareth geloven nu eenmaal in een samenleving, een samenleving waaraan iedereen deel kan hebben. En een samenleving heb je nu eenmaal niet op je eentje, die heb je alleen maar samen. Huub Oosterhuis besluit zijn vertaling van deze Psalm met “zo voelt de nieuwe wereld die komen zal” , in de Nieuwe Bijbelvertaling, die wij hier lezen staat ” leven voor altijd”. Dat is dus hetzelfde. Samen, in een gemeenschap van gelovigen, mogen we alvast ervaren wat ons te wachten staat in die nieuwe wereld. Daar zorgen mensen voor elkaar en voor de minsten op de aarde, daar zingen mensen voor elkaar, daar is iedereen welkom, daar worden verhalen verteld van die nieuwe wereld, daar mag je er nog best aan twijfelen, maar daar mag je het ook zien gebeuren. Die samenleving stuurt je de Weg op, de Weg van Jezus van Nazareth. Die samenleving inspireert je om anderen te helpen, om zicht te krijgen op wie de minsten zijn, om kracht te krijgen om je in te zetten voor hen die zwak zijn en onderdrukt. Daar wordt je dus gezegend, zodat van jou en van allen in die samenleving zegen mag uitgaan, het goede dus. Die samenleving is vlak bij, in de kerk om de hoek van de straat. Stap maar eens binnen.

Ik doe juist wat ik haat.

zaterdag, 18 april, 2009

Romeinen 7:13-25

Bij het lezen van dit kleine stukje uit de Bijbel moeten we voortdurend voor ogen houden dat het Paulus is die dit schrijft. Paulus, de Apostel, de zendeling, die onvermoeibaar van de ene naar de andere stad reist om het Evangelie van Jezus van Nazareth te verkondigen en om gemeenschappen te stichten waar het Koninkrijk van God alvast zou kunnen beginnen. Hij schrijft aan de gemeente in Rome dat hij doet wat hij haat. Dat kan toch moeilijk zijn dat wat wij weten dat hij gedaan heeft. Dat reizen en dat stichten van gemeenschappen, dat vertellen van Jezus van Nazareth, het dicteren van brieven, dat kan toch niet hetgeen zijn dat hij haat. Dat was toch geen zonde. Door het werk van Paulus hebben we het nog steeds over die nieuwe wereld die zal komen en waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Het werk van Paulus zet ons nog steeds er toe aan om aan dat nieuwe Koninkrijk alvast te beginnen. Wat is het dan dat Paulus in zichzelf zozeer haat? Het kerkelijk antwoord is “de zonde”. Maar dat begrip is uitgekauwd en versleten. Er zijn onder ons predikers die niet anders roepen dan dat je moet geloven in Jezus van Nazareth zodat je gered zal worden van de zonde. Maar wat geloof je dan en waarom zou je ergens van gered moeten worden? Paulus schrijft hier ook dat wat hij wil hij niet doet. Misschien maakt dat ons wat duidelijker. Wij willen immers ook zo vaak dat het beter gaat in de wereld? Dat de onrechtvaardige handelsverhoudingen rechtgezet worden, dat homo’s en andere minderheden niet meer gediscrimineerd worden, dat er geen onderscheid meer is tussen vrouwen en mannen, dat gevangenen als mensen behandeld worden en een eerlijk proces krijgen, dat iedereen mag meepraten in de samenleving en dat alle tranen gedroogd zullen zijn. Maar we kunnen niet alles op onze nek nemen. Door alle regeltjes die ons opgedrongen zijn weten we dat we niet onophoudelijk het goede kunnen doen en niet dan het goede. Ooit, toen God begon met de mensen, was de zonde het eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Omdat wij ons dus voortdurend afvragen wat het kwade is waar we ons tegen moeten verzetten vergeten we het goede te doen. Is het wel het goede? Zit er geen eigenbelang achter? Worden we niet voor de gek gehouden? Wordt er geen misbruik van ons gemaakt? Zo vaak slaan we de plank mis, zien we de mensen langs de kant van de weg niet staan, zijn de hongerigen en dorstigen mensen in een ver van ons bed show. We vergeten gemeenschappen te vormen die de wereld aankunnen. We vergeten bondgenootschappen te vormen zodat zaken veranderen. Maar we hoeven ons er niet schuldig over te voelen. Het is onze natuur, wat wij doen deed Paulus ook al. En door Jezus van Nazareth, door God, mogen we elk moment weer opnieuw beginnen het goede te doen, dag in dag uit, elk ogenblik, in Bijbelse en kerkelijke termen heet dat “genade”.

