Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor november, 2008

U hebt ons leven gered

zondag, 30 november, 2008

Genesis 47:13-27

Dat is ook een mooie, die Jozef. Toen het volk nog graan in overvloed had legde hij de Egyptenaren een belasting op van een vijfde van al het graan. Dat liet hij opslaan voor slechtere tijden. Nu zijn die slechte tijden er en achtereenvolgens vraagt hij hun zilver om te kunnen eten en als dat op is hun land en als het graan weer op is hun zelf en maakt hij het volk tot slaaf. En voortaan moeten ze opnieuw twintig procent van al het graan afdragen aan de Farao. Wij zouden dat in onze dagen niet meer pikken zou je zo denken. Maar ook wij gaan ver als we in leven willen blijven. In de grote politiek heet dat dan dat we onze eigen belangen niet uit het oog moeten verliezen. Daarom kopen we olie en andere grondstoffen vaak van regeringen die alles doen wat wij verkeerd vinden. Ons opgeheven vingertje, ja zelfs veroordelingen van de Verenigde Naties of de Veiligheidsraad, houden ons niet tegen als ons belang vraagt dat we goede betrekkingen onderhouden met veroordeelde regeringen. Jozef wordt geprezen om zijn rechtvaardig beleid. Over dat tot slaaf maken van het volk zijn de geleerden het overigens niet eens. In de Griekse vertaling die ooit van het Oude Testament is gemaakt, dat is de oudste versie die we op schrift hebben van de Hebreeuwse Bijbel, staat inderdaad dat het volk van Egypte tot slaaf is gemaakt. In een nog oudere versie van de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel, die door de Samaritanen werd gebruikt, staat dat ook, maar in de tekst van de Joodse Rabijnen, de zogenaamde Masoretische tekst die bij vertalingen meestal als leidend wordt gebruikt staat dat het volk overgebracht werd naar de steden. Jozef laat overigens de Egyptische priesters buiten beschouwing. De godsdienst van de Egyptenaren bleef zo in tact. Een respect voor vreemde godsdiensten dat ons soms vreemd lijkt te zijn. Voor Jozef niet want die was immers met de dochter van de Egyptische priester getrouwd. De twee zonen uit dit huwelijk zouden met de broer en de halfbroers van Jozef stamvader van de stammen van Israel worden. De Bijbel veroordeelt zelfs die vreemde godsdienst niet. Waar het in dit verhaal om gaat is dat de mensen door al die maatregelen van Jozef blijven leven. Ze krijgen onderling geen ruzie, er breken geen gevechten uit om de verdeling van het graan dat ligt opgeslagen. Het gaat er niet om wie veel zilver heeft en wie weinig, het gaat er ook niet om wie veel land heeft en wie weinig, iedereen moet ook evenveel belasting van de opbrengst betalen. Zelfs maken de maatregelen van Jozef het mogelijk dat er nog een volk blijft leven, het volk van Israël zoals Jacob nu genoemd wordt. Dat zouden ook wij eens moeten bedenken als we gevraagd worden onze rijkdom te delen met anderen die vergaan van de honger. Als wij ons daar zelf voor zouden inzetten, zoals de Egyptenaren die slaaf werden, dan zouden ook die hongerenden in de wereld gevoed kunnen worden.

