Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor maart, 2009

Koning van de gerechtigheid

dinsdag, 31 maart, 2009

Hebreeën 7:1-10

De schrijver van de brief aan de Hebreeën is zeer geïntrigeerd door het verhaal uit Genesis 14 over de ontmoeting van Abraham met Melchisedek de koning van Salem. Dat was vanuit Joods standpunt een Heiden, maar priester en koning tegelijk. De geschiedenis van deze priester koning is onbekend maar hij leeft voort in de Bijbel en dat wordt in de eerste plaats benadrukt door de schrijver van deze brief. Bijzonder is niet alleen wat die priester koning deed maar ook de reactie van Abraham. Die erkende kennelijk het priesterschap van Melchisedek want hij gaf hem 10 procent van de opbrengst van de oorlog die hij had gevoerd. Die 10 procent en evenveel als de Joden aan de Tempeldienaars de levieten moesten geven. Die 10 procent voor de levieten had overigens een andere achtergrond. Toen het land Israël onder de stammen werd verdeeld kregen de levieten geen land. Zij kregen tot taak recht te spreken en de dienst aan God te onderhouden, de Tempeldiensten te verrichten en te zorgen dat het volk op de hoogte zou blijven van de wetten die het volk in de Woestijn had ontvangen. Die priester koning Melchisedek werd daardoor echter wel nog meer bijzonder. Hij immers had nergens naar gevraagd toen Abraham Lot had bevrijd en de vijanden van Kanaaän had verslagen. Hij was Abraham tegemoet gekomen met brood en wijn en had Abraham gezegend in naam van God de allerhoogste, schepper van hemel en aarde. Zo spraken ook de Joden over hun God en de Christenen kenden het delen van brood en wijn maar al te goed, dat deden ze elke week weer ter nagedachtenis van Jezus van Nazareth. Abraham had aan Melchisedek 10 procent van de buit gegeven als antwoord op de zegen maar aan de koning van Sodom geweigerd iets te geven, die had mogen nemen wat van hem gestolen was. Abraham had de mensen die gevangen genomen waren bevrijd maar wilde daar zelf niet rijk van worden. Dat was nog eens rechtvaardig. Melchisedek betekent in het Hebreeuws rechtvaardige koning en de naam van zijn stad Salem werd later beschouwd als een oude naam voor Jeruzalem, daar werd als eerste in een stad de naam van de God van Israël hoog gehouden. Maar, wil de briefschrijver ons vertellen, die Godsdienst is niet exclusief voor de Joden, die is begonnen met Abraham, maar die was ook al begonnen met Melchisedek. Die levieten kunnen nog zo dik doen en vinden dat ze belangrijk zijn maar het gaat er uiteindelijk om wie de rechtvaardige genoemd wil worden. Abraham gaf daarvoor het goede voorbeeld, hij kwam op voor de mensen wiens gasten hij en zijn neef waren en wilde daarvan niet profiteren. Priester Koning Melchisedek herkende dit als de weg van zijn God en beloonde dat. Wij mogen ons opnieuw afvragen hoe het zit met recht en rechtvaardigheid. Als we mensen in Afghanistan of in andere arme landen willen helpen moet onze industrie daar dan rijker van worden? Of zorgen we dat de mensen zelf er op vooruitgaan?