Zet uw zinnen niet op wat van een ander is

vrijdag, 17 april, 2009

Romeinen 7:7-12

Een mooi stukje vandaag over wat wij in onze taal argeloosheid noemen. Argeloos is iemand die iets doet zonder er bij na te denken of het mag of dat het wel  zo hoort. Het enige dat telt is of het goed is en of het plezier geeft. Als je dus altijd argeloos het goede doet dan doe je nooit iets verkeerd. Zo beleeft Paulus ook de slavernij van de wet. De wet dwingt je om je altijd af te vragen wat er goed is en wat er fout is. In het verhaal over hoe God vanaf het begin met mensen om is gegaan staat dat God de mens verbiedt om te eten van van de boom van kennis van goed en kwaad. Het was kennelijk de bedoeling dat de mens argeloos zou blijven en het goede zou doen alleen omdat het goed was en omdat het plezier zou geven. Kennis van goed en kwaad levert de zonde op. Niet dat de wet verkeerd was of is. Als iedereen in het verkeer willekeurig aan de linkerkant of de rechterkant van de weg zou rijden dan komen we geen van allen veel verder. Het is daarom goed een keuze in de wet vast te leggen en mensen die zich daaraan niet houden daarop aan te spreken. Maar of je in de wet vastlegt dat er links of rechts gereden wordt is een kwestie van smaak. Wie landen ziet waar niet rechts maar links gereden wordt zal zien dat het verkeer dat niet veel anders is dan bij ons, het beweegt zich alleen aan de andere kant van de weg. Zo zijn er veel wetten en regels die ook het tegendeel zouden kunnen zijn. Zelfs de regel die Paulus citeert over de begeerte kan anders worden uitgelegd. Iemand die honger heeft zal zijn zinnen zetten op voedsel. Dat het voedsel van een ander is zal niet uitmaken. Leven is belangrijker dan begeerte, of afzien van begeerte. Als wij pleiten voor rechtvaardige handelsverhoudingen dan geven we stem aan het verlangen van de armsten in de wereld gelijke kansen te krijgen als de rijken al hebben. De roep om te delen met de armsten weerspiegeld ook het verlangen te kunnen beschikken over een klein stukje van de rijkdom van de rijken. Dat kleine stukje maakt voor velen het verschil tussen leven en dood uit. Maar gevangen zijn in de wet en weet hebben van begeerte als zonde, kan maken dat je je broeder laat hongeren, dat je je zuster bij de put laat omkomen van dorst, dat kinderen sterven bij gebrek aan medicijnen, dat dorpen en steden ontvolkt worden door een verkeerde benadering van aids. Die gevangenschap in de wet kan goedbedoelende eerlijke mensen tot misdadigers tegen de mensheid maken. Daarom zoeken we met Paulus naar de vrijheid van de Liefde. De vrijheid die ons is voorgeleefd door Jezus van Nazareth. Bij die vrijheid gaat het om de liefde tot de minsten op aarde, daarbij kiezen we voor het leven en nemen argeloos op de koop toe wat daarvoor nodig is.