Honderddertig jaar heb ik nu op aarde rondgezworven

zaterdag, 29 november, 2008

Genesis 47:1-12

Het is weer jammer dat de vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling zo hollands vertalen. Want eigenlijk zegt Jacob tegen de Farao dat hij honderddertig jaar een vreemdeling is geweest. En dat vreemdeling zijn op aarde is een kenmerk van het geloof van Israël. Waar je ook bent, je God gaat altijd met je mee, wat je ook overkomt, je God is je altijd nabij. Jacob kan met recht zeggen dat zijn leven ellendig is geweest. Hij moest vluchten voor zijn broer, werd bedrogen door zijn oom Laban die hem pas na vele jaren Lea tot bruid gaf en hem vervolgens nog vele jaren liet werken voor Rachel ,van wie hij hield, om hem na nog meer jaren pas te laten gaan. Toen moest hij bang zijn voor zijn broer en toen hij zich eenmaal had gevestigd maakten ze hem wijs dat zijn lievelingszoon Jozef door een dier was verscheurd en nu was er hongersnood en had hij ook zijn jongste zoon moeten wegsturen. Uiteindelijk was hij gedwongen te vertrekken uit het land dat God aan zijn vaderen had beloofd. Maar Jacob kon deze Farao zegenen, van deze Farao ging wat goeds uit. Jozef had zijn familie naar Farao meegenomen. Vijf broers, voor elk jaar dat er nog hongersnood zou zijn één broer. Nu werd ook duidelijk waar het probleem voor de Hebreeën lag, door de droogte groeide er niet alleen geen graan maar ook geen gras. In de delta tussen twee uitlopers van de Nijl, het land Gosen, hadden ze daar geen last van. Rameses is de naam van de stad die de nakomelingen van Jacob en zijn zonen voor de Egyptenaren in het land Gosen moesten bouwen, maar dat verhaal zal pas veel later verteld worden. Vreemdelingen bleven ze en als vreemdelingen vestigden ze zich in het land Gosen waar ze voorzien werden van net zoveel voedsel als ze nodig hadden. Ook al is er hongersnood er is kennelijk altijd een weg te vinden om een volk te voeden. Dat moeten we eens bedenken in de dagen van de voedselcrisis. De prijs van voedsel stijgt met name in arme landen. Ze zijn eerst afhankelijk van het Westen gemaakt doordat hun markten werden overspoeld met goedkope overschotten van de gesubsidieerde landbouw in het rijke Westen. Nu daar het geld schaars is geworden en de transportkosten hoog, zijn bedrijven gedwongen meer geld vragen door de lange aanvoerwegen en stijgen dus de voedselprijzen. Als we een meer eerlijk handelssysteem hadden waarbij het Westen af zou zien van het subsidiëren van overschotten en eerlijke prijzen zou betalen voor producten uit arme landen zou er veel minder voedselcrisis zijn. Jozef leerde ons in dit verhaal dat delen overleven betekent. Overleven voor Egyptenaren maar ook overleven voor zijn eigen volk. Nergens komt een eigen volk op de eerste plaats, alleen samen komen ze er. Laten we er van weten te leren. Voor ons zijn de Fair Trade winkels open.

Jakob had Juda vooruitgestuurd

vrijdag, 28 november, 2008

Genesis 46:28-34

Juda was dus echt de plaatsvervangend leider geworden, de eerstgeborene met voorbijgaan van Ruben. In de Bijbel worden vanzelfsprekende maatschappelijke posities nu eenmaal voortdurend omver geworpen. Veel later zal blijken dat ook een erfelijk koningschap nergens op zal uitlopen, maar in de geschiedenis van Israel nemen de eerstgeborenen een bijzondere positie in. Jacob zelf was immers ook niet de eerstgeborene, toch nam hij de erfenis van Izaak over en zette de droom van Abraham voort. Ook Juda was niet de eerstgeborene en veel later werd zijn stam de belangrijkste, dat begint hier. Jozef bereikt inmiddels de hoogste positie. Het Hebreeuwse woord voor wagen dat hier wordt gebruikt kan ook vertaald worden met zonnewagen, koningswagen of strijdwagen. Neem maar aan dat die Jozef zijn voornaamste wagen heeft gebruikt om zijn vader te begroeten. Het “eerst Napels zien en dan sterven” wordt hier herhaald. De missie van Jacob is vervuld, de toekomst van zijn nageslacht is veilig gesteld en nog wel door zijn lievelingszoon die hij al jong met een veelkleurige koningsmantel had bekleed. Dat land Gosen dat Jozef hen had toegewezen lag in de delta van Egypte. Het was vruchtbaar grasland. De Egyptenaren zelf hadden er weinig aan, zij waren landbouwers, maar voor de veetelende Hebreeën was het nuttig land. Die veetelers stinken overigens. Wie wel eens bij een veeboer op visite is geweest zal zich de geur herinneren. Er zijn mensen die dat lekker vinden ruiken maar stedelingen en akkerbouwers vinden het meestal maar niks. De Egyptenaren dus ook niet, ze hadden er een gloeiende hekel aan met deze nomaden samen te moeten eten hadden we eerder al eens gelezen. Maar vlees van koeien en schapen en kaas van geitenmelk is niet genoeg om in leven te blijven, ook brood is daarbij nodig. In onze dagen trouwens ook groente, maar daarover vertelt het verhaal niet. Daarom moeten de Hebreeuwse relaties van Jozef benadrukken dat ze veefokkers en herders zijn. Dat maakt het voor de Farao gemakkelijker om ze het land Gosen toe te wijzen. We vinden hier wellicht het begin van het gebod “eert Uw vader en Uw moeder”. Bij dat gebod gaat het immers niet om een gehoorzamen aan mensen alleen omdat ze nu eenmaal vader en moeder zijn. Als die vader of die moeder geheel verkeerde dingen van hun kinderen vragen is het juist goed dat die kinderen ongehoorzaam zijn en er met anderen over gaan praten. Maar het gebod wijst er op dat je je afkomst nooit mag verloochenen. Ze hoeven zich er niet voor te schamen herders en veefokkers te zijn en van herders en veefokkers af te stammen. Zelfs voor de afstamming van slaven hoeven ze zich later niet te schamen. Wij hoeven dat ook niet en, mooier is nog, we hoeven het ook niet van anderen te vragen zich te schamen voor hun afkomst.