Hij is hogepriester voor eeuwig

maandag, 30 maart, 2009

Hebreeën 6:9-20

Wie de brief aan de Hebreeën goed wil begrijpen moet thuis zijn in de Bijbel. Je komt er niet door een aantal willekeurige zinnetjes aan elkaar te rijgen en dan te doen of je de Bijbel hebt begrepen, je moet weten waar de schrijver van de brief het over heeft en dat zijn geen abstracte dingen maar heel concrete verhalen over geloof en over de bijzondere betekenis van het geloof in de God van Israel. We hadden gelezen dat je niet zomaar afvallig kon worden van het geloof en dan het lidmaatschap van de gemeente weer kon oppakken alsof je een oude jas weer opnieuw aandeed. Daar was boete voor nodig en het inzicht in hetgeen je verkeerd had gedaan. Maar, zegt het begin van het gedeelte van vandaag, als je werkelijk anders wil doen, als je echt wil leven uit liefde, dan hoor je er echt bij en dan kun je er steeds opnieuw bij horen. Maar dan moet je ook echt uit en door de liefde blijven leven. Dat begint bij een leven als Abraham die wegtrok uit zijn eigen land om vader van vele volkeren te worden. Dat was de belofte die hij van zijn God te horen had gekregen. Temidden van de vele goden waarin de mensen rond Abraham geloofde moest dat volgens hem wel de hoogste God zijn geweest. Die belofte aan Abraham kreeg pas veel later echter gestalte, toen Abraham er al lang niet meer was, maar Abraham hield vol en bleef geloven dat de God van die belofte de enige God voor hem was. Dat is dus een manier waarop ook al die Heidenen die Christen geworden waren konden geloven. Dat nieuwe Koninkrijk was er nog lang niet, is er zelfs in onze dagen nog niet, maar ondanks alle goden die ons omringen, alle idolen waar wij ons op zouden moeten richten, blijft de belofte van dat Koninkrijk ons in beweging zetten naar de minsten in de wereld. De briefschrijver noemt dat een hoop als een anker voor de ziel. Een taalgebruik dat ons in het dagelijks leven onbekend is maar het gaat hier om de manier waarop we leven, de manier waarop we naar de wereld kijken, de manier waarop we met mensen omgaan. Wij kijken niet naar de top maar naar de mensen van onderen, de armsten en de minsten bepalen ons gedrag omdat ons de belofte is gedaan dat deze wereld omgekeerd zal worden. Die belofte lag ook achter dat voorhangsel. Daar immers mocht alleen de hogepriester komen, daar stond de ark in de Tempel waarin de Wet werd bewaard die in de woestijn aan het volk werd gegeven. De Wet die zich liet samenvatten in het “heb Uw naaste lief als Uzelf” dat was de bijzondere betekenis van het geloof in de God van Israel. Dat was door Jezus van Nazareth door de dood heen volgehouden. Dat maakte hem tot hogepriester voor eeuwig, Koning van de vrede, broeder van de minsten. Wat wij daarom de minsten aandoen doen we hem aan en onze God verlangt geen ander offer dan brood voor de hongerigen, kleding voor de naakten en recht voor de armen. Dat offer kunnen we ook vandaag nog brengen.