Ons leven moet vrucht dragen voor God

donderdag, 16 april, 2009

Romeinen 7:1-6

Je hoort Paulus grommen als het over de wet gaat zoals die in zijn tijd werd beleefd. Want het was niet meer de Joodse Wet van de Woestijn. Dat was een Wet die je in beweging zette. Door die Wet kon je samen de Woestijn doorkomen. In de woestijn moet je immers onvoorwaardelijk op elkaar kunnen rekenen, dan moet je er zeker van zijn dat de mensen om je heen je niets willen aandoen en de mensen om je heen moeten op jou kunnen vertrouwen. Dat is niet een soort Wet waar je de regeltjes van moet kennen maar een soort Wet waarvan je de bedoeling in je vingers moet hebben. Die beleving was verdwenen. Het was de beleving van Romeinse Wet geworden. Die wet bestaat uit regeltjes en uitleg van regeltjes en vonnissen over de toepassing van de regeltjes en uitleg van de vonnissen over het toepassen van de regeltjes. Daar is elke menselijkheid uit verdwenen. De verhalen over die wet klinken altijd wel redelijk maar net zo gemakkelijk merk je aan den lijve hoe onmenselijk die regeltjes geworden zijn. Dan laat je je leiden door opvattingen over wat mag en wat niet mag. En als je eens iets wilt dat eigenlijk niet mag dan redeneer je net zolang door totdat je beredeneerd hebt dat het wel mag. Dat soort wetsbeleving leidt uiteindelijk tot de dood, dan mag er niks meer en dan doe je dus alles waar je zin in hebt, dan doet iedereen dat en zorgt iedereen alleen nog maar voor zichtzelf. Je raakt gevangen door de wet. Dan regeren hebzucht en eigenliefde. Dan zijn we zo weer in tijden van financieële crisis en economische crisis. Dan raken tallozen zonder werk en gaan enkelingen er met miljoenen vandoor. Dat is de manier van leven waar Paulus stelling tegen neemt. Zijn manier van leven gaat uit van de Geest. Als je de dingen doet in de Geest van Liefde dan gaan ze heel anders. Dan speelt de vraag wat goed is voor een mens en wat niet. Dan speelt niet de vraag wat goed is voor jezelf zonder aan anderen te denken maar dan speelt alleen de vraag wat goed is voor de ander zonder aan jezelf te denken. Dan gaat het niet om die ander waar je nog van te verwachten zou kunnen hebben, om de ander waarmee het ook goed gaat, maar dan gaat het om de ander die het nodig heeft, de minsten onder ons. Want als we er in slagen het met de minsten op de wereld beter te laten gaan dan gaat het beter met de hele wereld. Dat voelt aan als een bevrijding, niet meer gevangen te zitten in regeltjes en uitleg van regeltjes maar vrij te zijn en te mogen handelen uit Liefde. Niet meer je af te hoeven vragen wat jij wel mag en een ander niet, of jij niet en een ander wel, maar alleen nog maar hoeven te vragen hoe het goed, of beter, kan gaan met de ander en hoe jij daar aan zou kunnen bijdragen. Dat is kiezen voor het leven, dat is de weg die Paulus ons hier laat zien, de Weg van Jezus van Nazareth.