In totaal zeventig.

donderdag, 27 november, 2008

Genesis 46:8-27

Wie goed telt komt tot 69 personen. Toch staat er 70. Dat is mooi voor mensen de de Bijbel letterlijk nemen omdat de Bijbel anders niet geloofd kan worden. Die mensen kunnen dus ophouden te geloven. Voor mensen die de Bijbel lezen als een geloofsverhaal ligt dat anders. Dan gaat het niet om de letterlijke tekst of de vraag of dit historisch wetenschappelijk ook vaststaat maar om wat de boodschap is. Zeventig is daarbij een bijzonder getal. Toen de Bijbel in het Grieks vertaald werd, omdat veel Joden in Griekssprekende gedeelten rond de Middellandse zee woonden, werd de legende geboren dat die vertaling door 70 mensen in 70 dagen voltooid werd. Het getal 70 kom je ook in andere gedeelten van de Bijbel tegen. Zo zouden er 70 volken geweest zijn. Eigenlijk zegt dat getal ons dat alle mensen van de hele wereld er deel aan hebben. Zo komt Jacob met alle mensen van de hele wereld in Egypte. Dat zal er niet letterlijk mee bedoeld zijn. Maar doordat het volk Israel een kans tot overleven kreeg kregen alle mensen op de hele wereld later de kans zich te wenden tot Jeruzalem zoals de Bijbel dat noemt, kregen alle mensen van de hele wereld de kans mee te gaan doen met de Wet van je naast liefhebben als jezelf. Joodse Rabijnen die ook geconfronteerd werden met de vraag wie nu nummer 70 was uit dit Bijbelgedeelte gaven als uitleg dat met nummer 70 God zelf bedoeld werd. God trok immers mee met Jacob naar Egypte. En dat is natuurlijk ook een mooie uitleg. Dan mogen we immers ook geloven dat God ook met ons meetrekt waarheen we ook gaan. Maar hebben al die namen die genoemd worden dan ook nog een boodschap? Elke naam vertelt een verhaal. Het verhaal over de belofte van God om van Israel een groot volk te maken en deze lijst is al langer dan die van Abram toen die uit Ur der Chaldeeën vertrok. Het wordt dus wat met dat volk. Het gedeelte van vandaag begint niet voor niets met dezelfde woorden als het boek over de uittocht uit Egypte Exodus. Maar sommige namen vertellen een eigen verhaal. Zo zou Sau,l de zoon van de vrouw uit Kanaän, een zoon zijn van Simeon en Dina, halfbroer en halfzuster die met elkaar getrouwd waren omdat Dina door mannen uit Kanaän was verkracht. Simeon en Levi hadden daarop alle mannen uit de stad van de verkrachters vermoord. Ook Perez en Zerach de zonen van Juda en Tamar worden genoemd. Goed en kwaad, alles gaat mee naar het land van de levenden, dat later het land van dood en slavernij zal blijken te zijn en waar God zijn volk uit zou bevrijden. Ook wij hoeven ons dus niet door ons verleden te laten weerhouden om op weg te gaan naar het Koninkrijk van God, God zal ons bevrijden, God zal met ons mee gaan, het enige dat we hoeven te doen is onze naaste lief te hebben als onszelf.