Wie melk drinkt is nog een klein kind

zondag, 29 maart, 2009

Hebreeën 5:11-6:8

In de zeventiende eeuw dichtte de Protestantse dichter Revius “’t en zijn de Joden niet Heer Jezus die U kruisten” Het gedicht vertelt hoe wij het zijn die iedere keer dat we de minsten, de lijdenden, niet te hulp komen opnieuw Jezus van Nazareth aan het kruis spijkeren. Later is dit gedicht vaak geciteerd als de Roomse fabel van de godsmoordenaars moest worden bestreden. De Fabel dat het de Joden waren die hun God aan het kruis hadden geslagen en daarom gestraft behoorden te worden is de bron van het antisemitisme in Europa. Maar Revius baseert zijn gedicht op het gedeelte uit de brief aan de Hebreeën dat we vandaag lezen. Dat mensen die afvallig geweest waren niet zomaar opnieuw bij de gemeenschap van Christenen konden gaan horen komt voort uit een ruzie tussen de Christelijke gemeenschappen en de Gnostici. Soms werden Christenen voor een tijdje Gnostici en wilden dan weer terug op basis van hun doop en belijdenis die hen oorspronkelijk Christen hadden gemaakt. Maar de briefschrijver maakt de gemeenten duidelijk dat dit niet zomaar gaat. Dat hadden ze ook wel kunnen weten, maar ja tot op vandaag willen veel Christenen graag de gemakkelijke verhalen horen vertellen en is het te ingewikkeld om zich ook in de betekenis van die verhalen te verdiepen. Kinderen doen immers alleen wat hen wordt opgedragen terwijl volwassenen zelf verantwoordelijk zijn voor wat ze doen. Dat betekent dat volwassen Christenen zelf om zich heen moeten kijken en zien wie de lijdenden zijn en hoe zij geholpen kunnen worden. Dat betekent dat Christenen zich ook bewust moeten zijn hoe zij het soms ongewild zelf zijn die het lijden van anderen in stand houden en bevorderen. Zo houden wij zelf onrechtvaardige handelsverhoudingen met de armste landen in de wereld in stand en concureren wij de armste boeren weg van de wereldmarkt door subsidies die met handel en industrie worden verdiend. Zo bestrijden wij de Roomse Paus niet als hij het gebruik van condooms in Afrika verbiedt en daardoor de verspreiding van Aids bevordert omdat velen ook hem voor een Christen houden aangezien hij de naam van Jezus van Nazareth zo af en toe gebruikt ter rechtvaardiging van zijn eigen misdaden. De jonge kerk had voor die afvallige Christenen die terug wilden keren uiteindelijk een speciale procedure ontwikkeld. Ze moesten zelf vertellen wat er zo fout was aan hun handelen en door vasten en boete doen in de kerk laten zien dat ze inzagen wat ze fout gedaan hadden en dat ze op een nieuwe goede manier door wilden gaan. Niet eten, je eenvoudig kleden, op de grond slapen, zijn ook tekenen dat je afstand wil doen van rijkdom en streven naar rijkdom en wil delen met de minsten. Als je dat kunt opbrengen mag je ook opnieuw beginnen, zoals de Bijbel ons zo vaak oproept weer opnieuw te beginnen. Zo worden we zelf vruchtbaar land, grond voor het nieuwe Koninkrijk, laten we daarom vandaag ook opnieuw beginnen.

Omdat God hem heeft uitgeroepen tot hogepriester

zaterdag, 28 maart, 2009

Hebreeën 4:14-5:10

De schrijver van de brief aan de Hebreeën was zeer bekend met het boek van de Psalmen, daar haalt hij graag verzen uit aan. Dat is niet zo vreemd. De Psalmen werden in de tijd van de eerste Christengemeente gezongen bij de Tempel in Jeruzalem en ook in de Synagogen. Ook in de bijeenkomsten van Christenen waren de Psalmen bekend. Daar moesten de Joden aan de Heidenen zo af en toe wel even uitleggen wie wat was en waarover die Psalmen nu eigenlijk gingen. Zo eenvoudig is alles nu eenmaal niet te herkennen. Dat geldt ook voor ons. Wie bijvoorbeeld is die Melchisedek? Het Oude Testament kent een verhaal over Abraham waarin Melchisedek voorkomt. Dat was een Koning van het stadje Salem in Kanaaän. Die Koning was ook Priester. Het bijzondere van die Koning was dat hij vrede sloot met de nomade, de zwerver, Abraham in plaats van oorlog met hem te voeren en hem te verjagen uit de vruchtbare streken waar Abraham zijn kudden liet grazen. Die Melchisedek vertelde er bij dat hij die vrede sloot omdat het moest van zijn God. Volgens Abraham kon het niet anders dan dat het dezelfde God was die hij had ontmoet en die hem had geroepen om weg te trekken uit zijn eigen land. Voor de Heidenen in de Christengemeenten was het natuurlijk mooi te ontdekken dat er ook Priesters uit de Heidenen waren. Ze sloten zich niet zozeer aan bij een Joodse secte, ze hoefden ook geen Joden te worden, maar dankzij de priester Jezus van Nazareth konden ze op hun eigen manier God aanbidden. En het aanbidden van die God was het sluiten van vrede en het delen van de vruchten van de aarde, de vruchten van je werk. Dat voorbeeld van Jezus van Nazareth hadden ze herkend, in een samenleving waar zo geleefd werd waren ze gaan geloven. Zo konden ze uit volle borst zingen uit Psalm 110 waar iemand wordt toegezongen als zijnde een priester naar de ordening van Melchisedek. Zo wilden ze ook zelf wel zijn, daartoe worden ze in elk geval door de briefschrijver opgeroepen. Maar zo konden ze ook meezingen met de Joden als die Psalm 2 gingen zingen waar de Priester zelfs als de zoon van God wordt toegezongen. De briefschrijver wijst er fijntjes op dat die Jezus van Nazareth dat deed wat die Priester-Koning Melchisedek moest doen van zijn God. Toen Jezus van Nazareth gevangen was genomen, veroordeeld werd en gekruisigd werd, veroordeelde hij niemand maar zelfs hangend aan het kruis vroeg hij vergiffenis voor hen die hem lieten lijden. Er had gemakkelijk een opstand kunnen worden ontketend door de zeer populaire Jezus van Nazareth, maar die koos voor de vrede. Aan de Joodse opstanden die na de dood van Jezus van Nazareth uitbraken deden de Christenen dan ook niet mee, zij kozen voor de vrede en voor het bestrijden van het kwade door het goede te doen. Die keus wordt ook ons voorgehouden, het goede doen en niet dan het goede. Door dat te doen worden ook wij Priesters en kinderen van God. Aan het werk dus.