In dienst van zedeloosheid en onrecht

woensdag, 15 april, 2009

Romeinen 6:15-23

Als je oppervlakkig naar het Christelijk geloof kijkt dan wordt het leven een luilekkerleven. De mens is immers niet bekwaam tot enig goed en slechts geneigd tot kwaad en God vergeeft keer op keer opnieuw. Oppervlakkig gezien zou je dus kunnen doen wat je wilt, genieten wat er te genieten valt zolang je maar vertrouwt op de genade van God dat uiteindelijk alles wel goed zal komen. Paulus bestrijd deze oppervlakkigheid. Hij moest wel want een geschreven wet met talloze regeltjes, jurisprudentie en interpretaties was volgens hem niet voldoende om de samenleving tot stand te brengen die God voor ogen had gestaan, een samenleving waar aan ieder mens recht wordt gedaan en waar dus geen honger en armoede, geen onderdrukking en slavernij meer zal zijn. En dus kun je er ook niet op los leven als je gelooft in de weg van Jezus van Nazareth om tot die goddelijke samenleving te komen. Je in dienst stellen van gerechtigheid daar gaat het om volgens Paulus. Dan moeten we ons dus voortdurend bekommeren om de mensen die onrecht wordt gedaan. De mensen die niet kunnen concureren met de gemechaniseerde, door wetenschap gestuurde, gesubsidieerde landbouw uit het rijke westen bijvoorbeeld. De overschotten van die landbouw maken dat boeren die niet hebben kunnen mechaniseren, niet kunnen leunen op wetenschap en geen subsidie krijgen voor hun producten, failliet gaan en zelfs hun landgenoten niet kunnen voeden. Dag in dag uit schreeuwt dat onrecht tegen de hemel en gelovigen zijn geroepen om die schreeuw in deze wereld stem te geven. Want zedeloosheid is niet alleen sexuele zedeloosheid, ongeremdheid in het met elkaar lichamelijk omgaan. De zedeloosheid en het onrecht waar Paulus het over heeft zit ook in de handelsverhoudingen die mensen de dood in drijven. Natuurlijk zit die zedeloosheid ook in mensenhandel, ook in het exploiteren van mensen als objecten. Al die zaken leiden tot de dood. In elk dorp, in elke stad, in elk land, in de hele wereld zijn we dus geroepen om mensen op te sporen die nog uitgebuit, onderdrukt en genegeerd worden. Uit de opstanding uit de dood moeten we leren dat we mensen in dodende omstandigheden moeten laten opstaan tot leven. Dat is de echte genade van God dat we weten dat het kan, dat het zin heeft en dat het zelfs de enige zin is van het leven dat allen leven. Daarbij gaat het er niet om of we er zelf beter van worden. De genade van God is niet een soort beloning voor het goede dat we doen. Het goede dat we doen kunnen we niet laten vanwege die genade van God, we weten dat het helpt, dat het mensen tot leven brengt, dat het mensen in de gelegenheid stelt zelf bij te gaan dragen aan de gemeenschap van mensen, dat tranen worden gedroogd, dat lammen gaan lopen en blinden gaan zien. Van die genade mogen we leven.

Niet langer slaven van de zonde zijn.

dinsdag, 14 april, 2009

Romeinen 6:1-14

Zo de Paasdagen zijn voorbij en we mogen iedereen vertellen dat er een nieuw leven is aangebroken. Paulus was de eerste die er echt op uittrok om dat aan iedereen te vertellen en hij schreef er nog brieven over ook. Zo’n brief waaruit we vandaag een stukje lezen. De brief aan de Romeinen. Die wisten ook dat Jezus van Nazareth gestorven en begraven was. Maar volgens Paulus was dat sterven van Jezus van Nazareth niet vergeefs. Ons oude ik, van hebben en houwen, moet immers ook sterven en plaatsmaken voor een ik in de geest van Jezus van Nazareth, een ik van breken en delen. In de loop van de geschiedenis is het begrip zonde misschien wel verworden tot het meest irritantste begrip uit de Christenheid. Soms lijkt het of predikers je willen overladen met zonde. Het kan hen niet zondig genoeg zijn. Terwijl er toch zo te zien allemaal heel fatsoenlijke mensen onder hun gehoor zitten. Nu ja, sommige onderzoekers zeggen dat in Kerken waar het woord zonde het meest valt ook de meeste misbruik van kinderen voorkomt. Hoe het ook zij, over het algemeen hebben we geen anderen nodig om ons te vertellen wat we verkeerd hebben gedaan. Veel moeilijker is het om de weg naar het goede te vinden. Paulus heeft daarom ook ergens geschreven dat we ons niet met kwade maar juist met het goede moeten bezighouden. Daarom zul je in veel kerken op de avond voor Paasmorgen de hernieuwing van de doopbelofte tegenkomen. Dat verhaal van Jezus van Nazareth begon immers met de doop door Johannes in de Jordaan om een oude manier van leven af te spoelen en een nieuwe manier van leven te beginnen. Bij die beweging mogen we ons aansluiten. Paulus schrijft dat we in Christus gedoopt zijn. En we denken dan netjes dat bij de doop de naam van Jezus van Nazareth klinkt, maar dat staat er niet. Als je het heel letterlijk vertaalt staat er dat we in Christus ondergedompeld zijn. En dat betekent het ook, we zijn er van doordrongen en daarom kan het ook. Want elke dag opnieuw, ja elke ogenblik weer mogen we opnieuw beginnen te leven zoals Hij. Want we hebben gehoord en geleerd dat de Liefde van Jezus ook de Liefde van ons voor onze naaste mag zijn en dat we die Liefde door de dood heen mogen volhouden. We mogen hongerigen en dorsten naar gerechtigheid en niemand houdt ons af van het voortdurend roepen tot de machtigen en rijken dat er geleden wordt en gehongerd en dat het tijd wordt voor een nieuw koninkrijk op deze wereld waar gedeeld wordt en gezorgd en waar alle tranen worden uitgewist. Wij mogen alvast beginnen met dat nieuwe koninkrijk en opstaan tegen alles wat dat nog tegenhoudt. Wij mogen blijven roepen dat er onrechtvaardige handelsverhoudingen zijn en dat het oplossingen van die verhoudingen voorrang moet hebben op het opbouwen van eigen economieën door het beschermen van de eigen landbouw. Wij mogen blijven roepen dat de verspilling van grondstoffen en fossiele brandstoffen als eerste de armsten in de wereld treft. Wij mogen mopperen over duur autorijden, er zijn mensen voor wie het eten koken al te duur is geworden. Wij mogen roepen dat we niet onszelf voorop moeten zetten bij het oplossen van de crises maar de armsten en de zwaksten. En we blijven net zolang roepen tot het werkelijkheid wordt, ook al duurt dat nog eeuwen en eeuwen.