Met hun veestapel

woensdag, 26 november, 2008

Genesis 46:1-7

Er zal later nog wel eens gemopperd zijn op Jacob en zijn zonen. Jacob was rijk geworden bij zijn oom Laban, was met al zijn vee teruggekeerd naar het land van zijn vader en had daar zijn macht en zijn rijkdom uitgebouwd. En omdat een paar jaar de graanoogst tegenviel waren ze naar Egypte gegaan en hadden zich daar gevestigd. Veel en veel later hadden de Egyptenaren de kinderen van Israël tot slaven gemaakt. Toen zullen ze zich afgevraagd hebben waarom ze eigenlijk in Egypte zaten. Maar mensen vergeten snel. Jacob niet. Die kende nog de God van zijn vader Izaak. Toen hij op de vlucht was geslagen, naar zijn oom Laban toe, had hij al eens gedroomd over die God. Die droom had hem duidelijk gemaakt dat je overal waar je bent in contact kunt zijn met die God. Daarom was een offer aan het begin van de reis naar Egypte op zijn plaats, dan weet die God maar weer even dat je ook aan die God denkt en niet van plan bent de goden van Egypte te gaan aanhangen. De droom van Jacob keert terug, God belooft met hem te trekken en hernieuwt de belofte om de nakomelingen van Abraham, Izaak en Jacob tot een groot volk te maken. Het is in het hele verhaal over Jozef de enige keer dat God ook sprekend wordt ingevoerd. In de rest van het verhaal wordt wel over God gesproken maar spreekt God nooit terug, alleen in de droom van Jacob. Daarmee krijgt die droom een heel bijzondere plaats. Hier geen dromenuitlegger zoals Jozef was maar de dromer zelf die op zijn dromen gaat vertrouwen. De droom is een groot volk te worden maar de droom is ook dat de God van je vaderen met je meegaat. Dat is een unieke geloofsopvatting. Tegenwoordig geloven veel mensen dat er geen God bestaat, dat het achterlijk is te geloven dat er een God bestaat. Sommige zogenaamde Christenen doen ook hun uiterste best mensen tot die overtuiging te brengen. Want zeg nu zelf, een tegenstelling tussen het lied van de schepping uit Genesis 1 en de moderne natuurwetenschap is een schijntegenstelling. Als je meezingt met dat lied uit de eerste hoofdstukken van Genesis dan zing je ook dat alle natuurwetenschappelijke ontdekkingen ingegeven zijn uit liefde tot de wetenschap en de natuur en dus de liefde voor de mensen en voor God. Kortom er is geen tegenstelling. Geloof in God is dus niet achterlijk omdat het haaks zou staan op de wetenschap. Geloof in God is des te belangrijker omdat dat geloof je vast doet houden aan dat ideaal van het grote volk van God. Dat volk waar iedereen op de aarde bij zal mogen horen, waar de minsten en de zwaksten voorop staan en waar iedereen bereid is de ander lief te hebben als zichzelf. Vasthouden aan de droom van dat Koninkrijk is kiezen voor het leven, ook dat is wetenschap.

