Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor april, 2009

Prijs, o volken, onze God

donderdag, 30 april, 2009

Psalm 66
 
Zo, met deze psalm kunnen we er even tegenaan. De werken van God zijn groots. Nou niet denken dat het om individuen gaat, om een individuele redding, of vrede in je hart of zo, nee het gaat om de volken die de weg van God zouden moeten volgen. In deze dagen is dat wel extra belangrijk. We zitten midden in de financiële crisis en als elk volk voor zich een oplossing probeert te vinden dan zijn er alleen oplossingen voor de sterksten, voor de rijksten en dat bedoelt deze Psalm dus echt niet. Alle volken op aarde zullen moeten opkomen voor de armen, voor de zwakken. De rijken moeten bereid zijn om werkelijk te delen, want pas als de hulp voor de armen op gang komt durven  mensen  in zee te gaan met plannen voor  vrede. Die voorwaarden, die  door dat slavenvolk in de woestijn werden ontdekt en die ze voortaan toeschreven aan hun bijzondere God, een God die met ze meetrok, die er voor iedereen was, en waarvan je je geen beeld kon vormen, die werken juist voor de armen en kunnen hen bevrijden van de ellende die ze is overkomen. Het komt er op aan vol te houden. De volken van de aarde zullen werkelijk schouder aan schouder moeten gaan staan en bereid zijn ook internationaal de regels die ze samen opstellen te controleren en af te dwingen. Oude vijandschappen mogen daarbij niet tellen Je vijanden liefhebben zou Jezus dat ooit eens noemen en we weten hoe moeilijk dat is. Na meer dan 60 jaar is elk jaar de aanwezigheid van Duitsers bij de herdenking van de Tweede Wereldoorlog nog steeds een gevoelige zaak. We zullen naast de armen moeten blijven staan, niet bij elke oprisping van geweld roepen dat het bewijst dat het toch niet gaat, zo van “zie je wel”. Zoals over de piraten en de chaos in Somalië zo gemakkelijk gezegd wordt. De zwaarste straffen zijn aan piraten in Somalieland gegeven, maar dat land wordt door de westerse naties niet erkend en niemand weet waarom niet. Ondertussen zullen we ook een proces van vrede en veiligheid in Afghanistan op gang moeten brengen. Daar gaat het nog steeds om een land dat klem zit in een oorlog tussen vijanden op basis van ideologie, de ene overtuiging tegen de andere. Gesprekken over en weer, respect voor opvattingen en zorg voor eerlijk delen zijn daar nog  niet aan de orde. Het kan wel, dat wat met God werd bereikt in de woestijn, dat wat de dichter van deze psalm tot zingen bracht, belooft dat ook in Afghanistan een begin van vrede kan worden gemaakt. Maar alle volken zullen mee moeten willen doen.