Maar ook zij werden niet geloofd.

maandag, 13 april, 2009

Marcus 16:9-20

Het is ook een ongeloofelijk verhaal. De gemeenten die het verhaal van Marcus hadden gelezen zullen gezocht hebben naar een passend einde van het verhaal over Jezus van Nazareth. Dat einde kon toch niet de verwarring van de vrouwen zijn waarmee Marcus oorspronkelijk zijn verhaal had afgesloten? Ook niet de boodschap dat iedereen maar weer gewoon naar huis moest gaan. Voor die eerste gemeenten was er iets nieuws begonnen, iets echt nieuws. Daarvoor waren ze bij elkaar op de eerste dag van de week, daarvoor lazen ze dat hele verhaal van Marcus aan elkaar voor. Hoe die laatste verzen aan het verhaal van Marcus zijn toegevoegd weten we niet. Misschien is het verhaal wel teruggestuurd naar de schrijver, met de vraag hoe het verder ging met dat verhaal van Jezus van Nazareth. Er zijn twee versies van een nieuw slot aan het Evangelie. De ene zegt dat de vrouwen alles aan Petrus en de zijnen hadden verteld maar niet geloofd werden en dat Jezus van Nazareth toen maar zelf was verschenen en ze had opgedragen om dat goede nieuws aan iedereen te gaan vertellen. Het andere slot heeft het uiteindelijk gehaald en dat is wat we vandaag lezen. Ook daarin wordt benadrukt dat het niet werd geloofd. Nu worden vrouwen vaak niet geloofd en dat overkwam ook Maria van Magdala. Ze was vroeger niet helemaal goed bij haar hoofd geweest, Jezus van Nazareth had wel zeven demonen uitgedreven, een behoorlijk genezingsproces zouden we tegenwoordig zeggen. Maar geloven deden ze het niet. Ook niet toen twee van de volgelingen Jezus van Nazareth buiten de stad tegen waren gekomen, dat kan toch niet hebben ze geroepen. Maar uiteindelijk verscheen hij aan de elf, Judas was immers een andere weg ingeslagen, en was Jezus van Nazareth duidelijk ontstemd over dat ongeloof. Dat nam niet weg dat die volgelingen van Jezus van Nazareth de opdracht kregen om de hele wereld rond te trekken en aan iedereen het goede nieuws bekend te maken. Als je gelooft en een nieuw leven wil beginnen, dat doe je door je oude leven af te spoelen en je dus te laten dopen, dan zul je gered worden. Die eerste gemeenten dachten nog dat Jezus van Nazareth direct terug zou komen om te oordelen wie goed had gedaan en wie niet. Pas veel later zou een briefschrijver de gemeente er op wijzen dat je moet leven alsof Jezus van Nazareth vandaag of morgen echt terugkomt. Dan hou je het goede doen ook pas echt vol. Maar het kwade verdrijven en contact leggen met iedereen in de wereld, de taal spreken van iedereen , hoort nog steeds bij gelovigen. Immers oog hebben voor de minsten, liefde voor de naaste, maakt dat je mensen echt kunt helpen en ook echt contact krijgt met anderen. Waar Jezus van Nazareth ondertussen is? Bij God, zoals we mogen geloven dat onze gestorven geliefden bij God zijn. Maar zij gingen op weg, wij mogen op weg gaan om iedereen te laten weten dat er geen honger hoeft de zijn, die iedereen gekleed kan worden, dat bedroefden getroosd en gevangenen bevrijdt kunnen worden. Dat die nieuwe wereld ook voor ons voor het grijpen is.