Er wacht nog steeds een sabbatsrust.

vrijdag, 27 maart, 2009

Hebreeën 4:1-13

Wie afziet van een eigen carrière, het najagen van winst en het verdringen van anderen van een zogenaamd hogere positie, zal merken dat je wordt overvallen door een weldadig gevoel van rust en vrede. In die rust is er alle tijd om een medemens te helpen. In die vrede zie je ook ineens de medemensen aan wie onrecht wordt aangedaan. Volgens de briefschrijver is die rust en is die vrede alleen te vinden voor mensen die hardnekkig blijven geloven in de komst van die nieuwe samenleving. Die samenleving waar alle tranen zullen zijn gewist en waar iedereen voldoende te eten heeft. Want als je niet geloofd in die nieuwe samenleving dan blijf je oorlog voeren met je medemensen, dan wordt je bang voor iedereen die iets anders geloofd en moet je met harde woorden iedereen bestrijden die iets anders geloofd, dan heb je geen ruimte meer voor het voeren van debat met je tegenstanders maar dan loop je uit angst voor de ander zelfs weg uit een kamerdebat. De briefschrijfver wijst ook hier weer op het Oude Testament. God heeft de wereld geschapen en ruste op de zevende dag. Maar voordat mensen mee kunnen delen in die Sabbatsrust moet er nog wel wat gebeuren. Want toen God de wereld geschapen had zag hij dat het goed was. En als wij kijken dan zien we helemaal niet dat de wereld goed is. Er worden nog steeds oorlogen gevoerd, er worden nog steeds mensen door regeringen ter dood gebracht, er zijn nog steeds veel te veel mensen die niet te eten hebben, de gezondheidszorg is zeker niet voor iedereen op de wereld beschikbaar, er zijn nog steeds onrechtvaardige handelsverhoudingen, er zijn nog steeds zeer grote inkomensverschillen, hebzucht en eerzucht regeren nog steeds banken, staten en grote bedrijven. De wereld is dus nog lang niet klaar en in menselijke termen zal het nog wel een tijdje duren voordat de zevende dag aanbreekt. Wie daarom het verhaal letterlijk neemt dat de wereld in zes dagen geschapen zou zijn neemt dit gedeelte van de brief uit de Hebreeën niet serieus. Want hier klinkt de oproep om aan die andere wereld te werken zodat de rust en de vrede hun intrede doen die God had bedoeld voor de mensen toen hij de wereld geschapen had en zag dat het goed was. Voor God is de dag van de schepping en de dag van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde dezelfde dag. Ook dat wil de briefschrijver ons hier duidelijk maken. Daarom is dit verhaal ook als een tweesnijdend zwaard. Het maakt haarscherp duidelijk wie er wel en wie er niet bijhoren. Wie geeft de aanbidding van welvaart en succes op en stelt zich geheel en al in dienst van de liefde voor de naaste en wie doet dat niet? Half kan niet, het valt ook niet te combineren, je doet mee of je doet niet mee, iets anders is er niet. Kiezen voor die nieuwe wereld is kiezen voor het leven, maak die keuze vandaag nog en ga aan het werk.