Ik zal een vredesverbond met ze sluiten

woensdag, 29 april, 2009

Ezechiël 34:23-31

Ezechiël loopt ogenschijnlijk op de feiten vooruit. Veel van zijn toehoorders zullen hun schouders opgehaald hebben. Voor hen zullen die beloften zeer ongeloofwaardig geklonken hebben. Ze waren immers in ballingschap. De vreemde heersers die hen uit hun eigen land hadden  meegenomen waren toch niet van plan hen snel weer terug te brengen. In het verhaal over de slavernij in Egypte werd verteld dat ze daar wel 400 jaar hadden verbleven en dat verblijf was geëindigd in een wrede slavernij. En dan een koning als David weer op de troon zetten? De machthebbers van Babel zullen wel uitkijken. Een koning in Israël die de onafhankelijkheid van Israël weet te garanderen ook tegen de sterkste vijanden, het is bijna ondenkbaar. Toch heeft die vredesvorst David ook een andere kant. Hij was niet alleen militair heerser die vrede had gebracht aan het volk. Hij had ook de ark met de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf weer in het midden van het volk geplaatst. Zijn zoon had er een Tempel in Jeruzalem voor gebouwd, maar het was David die de Tempeldienst had ingesteld. En in het visioen van Ezechiël zullen de schapen vooral ook op de heuvel van God worden geweid, dat is op de Tempelberg in Jeruzalem. Die Wet moet dus kennelijk weer het middelpunt van het volk worden. Dat kan ook in de ballingschap. Daarom worden natuurlijk de onnutte priesters die zichzelf verrijkten vervangen door een koning die de Wet van eerlijk delen weet in te voeren en te handhaven. Daarvoor hoef je natuurlijk niet op een koning te wachten, daar kun je zelf direct mee beginnen, waar je je ook bevindt. Dan wordt het visioen van Ezechiël niet iets van een verre ongewisse toekomst maar dan wordt het een visioen dat vandaag, hier en nu, kan beginnen. Dan wordt voor ons zo’n visioen niet iets van een ver onbekend verleden maar ook een visioen van vandaag, hier en nu. Want als een volk in ballingschap kan besluiten zich aan de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf te gaan houden dan kunnen wij in een welvarend westers land dat ondanks een financiële crisis ook gaan doen. Dan kunnen we net gaan doen of ook hier een Koning David regeert die deze Wet in het hart van ons volk geplaatst heeft. Christenen wijzen elkaar er graag op dat volgens de verhalen in het Nieuwe Testament Jezus van Nazareth zou afstammen van Koning David en zelfs geboren werd in de stad van David, Bethlehem. Het volgen van Jezus van Nazareth is voor Christenen het Koningschap van David erkennen zoals Ezechiël dat hier heeft bedoeld. Dan zijn we een volk van delen met de minsten op aarde, dan stellen we de bestrijding van de voedselcrisis, waar miljoenen een hongerdood door sterven, boven de bestrijding van de financiële crisis waar de bankiers evengoed miljoenen in hun zak gestoken hebben. Met delen kunnen we vandaag opnieuw beginnen.

Ik zal rechtspreken tussen de schapen.

dinsdag, 28 april, 2009

Ezechiël 34:11-22

Wie zich eens wat verdiept in de onrechtvaardige handelsverhoudingen zal snel iets herkennen van het slot van het Bijbelgedeelte van vandaag. De vette schapen die de magere schapen verdringen en daardoor het leven eigenlijk onmogelijk maken. Je komt dan de Europeese boeren tegen. Die worden gedwongen tot een overproduktie door een eenzijdige subsidie op landbouwprodukten. Of die produkten nu nodig zijn binnen de Europeese Unie of niet doet er kennelijk niet toe. Evenmin overigens als het welzijn van de dieren, het aanzien van het landschap of de aanwezigheid van voeding voor dieren en planten. De overschotten worden gedumpt op de wereldmarkt, soms zelfs met exportsubsidie. De boeren in arme landen, waar geen productiesubsidie bestaat, kunnen tegen dit aanbod van goedkope produkten niet op. Ze gaan dus failliet. Maar die Europeese overschotten zijn nooit voldoende om iedereen in Afrika en Azië te eten te geven. Daarom ontstaan er voortdurend hongersnoden. Een uiterst oneerlijke zaak veroorzaakt door de manier waarop wij in Europa de zaak georganiseerd hebben. Het is een onderwerp dat bij Europeese verkiezingen nauwelijks een rol speelt. Ezechiël wijst er op dat God het op neemt voor de armen. In zijn dagen waren dat de Joodse ballingen die naar Babel gevoerd waren en verspreid waren over heel de aarde. Alleen zij die nauw met de vijanden van Israël wilden samenwerken kregen het goed. Ook trouwens de religieuze leiders die de mensen wijs maakten dat veel geven aan godsdienst voorspoed zou brengen. Uiteindelijk zou het volgens Ezechiël uitlopen op rechtspraak tussen de arme en de rijke schapen waarbij God zelf de rechter zou zijn. Als de liefde voor de armsten der aarde vandaag rechter zou zijn tussen de armsten en de rijken hier in Europa dan zouden die laatsten er niet goed vanaf komen. Dan zou het snel gedaan zijn met de productiesubsidie op landbouw en exportsubsidie op landbouwproducten. Dan zou zelfs de Europeese markt opengesteld worden voor landbouwproducten uit arme landen tegen een concurerende prijs voor de boeren daar. Dat we daarvoor invoerheffingen moeten opheffen bewijst de Fair Trade winkel. Op veel producten moet daar iets meer worden betaald om de producenten, de boeren in arme landen, een eerlijk inkomen te garanderen. Natuurlijk let Fair Trade ook op kennisoverdracht. Door de voorsprong die wij in Europa hadden en hebben op de arme landen is hier ook de studie over efficiënte landbouw en de investering op landbouwmechanisatie tot bloei gekomen. Ook dat ontbreekt in arme landen en ook daarin zullen we moeten delen. Dat rechtspreken tussen rijken en armen is dus niet zo ingewikkeld als we Ezechiël goed durven lezen. Misschien is het ook iets om bij Europeese verkiezingen te betrekken.