U hebt de volken uw macht getoond

dinsdag, 25 november, 2008

Psalm 77

Vandaag zingen we een Psalm uit de bundel van Asaf, de leider van de zangers bij de Tempel in Jeruzalem. Het is een Psalm die bedoeld was om begeleid te worden door instrumenten. De Psalm zelf spreekt al over snarenspel maar de Jeduthun die genoemd wordt was een autoriteit die een bijzondere rol had bij het brandofferaltaar en wiens nakomelingen de taak hadden de instrumenten van de tempelzangers te bewaren. Op de wijs van het lied dat Jeduthun zong en speelde bij het brandofferaltaar werd ook dit meditatieve lied van Asaf gezongen. Zo af en toe moet je je gedachten eens laten gaan over de vraag hoe de zaken in elkaar zitten. De dichter kent de tegenslagen die men in het leven tegenkomt. Maar de dichter heeft ook weet van de grote daden die het volk is overkomen en die aan God worden toegeschreven. Al die zaken namelijk die je kunt toeschrijven aan liefde voor het volk kunnen niet anders dan van God komen. De bevrijding van de slavernij uit Egypte was misschien wel het grootste wonder. Egypte was immers het doodsland, het land van slavernij en onderdrukking waarin het onmogelijk was om te leven, waar de eerstgeborenen gedood moesten worden en stierven. Door het water van de dood wist het volk hieruit te ontkomen. De rest van het verhaal behoeft geen toelichting. Als je bij de Tempel in Jeruzalem zit dan weet je als geen ander waarover het gaat. Want in die ontsnapping, midden in de woestijn ontdekte het volk Israel, de kinderen van Jacob en Jozef, de Wet van de Woestijn, daar werd God zelf ontmoet. De Wet die zegt dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. De Wet die zegt dat alleen door te delen overleven mogelijk is. De Wet die zegt dat je er voor moet zorgen dat iedereen, zelfs de minste en de zwakste, mee moet kunnen blijven doen. Die Wet wordt bewaard in de Tempel in Jeruzalem. Geen beeld van God is daar nodig, ieder mens werd immers geschapen naar het beeld van God, alleen die Wet in steen gehouwen alsof de Wet gegrifd staat in het hart van het volk. Die Wet regeert uiteindelijk alle volken want ooit zullen de volken in de wereld inzien dat vrede en gerechtigheid pas bereikt zullen worden als de volken bereid zijn elkaar lief te hebben als zichzelf en te delen met elkaar wat ze hebben en er voor te zorgen dat iedereen op aarde, ook de minste en de zwakste mee kan doen aan die samenleving. Dat wonder is begonnen met de uittocht uit Egypte. Aan dat wonder mogen we allemaal deel hebben door ons te laten leiden door die Wet van de Woestijn. In het verhaal zoals wij dat kennen gaat het zelfs door de dood zelf heen. En als de dood het niet kan tegenhouden wie zou ons er dan van af kunnen brengen onze naasten lief te hebben als onzelf.

Ik wil hem zien voordat ik sterf.