Horen jullie vandaag zijn stem

donderdag, 26 maart, 2009

Hebreeën 3:1-19

Wij hebben eigenlijk geen idee van de tijd waarin de brief aan de Hebreeën werd geschreven. Toch is dat belangrijk om te kunnen snappen wat er staat en waarom het er staat. De titel van de brief doet vermoeden dat de brief is geschreven aan een gemeente van overwegend Joden, maar de geleerden zijn het daar niet over eens. De eerste christengemeenten leefden in een religieuze wereld die wij niet kennen. Overal waren tempels waarin vele soorten goden op vele manieren werden aanbeden. Priesters en Priesteressen vervulden daar speciale riten en die moest je dan ook te vriend houden. Alleen de Joden hadden zulke tempels niet. Maar die hadden ook gebouwtjes waar ze bijeen kwamen, synagogen noemden ze die. Ook daar waren voorgangers en de Joden hadden speciale kleding aan die hen onderscheidden van de anderen, ze spraken ook een eigen taal die verder niemand kon verstaan. Van buitenaf leken ze op aanhangers van een Tempel waar de rest van de bevolking weliswaar niet kwam maar die wel niet zoveel zou verschillen. Maar die Christenen deden het nog anders. Die kwamen bij elkaar bij iemand thuis. Rijken en armen, slaven en vrijen, Joden en Heidenen, mannen en vrouwen. Ze onderscheiden zich niet in kleding, hielden geen optochten, hadden geen beelden of amuletten, maar hielpen de mensen in de stad die in problemen waren gekomen. Als je ze vroeg wie hun Priester was dan vertelden ze over ene Jezus van Nazareth. De Joden herkenden daar een landgenoot in en zullen gevraagd hebben wat die Jezus van Nazareth wel niet betekende. Dan kwamen die Christenen aan met het verhaal dat we vandaag lezen. Hoe zo’n gemeenschap van Christenen leek op het volk van Israel in de woestijn. Daar waar ze ontdekt hadden hoe sterk ze op elkaar waren aangewezen, waar ze gehoord hadden dat ze hun naaste lief moesten hebben als zichzelf. En hoe die Jezus van Nazareth hen diezelfde boodschap had voorgehouden en hoe ze soms net als het volk Israel de neiging hadden daar tegen in opstand te komen, maar hoe ze geloofden dat die Jezus van Nazareth nog steeds hun priester was en dat ze net als na de Grote Verzoendag weer opnieuw met die Wet uit de Woestijn mochten beginnen. De verhalen uit de Bijbel van de Joden waren ook voor de Christenen de basis van hun geloof. Hun bijeenkomsten hadden dan in het begin ook veel weg van de bijeenkomsten die de Joden in hun synagogen hadden. Maar Joden en Heidenen bij elkaar, mannen en vrouwen, armen en rijken, slaven en vrijen, dat was voor iedereen vreemd, dat viel op en was voor sommigen aantrekkelijk maar voor velen afstotelijk. Dat laatste is nog steeds niet anders. Wie opkomt voor de armsten in de wereld en alles over heeft om het lijden van de minsten te verzachten of op te heffen, wordt vaak bespot en veracht, maar ook gewaardeerd. Volhouden kan alleen als je je vereenzelvigd met die Jezus van Nazareth, in zijn Geest handelen en naar zijn Geest luisteren. Dat mag ook vandaag weer.