Maar de schapen weiden, dat doen jullie niet

maandag, 27 april, 2009

Ezechiël 34,1-10

Leiders van godsdienstige gemeenschappen hebben het altijd moeilijk gehad. Ze moeten tegelijk boven de volgelingen staan en hen richting geven, soms dus voor de menigte uit lopen, maar ook dienstbaar aan de volgelingen zijn. In termen van het Nieuwe Testament heet dat herder en leraar zijn. Twee verschillende beroepen in zichzelf verenigingen. De herder geeft leiding, de leraar sluit zich aan bij zijn leerlingen en gaat nooit verder als zijn leerlingen kunnen komen. De profeet Ezechiël richt zich in het gedeelte dat we vandaag lezen tot de herders. Hij doet dat in een tijd die niet de gemakkelijkste was voor de godsdienstige leiders van Israël. Het volk was in ballingschap en woonde voor het grootste deel in Babel, daar sprak Ezechiël ook de meeste van zijn profetieën. Volgens de profeet zijn de godsdienstige leiders er op uit een luilekker leventje te leiden op kosten van hun volgelingen. Die lopen op allerlei manieren gevaar, die lijden soms honger en gebrek, maar de leiders letten daar verder niet op, als ze zelf maar aan hun trekken komen. We moeten die kritiek niet te gemakkelijk overplanten op onze eigen tijd. Het zijn natuurlijk waarschuwingen die ook aan de leiders in onze tijd gedaan kunnen worden. Bankdirecteuren die meer op hun bonussen letten dan op de veiligheid van de hen toevertrouwde spaarcenten zouden zomaar door Ezechiël kunnen worden aangesproken. Maar om nu bijvoorbeeld de predikanten in de PKN te beschuldigen de gemeenten in de steek te laten omdat ze het ambt zo krampachtig gesloten houden voor anderen dan theologisch wetenschappelijk afgestudeerden gaat te ver. Die predikanten gaat het er om dat er een verantwoorde verkondiging plaatsvindt. Dat ze de gemeente monddood dreigen te maken en de regering van de kerk niet meer samen willen delen met ouderlingen en diakenen vergeten ze. Aan de gemeenten zelf om hun predikanten daar op te wijzen. Maar voorgangers die zich verrijken hebben we in de gevestigde kerkgenootschappen in ons land niet meer. Die vindt je soms in nieuwe groepen van bevlogen leiders die mooi kunnen praten maar die na een tijd er op uit blijken te zijn in de eerste plaats zichzelf te verheerlijken. Maar heeft de profeet het hier alleen over de leiders? Dat is natuurlijk de vraag. Ooit gaf Jezus van Nazareth de visser Simon Petrus de opdracht zijn schapen te weiden louter omdat die Simon Petrus van Jezus van Nazareth hield. En ook gelovigen uit onze tijd zeggen graag dat ze van Jezus van Nazareth houden, ook zij hebben dus de opdracht zijn schapen te weiden. En als je schapen weidt dan zorg je dat ze te eten hebben. Nu daaraan ontbreekt het nog veel te vaak. Veel te vaak hebben mensen honger, worden ze van huis en haard verdreven, gaan ze dood aan geweld en onderdrukking. Willen we niet dezelfde verwijten krijgen die Ezechiël aan de leiders uit zijn tijd richt dan moeten we hard aan het werk, er valt nog veel te doen.