maandag, 24 november, 2008

Genesis 45:16-28

Ooit was de Italiaanse stad Napels zo mooi dat er een spreekwoord was: “eerst Napels zien en dan sterven”. Je zou toch niet het mooiste op de wereld niet gezien hebben en dan toch sterven. Zoiets heeft Jacob ook als hij de wagens ziet waarmee zijn zonen terugkeren en het verhaal hoort over Jozef die leeft. Allemaal hadden ze geschenken gekregen, Benjamin zelfs vijf keer zoveel, tenminste hij kreeg vijf stel schone kleren, één stel voor elk jaar dat er nog hongersnood zou heersen. Het bedrog van zijn zonen is op slag vergeten, het weegt niet op tegen de vreugde van het weerzien en het leven dat ineens een stuk zekerder en aangenamer wordt. Farao zelf had immers de gift van Jozef gelegitimeerd. Heel Egypte zou de zeven magere jaren doorkomen en het was een mooie beloning voor Jozef die dit allemaal zo voortreffelijk had georganiseerd dat hij nu zijn familie in de buurt had en ook de zekerheid dat niet alleen de Egyptenaren maar ook zijn eigen volk zou kunnen overleven. Nu konden ze terug, naast alle voorraden was er speciaal ook eten voor Jacob voor de terugreis. Overal was aan gedacht. Nu was de rouwtijd die Jacob in acht had genomen voor de dood van Jozef eerst echt voorbij, hij herademde, “hij leefde op” zegt de nieuwe Bijbelvertaling. Het lijkt een mooi einde van het verhaal over Jozef. Alles komt goed op het einde. Maar het is het einde niet, we zullen daar nog een andere keer op terug moeten komen. Wel zien we bevestigd dat als je opnieuw wilt beginnen dat altijd kan. De broers die Jozef hadden verkocht kozen uiteindelijk een andere weg, bij Benjamin blijven en hem niet in de handen van slavenhouders overleveren. Dat levert hen op dat hun vader en het hele volk waar ze toe behoorden ineens rijk en gered werden. De grote Farao van Egypte zelf nam hen in bescherming tegen de hongersnood die iedereen bedreigde. Dat hadden ze vooraf niet kunnen weten toen ze Benjamin in bescherming namen. Daar kun je dus ook niet op rekenen als je besluit tegen alle gevaren en risico’s in het goede te doen en dat te blijven doen. Al die jongeren die dood werden geschopt of doodgeslagen omdat ze een eind wilden maken aan geweld op straat hebben dat met hun leven moeten bekopen, terwijl ze het goede deden en de vrede zochten. Al die soldaten die zich hadden gemeld om vrede en voorspoed te brengen in een land verscheurd door geweld en onderdrukking en die daar de dood vonden, ze werden gedood ondanks het goede dat ze deden. Nu gebeurd het en de oorlogsgraven overal in ons land getuigen van een geschiedenis waarin dat voortdurend herhaald werd. Toch is dat goede uiteindelijk het enige dat telt. In het verhaal van Jozef wordt de belofte van een groot volk vervuld, wij hebben aan al die jongeren die hun leven gaven onze welvaart en vrijheid te danken. Wat er uit ons voorkomt als wij het goede doen en niet dan het goede weten we niet, maar we mogen geloven in de droom dat daar ook alleen het goede uit voort kan komen, ooit zal dat het Koninkrijk van God zijn.

Hij barstte in tranen uit

zondag, 23 november, 2008

Genesis 45:1-15

Dat moet schrikken geweest zijn. Stel je dat eens voor. Juda biedt zich aan als slaaf van de plaatsvervanger van de Farao van Egypte omdat hij het verdriet van zijn vader niet meer kan aanzien en dan stuurt die plaatsvervanger iedereen de kamer uit en begint onbedaarlijk te huilen, zo hard dat het zelfs in een ander paleis te horen is. Daar staan ze dan de 11 broers en die onderkoning. Straks worden ze nog beschuldigd een aanslag te hebben willen plegen op de onderkoning. Dat is pas echt schrikken. En dan begint die onderkoning ook nog ineens in het Hebreeuws te praten. Tot dan toe had hij Egyptische gesproken en hadden ze een tolk nodig gehad om elkaar te verstaan. Nu wordt het duidelijk wat er is gebeurd. Jozef vertelt het hele verhaal maar neemt de schuld voor zijn eigen lijden weg. In plaats van een dood als slaaf tegemoet te gaan bleek zijn reis naar Egypte de redding van Israel te zijn. Ze krijgen een vruchtbare streek aangeboden om in te wonen en graan is er genoeg in Egypte. Maar pas toen Jozef hen de ogen had geopend en had gekust waren ze in staat iets te zeggen. Eerst Benjamin de andere zoon van zijn moeder en toen de andere broers. In het verhaal blijven de broers op de achtergrond. Alleen Juda had zich uitgesproken ter bescherming van Benjamin en daar had Jozef op gereageerd. Het is natuurlijk mooi het goede op God te schuiven en het in het lijden dat je had het goede te kunnen zien maar wij kunnen dat over het algemeen niet. Meestal  draaien wij het om. Het goede komt van onszelf, omdat we hard werken, omdat we gebruik maken van de nieuwste technologie, omdat we slimmer zijn dan de anderen. Het slechte komt van God, die straft, die houdt de rampen niet tegen, die wist de tranen niet. In dit verhaal klinkt een andere houding. Van begin af heeft Jozef op de een of andere manier door dat delen de sleutel is tot overleven. De zeven jaren van overvloed zijn er niet om van te genieten, komen niet omdat je hard werkt, gebruik maakt van de nieuwste technologie of slimmer bent dan de anderen. Die overvloed is er om te kunnen delen in tijden dat het slechter gaat. Uiteindelijk bleek dat hij daardoor zelfs de familie kon redden die hem als slaaf had verkocht. Dan krijgt dat delen ondanks je zelf, delen zonder er beter van te worden een heel speciale betekenis. Dat verklaard ook het huilen, het is huilen van geluk maar ook huilen om de smalle rand waarlangs je gaat. Het was toch niet zo moeilijk geweest te kiezen voor genot, te profiteren van de jaren van overvloed en alleen te sparen voor wat je zelf nodig hebt. Hier geen eigen volk eerst, geen gesloten grenzen voor arme sloebers uit de woestijn. Maar broeders, ook al deden ze het slechtste wat je met mensen kan doen, ze verhandelen. Zo behandelen wij de mensen niet, niet toen we het rijk hadden en niet nu de rijkdom wordt bedreigd, bij ons blijven grenzen dicht, bij ons blijft de voedselcrisis onverminderd doorgaan, is dat niet eerst recht iets om over te huilen?