Hij gaat jullie voor naar Galilea

zondag, 12 april, 2009

Marcus 16:1-8

Begint alles nu gewoon weer opnieuw? Het was immers in Galilea begonnen? Daar kwam Petrus vandaan, daar kwamen ook de anderen vandaan. De vrouwen hadden nog zo geloofd dat het niet afgelopen zou zijn. Ze hadden op de eerste dag van de week, toen de markt weer open was, geurige olie gekocht om het lichaam van Jezus van Nazareth te balsemen. Zo vroeg mogelijk waren ze daarmee naar het graf gegaan. Ze hadden op de dag van de kruisiging, de avond van de voorbereidingsdag, zelf gezien hoe Jezus van Nazareth in dat graf gelegd was. En, o ja, ze hadden ook gezien hoe die Josef van Arimathea een grote steen voor het graf gerold had. Niks voor vrouwen om die weer weg te rollen. Maar de steen was al weggerold en toen ze het graf binnengingen zat daar een in het wit geklede jongeman. In kerkelijke verhalen werd die al snel een engel, maar dat staat er niet. Wie of wat die jongeman was en wat die daar eigenlijk deed vertelt Marcus ons niet. En die jongeman heeft een ongeloofelijk verhaal. Jezus van Nazareth is niet in het graf, hij is opgewekt uit de dood. Wat dat is en waar die dan wel is en hoe dat gegaan zou moeten zijn wordt er door de jonge man niet bij vertelt. Dat weten we dus ook niet. Jezus is dus niet opgestaan uit de dood, of uit de doden zoals in kerken vaak wordt verteld, hij is opgewekt uit de dood. En iets nieuws is er niet bij. Hij heeft geen boodschappen achtergelaten, hij heeft een boodschap vooruit gezonden want dat ze naar Galilea moesten gaan had hij vooraf al gezegd. En dan sluit het evangelie van Marcus af. Het eindigt met zwijgen, met schrik en angst. Later bevredigde dat toch niet helemaal en zijn er nog een paar verzen aan toegevoegd. Maar het verhaal over het lege graf en de opwekking van Jezus van Nazareth eindigt met een vlucht bij het graf vandaan. Als het door moet gaan met het verhaal van Jezus van Nazareth dan moet je niet bij een graf zijn, zelfs niet bij een leeg graf. Dan moet je kennelijk weer gewoon naar huis. Daar zijn de naasten om lief te hebben als jezelf. Daar is het kruis dat je achter Jezus van Nazareth mag opnemen. Daar is die nieuwe gemeenschap die hij zo vaak het Koninkrijk van God had genoemd. Daar kom je hem tegen in de minste van zijn broeders. De vrouwen die bij hem gebleven waren tot in zijn dood toe, bij hem wilden blijven tot in het graf, voor hem wilden blijven zorgen zoals ze al die tijd hadden gedaan, kwamen tot hun schrik tot de ontdekking dat een graf een lege verblijfplaats is. Daar gaat het niet door, daar eindigt het verhaal. Als je door wilt gaan dan moet je weer naar huis, naar je eigen omgeving, daar gaat het door met Jezus van Nazareth, daar kom je hem weer tegen, dat kan de dood niet en nooit meer tegenhouden.