Wie maakt ons gelukkig?

zondag, 26 april, 2009

Psalm 4
 
We kennen ze nog steeds, de singer-songwriters, zangers en zangeressen die met begeleiding van gitaar hun eigengemaakte liederen zingen over wat ze meegemaakt hebben of over wat om hen heen gebeurt. Ook het boek van de Psalmen kent een aantal voorbeelden van zulke liederen. Deze vierde psalm is er zo een. De melodieën kennen we niet meer. Er is alleen nog een muzikale term over. Tenminste de meeste geleerden nemen aan dat het woord sela een muziekterm is. Maar of het nou rust of tussenspel betekent is niet voor iedereen even duidelijk. Dat is op zich ook niet zo erg. Het gaat om de boodschap van de Psalm. En de boodschap voor vandaag is dezelfde als de boodschap voor alle andere dagen, het is beter je naaste lief te hebben als jezelf dan alleen maar jezelf lief te hebben. Geluk zit echt niet in lekker eten en drinken, in koren en wijn. Echte vreugde is er pas als de Wet van de Woestijn, de wet van God gevolgd wordt. Er zijn vele zogenaamde gelukbrengers. De machtigen en de rijken beweren dat zij het gevonden hebben. Maar let eens goed op hoe krampachtig het bezit beschermd moet worden. Hoeveel geld ze uitgeven aan beveiliging. Hoe ze zich moeten laten martelen in schoonheidsklinieken om aan de uiterlijke idealen te voldoen. Hoe zelfs hun winkelen en consumeren gezien moet worden om in de wereld mee te tellen. Pas als je bezit niet meer belangrijk is kun je je veilig ter ruste leggen. En als je weet dat je liefhebt en geliefd wordt is het leven zoet. Toen in 1517 Maarten Luther stelling nam tegen de verloedering in de Rooms Katholieke kerk kwam er een proces van kerkhervorming op gang dat tot vandaag door gaat. Nog in de tijd van Maarten Luther trad in Geneve de kerkhervormer Johannes Calvijn op. Onder zijn invloed zijn alle psalmen op muziek gezet zodat iedereen de psalmen ook mee kon zingen. In de tweede helft van de vorige eeuw zijn op die melodieën nieuwe Nederlandse teksten gemaakt die een berijming vormen van de Bijbeltekst. We kunnen dus nog steeds de gitaar, de citer of de harp pakken en psalm 4 meezingen. De dichter K.Heeroma heeft de tekst van deze psalm gemaakt. Over God zegt hij: “die mij, als ik ben ingesloten, ruim baan maakt en mij weer bevrijdt” Aangezien we toch echt maar één God hebben zijn al die machtigen en rijken die het geluk beloven maar schijnheiligen en leugenaars. Binnenkort wordt er weer op alle mogelijke manieren teruggekeken naar de Tweede Wereldoorlog. Terecht we moeten nooit meer toestaan dat volken en mensen op de weg van dat onnoemelijk leed worden verleid. Dat geldt ook voor onszelf. Voor de Tweede Wereldoorlog werd al gesproken over de zoete vogelaars die arme mensen verleiden op de weg van geweld en eigenwaan. Ook nu nog komt dat voor. Het maken van onderscheid tussen mensen van verschillend geloof, van verschillende afkomst, van verschillende nationaliteit doet sterk denken aan dat wat we nu verkeerd vinden aan de vijanden uit de Tweede Wereldoorlog. Die weg moeten we dus ook nu niet op met onze samenleving. De Wet van de Woestijn nodigt ons uit de vreemdelingen in ons midden actief bij onze samenleving te betekken. Dat doen maakt dus dat we mogen wonen in een veilig huis. Wat houdt ons nog tegen.