Hoe kunnen we ons vrijpleiten?

zaterdag, 22 november, 2008

Genesis 44:14-34

Het is Juda die nu de leider is van de broers. Hij is niet de eerstgeborene, dat was Ruben, maar waar Ruben zijn zoons beschikbaar had gesteld als er wat mis zou gaan had Juda zichzelf beschikbaar gesteld. De vraag blijft natuurlijk of iemand zich ook aan zijn belofte houdt. Is er werkelijk iets veranderd? Hebben de broers geleerd dat je desnoods jezelf moet over hebben voor de ander om te kunnen overleven in een kwade en duistere wereld?  In dit gedeelte lezen we dat Juda de kans grijpt om inderdaad zijn belofte te houden. Als Benjamin tot slaaf gemaakt dreigt te worden grijpt Juda in, hij biedt zichzelf in de plaats van Benjamin aan en vertelt aan Jozef het hele verhaal. Hoewel, niet het héle verhaal. Hoe Jozef zou zijn gestorven en wat hun aandeel daarin geweest is laat hij buiten beschouwing. Het zou misschien ook een verkeerd licht hebben geworpen op hun bedoelingen en die zijn oprecht. Juda is echt van plan om zich in de plaats van Benjamin als slaaf te onderwerpen aan de plaatsvervanger van de Farao. Die zou zo de macht krijgen over zijn leven en zijn dood te beschikken. De broers staan in die beslissing zwijgend achter hem. En er zit nog een kleinigheid in de manier waarop Juda het verhaal vertelt. De broers die voor Jozef staan zijn zonen van vier vrouwen, Lea en Rachel en de twee slavinnen die zij aan Jacob hadden gegeven. Maar als Juda verteld waarom juist Benjamin zo’n bijzondere positie inneemt laat hij Jacob over Rachel vertellen alsof zij de enige vrouw van Jacob geweest is. Jacob had maar twee zonen. De andere broers hangen er dus maar bij en Juda accentueert hier hun onderdanige positie binnen de familie en het feit dat ze die positie eindelijk hebben geaccepteerd. Van hun verzet tegen die positie was Jozef het eerste slachtoffer geworden.  Juda maakt dus waar wat hij zijn vader had beloofd zonder te weten of hij daarvoor ook beloond zou worden. Integendeel, de situatie waarin de broers en met name Juda zijn komen te verkeren moet hen doen geloven dat Juda de rest van zijn leven als slaaf in Egypte zal moeten doorbrengen. Bij het lezen van dit soort bekende bijbelverhalen vergeten we nog wel eens dat we de afloop al kennen. Wij weten hoe Jozef gaat reageren en hoe het verder zal gaan met Jacob en zijn zonen. Maar Juda en de broers weten dat nog niet. In dit verhaal wordt ons verteld hoe te reageren ook als we onze fouten hebben ingezien. We zullen de gevolgen onder ogen moeten zien, ons houden aan de andere weg die wilden inslaan en ons niet laten afschrikken door mogelijk negatieve gevolgen. De naaste liefhebben als jezelf hoeft niet altijd een mooi vooruitzicht te bieden. Het mooie van het vooruitzicht is altijd dat wat de naaste door jouw houding wordt geboden. Dat moet voldoende zijn, het was voldoende voor Juda en de broers, zij hielden er aan vast, laten wij het niet loslaten.