Het lot van de nakomelingen van Abraham.

woensdag, 25 maart, 2009

Hebreeën 2:10-18

We lezen in het ritme van het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap niet alleen de gemakkelijke stukken uit de Bijbel. Vandaag staat er een wat ingewikkelder stuk op het rooster. En dat komt omdat we al lang ontgroeid zijn aan de discussies uit het begin van onze jaartelling tussen Christenen, Joden, Griekse filosofen en mensen die de drie zo graag met elkaar en met andere aantrekkelijke godsdiensten en overtuigingen wilden verenigen. Die laatste kennen de geleerden nog het meest als gnostici. Deze brief aan de Hebreeën gaat de discussie niet uit de weg. In de discussie wordt in de eerste plaats aansluiting gezocht bij het Oude Testament. Je hoort in zogenaamd Christelijke kring nog wel eens beweren dat als je eenmaal de Heilige Geest ontvangen hebt het Oude Testament eigenlijk niks meer te vertellen heeft. Dat wordt in het Nieuwe Testament op vele plaatsen bestreden maar de brief aan de Hebreeën is er wel heel duidelijk in. Dat de kinderen van God, broeders en zusters zijn en nakomelingen van Abraham zijn wordt met vele aanhalingen uit het Oude Testament gesteld. In die traditie wordt de plaats van de mens op de aarde op die manier verwoord. We horen allemaal bij Gods volk en zijn daarom allemaal Gods kinderen. Het gaat niet om engelen of andere onduidelijke geesten. Het gaat om concrete mensen en met name om mensen die zelf lijden. Als je broer of je zus lijdt dan schiet je die broer of zus immers te hulp? Dan rust je niet voordat je alles hebt gedaan wat in je vermogen ligt om je broer of zus te helpen? Daar hoef je toch zelfs geen dankjewel voor te ontvangen? Dit hoofdstuk uit de brief aan de Hebreeën vertelt ons dat alle mensen onze broers en zusters zijn. Of ze blank zijn of zwart, katholiek, protestant, Islamiet, atheïst of bijgelovig, allemaal zijn het onze broeders en zusters en als ze lijden dan wordt van ons gevraagd ze te hulp te schieten met alles wat in ons is. Dat is ons namelijk voorgeleefd door Jezus van Nazareth die dat zelfs aan het kruis wist vol te houden. De briefschrijver noemt hem daarom hogepriester. Hij vervulde voor alle mensen de taak die de hogepriester in de Tempel in Jeruzalem op de grote verzoendag voor heel het volk Israël vervulde. Door de gebeden en rituelen op die grote verzoendag kreeg het volk de gelegenheid weer helemaal opnieuw te beginnen met de Wet en met de God die hen de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf had geschonken. Ook al hadden ze er in het afgelopen jaar een potje van gemaakt, God gaf hen de kans opnieuw te beginnen, steeds weer. Zo weten we door Jezus van Nazareth dat ook wij er steeds weer opnieuw mee mogen beginnen. Onze broers en onze zusters hoeven niet vergeefs te roepen over het onrecht hun aangedaan, over het geweld, de honger en de vernedering. Wij mogen ze te hulp komen met alles wat in ons is.

Het mensenkind dat u naar hem omziet?