Zoon van de vertroosting

zaterdag, 25 april, 2009

Handelingen 4:32-5:11

Dat was een mooie bijnaam die Josef kreeg. Hij was zelf een Tempelbediende, een leviet, en kwam uit Cyprus. Uiteindelijk waren de Joden over heel het Romeinse Rijk verspreid geraakt. Deze Josef had nog een akker. Het hebben van een akker was een belangrijke zaak in Israel. Toen heel veel eeuwen eerder het land werd veroverd had Jozua het land verdeeld onder de families. Van die akkers zou je moeten kunnen leven. Als dat niet meer kon zou je je akker te gelde kunnen maken en zelf voor loon of voor voedsel gaan werken, slaaf worden dus, maar na 50 jaar zou de familie de akker weer terugkrijgen en opnieuw kunnen beginnen. Het was het soort ideaal waar de jonge Christengemeenschap zich graag aan spiegelde. Dat die Josef die akker ging verkopen en het geld aan de gemeenschap schonk was een teken dat ze eindelijk echt samen deden en zich juist daarom geen zorgen voor de toekomst hoefden te maken. Een gemeenschap waar een groot deel van de mensen naar de Tempel gaat om te bidden maar ook om hun overtuiging uit de dragen krijgt niet veel geld binnen. Als je dan ook nog bedelaars van hun lot bevrijdt en opneemt in de gemeenschap zijn er steeds meer mensen die van die gemeenschap afhankelijk zijn. Daarom moet je onvoorwaardelijk op elkaar kunnen rekenen. Mensen die er mee sjoemelen, die de gemeenschap toch niet helemaal vertrouwen of alleen uit zijn op aanzien kunnen doodvallen. Dat is dan ook de boodschap van het tweede deel van het verhaal. Dat onvoorwaardelijk delen met elkaar hebben de jonge christengemeenten dan ook maar heel kort kunnen volhouden. Zoals een dichter in de vorige eeuw zei staan er wetten in de weg en praktische bezwaren. Maar dat je als christengemeenschap als het ware weer terugkeert naar de woestijn waar je onvoorwaardelijk op elkaar moet kunnen bouwen om te kunnen overleven wordt wel duidelijk. Zo was het volk Israel als volk begonnen, daar hadden ze die Wet van je naaste liefhebben als jezelf ontdekt. Uit dat volk kwam die zoon der vertroosting voort. Die jonge christengemeenschappen hadden de cultus van die Wet omgevormd tot een Weg die iedereen op de hele aarde zou kunnen gaan. Een Weg die ook vandaag nog begaanbaar is. Een Weg waarop we de bedelaars langs de kant van de Weg weer zien zitten en de hand kunnen rijken. Een Weg waar we gemeenschappen kunnen vormen om samen sterk te staan voor de minsten op de aarde, samen schrijven met Amnesty International, samen rechtvaardige handelsverhoudingen scheppen met Fair Trade, samen werken in verzorgingshuizen, asielzoekerscentra of gevangenissen. Samen doen wat je kunt doen en elkaar daarin ondersteunen. Dat was de Weg die de Apostelen gingen na Pinksteren en waarin wij ze kunnen navolgen, ook vandaag.

Ze hadden alles gemeenschappelijk.