Hoe hebt u dat kunnen doen

vrijdag, 21 november, 2008

Genesis 44:1-13

Beschuldigd worden van iets dat je niet hebt gedaan is een van de ergste dingen die je kan overkomen. Je moet er toch niet aan denken dat je een aantal jaren in de gevangenis zit voor een ernstig misdrijf dat een ander heeft gedaan. Soms gebeurd het, ook in onze samenleving. Er zijn verschillende voorbeelden van. Om de jeugd te waarschuwen voor dat wat kan gebeuren en hen er van bewust te maken dat er oplettende en kritische mensen nodig zijn om onschuldigen uit de gevangenis te bevrijden gaan een paar slachtoffers binnenkort scholen langs om leerlingen te vertellen wat hen is overkomen. Het kan levens verwoesten. Niet alleen overigens door een ten onrechte opgelegde gevangenisstraf te ondergaan. Zelfs een beschuldiging kan al genoeg zijn om iemand voor het leven te doen lijden. Vooral slachtoffers van valse aangiften van zedenmisdrijven hebben hiervan te lijden. Soms midden in de nacht van hun bed gelicht en in een cel geworpen, soms zelf gedwongen te bewijzen dat ze het niet gedaan kunnen hebben, moeten ze weken en maanden de beschuldigende vinger van justitie en hun omgeving naar zich gewezen weten. Als je net als de broers van Jozef de beschuldiging te erg voor woorden vindt dan is het des te meer pijnlijk. De broers van Jozef kunnen zich de misdaad zo weinig voorstellen dat ze aanbieden dat de broer die het gedaan heeft wel gedood mag worden. De hofmeester die door Jozef op onderzoek uitgestuurd was maakt de mogelijke straf maar wat lichter, de dief zal voortleven als slaaf van de hofmeester. Het blijkt de jongste zoon van Jacob te zijn, de Benjamin, de zoon die Jacob zo lang had doen aarzelen zijn zoons naar Egypte te sturen om meer graan te kopen. Nu scheuren de broers hun eigen kleren. Nu gaan ze samen naar Egypte terug. Nu is de verandering echt zichtbaar, eerste scheurden ze de kleren van Jozef en stuurden ze hem alleen naar Egypte. De klap van de onterechte beschuldiging moet hard aangekomen zijn. Maar de broers hebben er van geleerd. Ze zouden ook Benjamin alleen kunnen hebben overgeleverd aan de hofmeester, jammer dan had die Benjamin maar niet zo hebberig moeten zijn. Maar ze staan pal, ze zijn van zijn onschuld overtuigd en gaan gepakt en gezakt weer terug naar Egypte. Dit moet opgehelderd worden en ze kunnen het hun vader niet aandoen opnieuw thuis te komen zonder één van zijn zoons. Dat zou de derde keer zijn, eerst Jozef, toen Simeon en nu Benjamin. Er is een grens aan wat een mens kan verdragen. Zeker bij een onterechte beschuldiging. Ook wij moeten die onterechte beschuldigingen bestrijden. Niet alleen vanwege de onterecht beschuldigden. Bij zedenmisdrijven is het zo dat valse beschuldigingen politie en justitie op hun hoede doen zijn, zoveel dat slachtoffers van echte zedenmisdrijven het gevoel krijgen niet geloofd te worden en zelf te moeten bewijzen wat hen is overkomen. Om die echte slachtoffers recht te doen zullen wij moeten oppassen met de valse beschuldigingen. Let maar eens op je omgeving.