Daarna legde hij hem in een graf

zaterdag, 11 april, 2009

Marcus 15:40-47

Als je dit verhaal nauwkeurig leest en goed beseft dat het een Joods verhaal is dan merk je dat Jezus van Nazareth in het verhaal van Marcus niet op een vrijdag gekruisigd is maar op een donderdag. In de Joodse traditie begint de dag in de avond en op de avond van de voorbereidingsdag kwam Josef van Arimathea. Die voorbereidingsdag is de vrijdag, dan moet alles klaargemaakt worden voor de Sabbath, de rustdag, de dag waarop er niet gekookt kan worden, niet gewerkt, niet schoongemaakt en niet gereisd. Op die dag mag je naar de Tempel of de Synagoge en verder niks. De dag er voor moet je dus schoonmaken en koken en alles klaarzetten wat je op de Synagoge denkt nodig te hebben. En die Sabbath begint in de avond met het aansteken van de kaarsen. In Joodse huizen gaat het nog steeds zo. Op de avond van die voorbereidingsdag, voor ons de donderdagavond dus, komt die Josef van Arimathea volgens het verhaal bij Pilatus en vraagt het lijk van Jesus van Nazareth. Nu was die Josef zelf een belangrijk lid van dezelfde raad die Jezus van Nazareth ter dood had gebracht en die aan Pilatus had gevraagd om hem ter dood te brengen. Anders had hij het lichaam van Jezus van Nazareth nooit meegekregen. De Romeinen begroeven gekruisigde misdadigers direct onder de kruisen in het zand, de heuvel had niet voor niets de bijnaam “Schedelplaats” gekregen. Maar Jezus van Nazareth werd in een gewoon burgergraf begraven, een graf dat in een rots was uitgehouwen met een steen voor de ingang. Die graven waren vaak wit gepleisterd en ooit had Jezus van Nazareth de Farizeeën nog voor witgepleisterde graven uitgescholden. Ondertussen waren het de vrouwen die Jezus van Nazareth bleven volgen, tot in zijn graf toe. In het verhaal van Mattheüs komen de dicipelen, apostelen en leerlingen niet meer in het verhaal voor. Alleen de vrouwen, Maria van Magdala voorop, blijven hem volgen. Zij zagen hoe het lichaam van Jezus van Nazareth in linnen werd gewikkeld en zullen hebben moeten denken aan dat verhaal over zijn geboorte, toen hij in doeken gewikkeld in een kribbe werd gelegd. Maar nu zou men zeggen dat het verhaal afgelopen was, dood is dood en dan is het over. Niet als je van iemand blijft houden. Dan wordt een graf verzorgd en opgezocht. Dan blijven in onze tijd foto’s achter en is er een sterfdag om te gedenken. Het leven mag verder gaan, je moet de dode loslaten, maar ook het leven met de dode gaat verder. Soms worden monumenten opgericht om te waarschuwen tegen de gewelddadige dood die iemand onnodig heeft getroffen. Soms wordt een stichting opgericht om het lijden van anderen te verzachten dat de dode nog heeft moeten ondergaan. Bijdragen aan zo’n stichting helpt, niet alleen de lijdenden, maar ook de nabestaanden. De vrouwen die bij Jezus van Nazareth bleven ook na zijn dood geven ons het voorbeeld. De liefde blijft ook door de dood heen bestaan en ondanks de dood blijft het mogelijk het goede en niets dan het goede te doen.