vrijdag, 24 april, 2009

Handelingen 4:23-31

De discussie over het verbod om nog langer over Jezus van Nazareth te spreken wekte de nodige beroering. Want zo zaten ze niet bij elkaar, ze vormden immers in het hart van de stad een nieuwe gemeenschap rond de Tempel, waar ze elk dag te vinden waren. Daar hadden ze geen eigendommen meer, geen persoonlijk bezit, daar deelden ze alles met elkaar. Zo wilden ze ook samen blijven doen en in een gezamelijk gebed zongen ze Psalm 2, want daar was al de vraag waarom de volken tegen de Heer van de aarde samen spanden. Zij hadden te maken gehad met Herodes, Pontius Pilatus en met het Sanhedrin, de hoge raad van Israël. Eigenlijk waren ze tegen alle autoriteiten om hen heen opgelopen. Maar Jezus van Nazareth had hen voorgeleefd ondanks de dreiging van die autoriteiten gewoon door te gaan. In vrede, in liefde voor de naaste, desnoods tot aan het kruis toe. En dat volhouden had Petrus en Johannes weer bij hun terug gebracht. In de Geest van Jezus van Nazareth wilden ze door en reken maar dat ze met verdubbelde ijver over alles spraken wat Jezus van Nazareth hun had geleerd. Zieken hoefden niet meer ziek te zijn, bedelaars hoefden geen bedelaar meer te zijn. Aalmoezen konden ze niet geven, ze hadden immers geen bezit meer, maar iedereen mocht meedoen met de nieuwe samenleving die ze aan het vormen waren. De zendelingen, in het Grieks de apostelen genoemd, bleven vertellen wat ze in de jaren met Jezus van Nazareth hadden geleerd en waren het levende bewijs dat het verhaal van Jezus van Nazareth ook ondanks de kruisiging door bleef gaan. Ze hadden de Geest van Jezus van Nazareth niet kunnen doden, die was in het graf gegaan en was weer opgestaan. Net zo opgestaan als de bedelaar aan wie Petrus en Johannes de hand had gereikt. Wij kunnen nog wel eens wanhopen over de gemeenschappen waarin het verhaal van Jezus van Nazareth wordt doorverteld, waar nog brood wordt gebroken en de beker wordt rondgedeeld. Van een gemeenschappelijk bezit is al lang geen sprake meer. Dat was ook in de eerste Christengemeenschappen na korte tijd al een herinnering aan het begin. Bij ons lijken die gemeenschappen ook niet meer te groeien. De kerken  lopen leeg en Evangelische en Pinkstergemeenten blijken als doorgangshuis te functioneren. Velen zoeken hun heil buiten te officiële kerken. Het enige dat nog lijkt aan te spreken is het gebod je naaste lief te hebben als jezelf. Dat weten veel mensen nog, daar willen ze zich aan houden. Maar daar hebben we nu gemeenschappen nodig waar Psalmen als Psalm 2 gezongen kunnen worden. Misschien dat we in een tijd zijn waar de hele samenleving zich om kan vormen tot zo’n gemeenschap. Als dat zo is moeten we er maar hard aan werken, want uiteindelijk was de boodschap niet bestemd voor kerken maar voor de hele bewoonde wereld.