dinsdag, 24 maart, 2009

Hebreeën 2:1-9

Heel lang en heel veel is er over het bestaan van engelen gesproken. Soms wordt het bestaan bijna ontkend en is iedereen die een boodschap van God brengt, bedoeld of onbedoeld, eigenlijk een engel. Soms zijn er hele fantasieën over mannen en vrouwen met en zonder vleugels van allerlei leeftijden die meer of minder substantie hebben. De schrijver van deze brief zegt in dit gedeelte dat het eigenlijk niet uitmaakt of de boodschap nu van engelen komt of van God zelf. Die nieuwe hemel en die nieuwe aarde staan in elk geval niet onder heerschappij van de engelen. Voor die nieuwe hemel en die nieuwe aarde moet je aan mensen denken. Als eerste aan Jezus van Nazareth die door zijn lijden en zijn dood die nieuwe aarde als het ware al gestalte gaf. Zo ziet het er uit. Tot in de dood weigeren de liefde te verloochenen. Aan een slavenkruis al stervend nog medelijden vragen voor hen die je vervolgen. Als je dat kan dan kun je ook blijven delen al vervolgt de hele wereld je omdat je het opneemt voor de armen, voor de hongerigen, voor de gevangenen, voor de minsten in de wereld. Als je dat kan dan hoort ook die nieuwe hemel en die nieuwe aarde jou toe. Niet na je dood maar nu al, telkens als je je daar voor inzet en daarvoor alles over hebt. Maar mensen zijn geen engelen, mensen doen het soms ook verkeerd, mensen houden het ook niet altijd vol, soms zitten mensen zelfs vol kwaad of bewandelen ze de weg van het kwaad denkend dat ze goed doen. Zou een God van liefde een nieuwe aarde zonder een spoor van kwaad dan aan mensen over laten? Dat is niet een vraag die pas met Jezus van Nazareth is opgekomen. Die vraag vindt je al terug in het boek van de Psalmen. De schrijver van deze brief citeert hier Psalm 8. Een citaat overigens uit de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel. Want in de Hebreeuwse Bijbel staat niet “U hebt hem lager dan de engelen geplaatst” maar “U hebt hem bijna tot een God gemaakt”, in elk geval staat daar al dat God ondanks al het gedrag van de mens alles aan de mens heeft onderworpen. Wij zijn ons vaak niet bewust van de verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt. Wij piepen er graag onderuit, roepend dat je nu eenmaal niet alles op je nek kunt nemen. Dat kun je misschien niet maar je bent wel mee verantwoordelijk voor alles. Als je de wereld niet in je eentje wilt hoeven te redden dan moet je maar zorgen dat er veel mensen met je mee gaan doen. Roep maar mensen bij elkaar voor de voedselbank bij jou in de buurt, voor de wereldwinkel, de schrijfgroep voor Amnesty, de milieugroep die jouw stad leefbaar maakt voor de kinderen en voor al die andere groepen die van deze aarde een nieuwe aarde aan het maken zijn. Dan doen die engelen inderdaad niet meer ter zake, dan zijn het mensen die voor mensen leven.

Door een computerstoring was het op 22 en 23 maart niet mogelijk een column te plaatsen.

De wind waait waarheen hij wil

zaterdag, 21 maart, 2009

Johannes 2:23-3:13
 
Het Evangelie van Johannes wijkt nog al af van de andere drie. Dat komt omdat Johannes zich tot een ander soort publiek richt. Het publiek van Dan Brown en het Evangelie van Judas. Toen het Christendom populair werd, maar ook vervolgd, waren er heel veel mensen die het verhaal van Jezus probeerden te vergeestelijken. Het had dan niet meer te maken met de manier waarop de samenleving was ingericht maar het was iets persoonlijks waar je heerlijk over kon filosoferen maar dat verder geen gevolgen had. Op zoek naar de geheime kennis heette dat, de Gnosis. Het is een manier van geloven, of bijgeloven, die ook tegenwoordig nog populair is en net zo hard bestreden dient te worden. Uiteindelijk leidt deze manier van geloven namelijk weg van de bedoeling van Jezus van Nazareth. We zien dit aan het verhaal van vandaag. We weten al dat Jezus het druk had, met wonderen en genezingen. “Nou” zo begint Johannes zijn verhaal, “al die mensen die op wonderen afkomen zijn maar dubieuze gelovigen”, weg is het succes van de gebedsgenezers. Vervolgens vertelt hij over een gesprek dat een godsdienstig leider van die tijd eens rustig met Jezus wilde hebben. Dat kon alleen in de stilte van de nacht als die wonderzoekers waren gaan slapen. Die Nicodemus wil wel eens weten hoe het met die wonderen zit. En Jezus verwerpt de eigen wonderen en vertelt dat je van boven geboren moet worden. Dat “opnieuw” is in het grieks namelijk ook van boven, en dat betekent dat we ook mogen zeggen dat we “als nieuw” geboren moeten worden. Als je na een warme dag werken gaat zwemmen dan voel je je als nieuw geboren, het stof en zweet van alle dag wordt afgespoeld en je bent een nieuw mens. Nou was die Nicodemus ook goed thuis in de Wet van de Woestijn. Die Wet was voor veel mensen verworden tot een dorre verzameling regels en Jezus van Nazareth voegt er daarom de Geest van God bij. De Geest waarin die Wet van de Woestijn ontstond, de geest van liefde, die geest is nodig voor een nieuw soort koninkrijk. Mensen die hun oude gewoonten afspoelen, en met een nieuwe geest van liefde in het leven staan, dat is wedergeboorte, dat doe je samen. Dan weet je niet wat je overkomt, het is niks geestelijks meer, maar ineens gaan mensen opbloeien, is er aandacht voor de armen, voor de verworpenen der aarde. Dan gaat het weer over zeer aardse zaken zoals Jezus op het eind van het verhaal benadrukt. Paulus zal later nog eens opmerken dat je daar meer mens van wordt, een echter mens. Want mensen blijken bedoeld om voor elkaar te zorgen. In de Gnosis gaat het om geheime kennis over goddelijke vonken die verenigd moeten worden met de godheid. In het Christendom gaat het om mensen, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, die moeten leren van alle mensen te gaan houden. En het mooie is dat het elk moment weer opnieuw kan en mag beginnen.