Hun verbieden zijn naam nog te gebruiken

donderdag, 23 april, 2009

Handelingen 4:13-22

Wat moet je nu doen als het hele volk ergens achter aanloopt? Bestrijden, negeren of belachelijk maken? Het is een vraag die ook in onze dagen rond ongewenste volksbewegingen speelt. Nu is belachelijk maken iets wat heersers en machthebbers over het algemeen niet zo zal liggen. Ze slagen er maar zelden in. Voor het belachelijk maken moet je bij gewone mensen zijn, mensen die schijnbaar aan de kant staan, journalisten en cabaretiers en zo. Die laatste twee hebben overigens vaak weinig idee van de invloed van hetgeen ze zeggen. Wat zij belachelijk maken mag iedereen belachelijk maken en wat zij serieus nemen neemt iedereen serieus. Daarom durven veel christenen tegenwoordig niet meer voor hun overtuiging uit te komen en nemen veel mensen Geert Wilders en zijn bende serieus. Machthebbers hebben het moeilijker. Als ze bestrijden krijgen ze de massa tegen zich, als ze negeren woekert het kwaad ondershuids verder. In het verhaal over Petrus en Johannes krijgen die het bevel niet meer over Jezus van Nazareth te spreken. Dat kunnen ze niet uiteraard, waar het hart vol van is loopt de mond van over. Dus moeten de machthebbers maar afwachten of de massa het nieuwe speeltje zat wordt. In onze dagen hebben we nog een mogelijkheid. Die geldt voor machthebbers evengoed als voor gewone mensen. We kunnen in gesprek gaan. Petrus en Johannes doen het ons voor. Als ons geboden is van onze naaste te houden als van onszelf hoe kunnen we dan anders gelovenden haten? We moeten dus andere wegen vinden als Wilders en de zijnen ons voor houden. Maar ook wij kunnen niet negeren wat de bende van Wilders drijft, we moeten immers zelfs onze vijanden liefhebben. Daarom moeten we oog hebben voor de angst die hen drijft. Dezelfde angst die kinderen er toe kan brengen in het donker harder te gaan praten of hard te gaan zingen. Het is dezelfde angst die machthebbers er toe drijft verboden en geboden uit te vaardigen en tegenwoordig van iedereen elke stap te willen controleren. Alle internet correspondentie, op elke straathoek een camera, alle computerbestanden aan elkaar gekoppeld. Het is de angst die regeert. Het antwoord dat we volgens de Bijbel zouden moeten hebben is dat we weer een samenleving moeten zien te gaan vormen. Een samenleving waarin gezorgd wordt voor de buren, zodat er niemand lang dood in een huis hoeft te liggen, een samenleving waarin gezorgd wordt voor de kinderen, zodat er niemand voor galg en rad hoeft op te groeien, een samenleving waar het goede in mensen gezocht wordt. Net als de samenleving die Petrus en Johannes wilden vormen, waar een hand naar een lamme bedelaar werd uitgestoken, ook al zat hij al veertig jaar te bedelen. Ook wij kunnen zo onze handen uitsteken.

De steen die door u, de bouwlieden, vol verachting is weggeworpen

woensdag, 22 april, 2009

Handelingen 4:1-12

Als je mensen hun vertrouwde omgeving afneemt loopt het altijd op ellende uit. Petrus en Johannes hadden zich beroepen op de opstanding uit de dood van Jezus van Nazareth. Op basis van dat beroep hadden ze die eerzame bedelaar bij de poort van de Tempel laten opstaan en ophouden met bedelen. Daar komt gedonder van. En zo gebeurde het ook, de elite van de Tempel, de Sadduceeën, die toch al helemaal niet in de opstanding geloofden, schakelden de Tempelwacht in en lieten Petrus en Johannes gevangen nemen. De Hoge Raad werd bijeen geroepen en die vroeg een verklaring. En daar schuilt het probleem voor de Hoge Raad, want daarin zaten ook de Farizeeën en die geloofden wel in de opstanding uit de doden. Ze konden het niet hebben dat de rechtvaardigen die opkwamen voor God, voor de godsdienst van Israël, die zich vasthielden aan de geboden, maar die daarvoor door vreemde overheersers ter dood waren gebracht, niet de beloning kregen die ze verdienden. Daardoor waren ze in de loop van de tijden gaan geloven dat de rechtvaardigen op de jongste dag, aan het eind van de geschiedenis, weer zouden opstaan en door God in zijn nieuwe wereld verwelkomd zouden worden. Voor die nieuwe wereld hadden die mensen immers hun leven gegeven. Het verwerpen van de opstanding uit de doden van Jezus van Nazareth lag voor die Farizeeën dus niet zo direct voor de hand. Petrus maakte het nog erger. Hij beriep zich op Psalm 118 waar gesproken wordt over de steen die door de bouwmeesters ter zijde wordt geworpen maar die uiteindelijk de hoeksteen van het gebouw werd. Als je bouwt zonder cement kan de laatste steen wel eens een zeer onregelmatige steen zijn. Als die past dan rust het hele gebouw als het ware op die steen. En het hele verhaal van die Petrus en Johannes rust op de overtuiging dat het leven van Jezus van Nazareth doorgaat. En het opstaan van die lamme bedelaar kan niet ontkend worden. Dat geeft dus een probleem. Zoals andersdenkenden altijd problemen geven. Christenen in de tijd van Petrus en Johannes, Islamieten in onze tijd. Ze verstoren de gebruikelijke gang van zaken, ze nemen nieuwe gebruiken en nieuwe opvattingen mee. Die hoeven niet juist te zijn, die hoef je niet te onderschrijven, maar waarom zou je je er bang voor laten maken. Sommige machthebbers in ons land zijn er zo bang voor geworden dat ze roepen over een Tsunami van Islamieten, een Islamisering van ons land. Zover is het niet, in de de tijd van Petrus lieten velen zich bekeren om mee te doen aan de nieuwe samenleving waar hij het over had. In onze dagen zijn er maar weinigen die zich bekeren tot de Islam, daar hoeven we dus niet bang voor te zijn. Beter is het Petrus te volgen en te werken aan die nieuwe samenleving waaraan iedereen mee kan doen. Sta dus op en ga er aan werken.

Wend u af van uw huidige leven

dinsdag, 21 april, 2009

Handelingen 3:11-26

Want als je je afkeert van je slechte dagen dan wordt je gezegend. Dat is de kern van de boodschap van Petrus toen iedereen zich verbaasde over de lamme die ging lopen omdat Petrus zijn hand naar hem had uitgestoken. Het zal voor de omstanders niet eenvoudig geweest zijn. Ze wilden bevrijd worden van de overheersing door de Romeinen. Daarom hadden ze gekozen voor een rebellenleider die zijn waarde bewezen had, Jezus Barabas. Die geweldloze zogenaamde Koning der Joden hadden ze laten kruisigen. Maar zijn volgelingen hadden zich niet verspreid en zich aangesloten bij andere bewegingen of waren gewoon naar huis gegaan. Integendeel, elke dag kwamen ze die volgelingen in de Tempel weer tegen. Het leek wel of ze sterker dan ooit tevoren waren. En ze bleven op een totaal nieuwe en tot dan toe onbekende manier bezig iedereen aan te spreken op zijn of haar verantwoordelijkheid. Als je de Wet die in de Tempel bewaard werd werkelijk wil volgen dan moet je het niet hebben van aalmoezen maar dan moet je een hand naar mensen uitsteken. Dat was de boodschap van Jezus van Nazareth en die boodschap werd door de dood heen doorgedragen. De Romeinen boezemden geen angst meer in. De beloften uit de oude verhalen over Abraham, Mozes en de profeten waren volgens de volgelingen van Jezus van Nazareth sterker dan welke Romeinse macht dan ook. Alle volken op aarde moeten kennelijk hun goden afzweren en de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf gaan navolgen. Zelfs dat Jezus van Nazareth door het vasthouden aan het geloof van de profeten, door het houden van de Wet uiteindelijk aan het kruis zou belanden was al voorspeld. Maar de bevrijder komt toch, het was Jezus van Nazareth en het zal Jezus van Nazareth zijn zo beweerde die Petrus. Het zal niet eenvoudig geweest zijn voor vrome Joden. Maar ze zagen het voor hun ogen, de volgelingen van Jezus van Nazareth hadden een nieuwe manier van samenleven gevonden. En als je een hand naar een medemens uitsteekt dan kan die opstaan en weer in beweging komen. Dan stapt die uit zijn rol als slachtoffer, zijn rol als arme medemens die wacht op aalmoezen. Dan gaat die medemens zelf weer deel nemen aan de samenleving. Dan komt ook uit hem iets goeds voort, dan is ook hij gezegend. Petrus roept iedereen op om die nieuwe Weg te gaan. Dat ze de keuze maakten voor oproer en tegen de geweldloze weg van Jezus van Nazareth wordt hun ter plekke vergeven. Ze wisten immers niet beter. De weg van geweld is de normale weg in de wereld. De weg van de Liefde blijft een onbekende en onzekere weg. Maar geloven betekent zeker te weten dat het de enige begaanbare weg is en de enige weg die uiteindelijk voor de hele wereld een bevrijding van geweld en ellende zal zijn. Ook wij mogen kiezen voor die weg.