Houd de vrede en waarheid in ere!

vrijdag, 20 maart, 2009

Zacharia 8:18-23

Men had aan Zacharia de vraag voorgelegd of men in de vijfde en de zevende maand moest blijven vasten en rouwen. Zacharia had als antwoord gegeven dat je beter voor de armen en de vreemdelingen kunt zorgen dan vasten en rouwen om verliezen die er in een ver verleden geleden zijn. Die verliezen waren immers geleden omdat het volk hebzuchtig en ijdel geworden was. Je kunt dan beter laten zien dat er echt wat veranderd is, dat er een andere samenleving is ontstaan en dat het volk er wat van heeft geleerd. Dat geld dus ook voor de vasten in de vierde maand toen de Babyloniërs een bres sloegen in de muren van Jeruzalem en het vasten in de tiende maand toen het beleg voor de stad was begonnen. In de dagen van Zacharia was er een heel andere geschiedenis aan de gang. De ballingschap in Babel lag in het verleden, het volk was teruggekeerd, Jeruzalem was weer opgebouwd. Dat nieuwe begin betekent ook een nieuwe uitdaging voor het volk. En reken maar, als er een volk is dat recht doet aan de armen, de zorg draagt voor de minsten, waar weduwen en wezen zich veilig kunnen voelen, waar de ouden kunnen rusten in de straten en die straten vol zijn van krioelende kinderen, dan zullen de andere volken van de wereld jaloers naar dat volk trekken en vragen hoe ze het voor elkaar gekregen hebben want zo willen ze het ook wel. In een tijd waarin de goden die het meest aan gunsten geven ook het meest met eerbied en offers worden aanbeden zal men de God van Israël ook eer bewijzen in de hoop hetzelfde te krijgen als men in Israël heeft. Ze willen dan allemaal wel Joden worden. Nu heeft het volk Israël altijd grote aarzelingen gehad om mensen in zich op te nemen. Heel anders dan de Christelijke gemeenschappen die altijd al iedereen op riepen om zich bij die gemeenschappen aan te sluiten. Bij het volk Israël leefde heel sterk het besef dat recht en gerechtigheid niet zaken zijn die je op een presenteerblaadje aangereikt krijgt maar die je in de eerste plaats zelf moet doen. Dat die God het niet is die recht en gerechtigheid geeft maar die jou altijd die zaken voorhoudt. Die God is een verbond aangegaan met zijn volk waarbij dat volk beloofd had te houden van de naaste als van zichzelf. Dat waren en zijn geen geringe opgaven. Voor Christenen is dat overigens niet anders. Ook daar geldt dat het niet gaat om te roepen dat de Heer Heer is, maar om te doen wat God van mensen wil, houden van de naaste als van zichzelf. Dat betekent dat zolang er hongerigen zijn in de wereld, zolang er geen vrede is maar oorlog, zolang er gevangenen zijn aan wie geen recht is gedaan, zolang er bedroefden zijn die niet worden getroost, dat land waar God heerst er nog niet is, dat wij en iedereen er nog hard aan zal moeten werken, omdat we nu eenmaal geloven dat dat het leven pas zin geeft.