Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor oktober, 2008

Velen zullen op zoek gaan

vrijdag, 31 oktober, 2008

Daniel 12:1-4
 
Als we het boek over Daniël lezen dan moeten we nooit vergeten dat het hele volk naar een vreemd rijk is gebracht, Babel, waar het volk in ballingschap wordt gehouden. Ze kunnen er werken, wonen, trouwen en zelfs hoge posities bereiken, maar ze blijven gevangenen die afhankelijk zijn van de grillen van vreemde vorsten. Daniël had een hoge positie bereikt maar blijft dromen van de tijd dat het volk weer in het eigen land zal wonen, hij blijft er vast van overtuigd dat het allemaal goed zal aflopen. Ook al is zijn hele volk weggevoerd naar het rijk van een machtig heerser, eens zullen ze terugkeren en dan zullen ze stralen als de sterren aan de hemel. In zijn dromen is er een legeraanvoerder Michaël, “hij die aan God gelijk is” betekent dat  De traditie heeft er een legeraanvoerder van God, een aartsengel, van gemaakt. Maar die Michaël zal het volk bevrijden, desnoods met geweld. Zoiets moet je dus niet al te vaak zeggen en zeker niet van de daken schreeuwen. Daniël krijgt de opdracht die overtuiging maar geheim te houden. Mensen gaan vanzelf wel op zoek naar de zin van het bestaan en ontdekken dan hoe het zit. Steeds meer mensen komen tot de ontdekking dat polarisatie zonder gesprek geen enkele zin heeft. Mensen die onverschillig tegenover hun omgeving stonden, ze zijn als dood en liggend in het stof, staan op en nemen verantwoordelijkheid op zich voor hun omgeving.  In Amerika zie je dat meer en meer mensen daar gaan stemmen bij de presidentsverkiezingen. Die verkiezingen zijn spannend, wie gaat winnen. Een dergelijke spanning moet ook Daniël gevoeld hebben. Als ze allemaal terug zullen gaan, als iedereen zich weer in gaat spannen voor de samenleving die God ooit bedoeld had, hoort iedereen daar dan ook thuis? Er zullen mensen zijn die alleen mee zullen gaan uit eigen belang, om er zelf beter van te worden. Bij verkiezingen is het niet anders, de winnende partij trekt altijd mensen aan die willen profiteren van het succes. Ook in ons land trekken nieuwe politieke bewegingen mensen aan die het niet gaat om het ideaal, om de doelstellingen, maar om een goed baantje. Het is een probleem waar partijen en bewegingen geen antwoord op hebben. Ook Daniël had er geen antwoord op maar hij had vertrouwen. In zijn droom zullen de goeden voor eeuwig voortleven en de slechten voor eeuwig worden verafschuwd. De mensen die het volk tot haar recht hebben gebracht zullen stralen als de sterren aan de hemel. Een prachtig beeld. Maar als je dat gaat rondbazuinen ontstaat er gelijk ruzie over de vraag wie bij de goeden en wie bij de slechten gerekend moeten worden. Het is daarom beter te blijven spreken over het ideaal zelf, de samenleving van je naaste liefhebben als jezelf, het land waar iedereen met iedereen deelt en dat daardoor overvloeit van melk en honing. Genoeg mensen zullen daar naar op zoek gaan, altijd weer, zelfs vandaag.

Gelukkig de mens

donderdag, 30 oktober, 2008

Psalm 1

Vandaag openen wij het boek van de psalmen, en komen dan natuurlijk terecht bij de eerste psalm. We spreken wel over het boek van de psalmen maar als je dit boek nauwkeurig bestudeerd zul je merken dat er eigenlijk meerdere boeken zijn. Geleerden onderscheiden vijf verschillende boeken. Vijf psalmboeken lijken dan ook op de vijf boeken van Mozes waar de Bijbel mee begint. Bij al die boeken kun je dus uitbundig zingen. Deze eerste psalm hoort overigens niet bij een van die boeken maar is speciaal vooraan de hele verzameling gezet. En deze psalm wijst speciaal naar de eerste vijf boeken van de Bijbel want in goed Joods gebruik worden die boeken de Wet genoemd. Ze vertellen het verhaal van de geschiedenis van God met de wereld, de mensen en het volk Israël. Met als hoogtepunt de tocht door de woestijn waar de mens bevrijd werd van slaveriij en te horen kreeg wat nu de bedoeling was van God met de mensen, God dienen boven al en je naaste liefhebben als jezelf. Er zijn 150 Psalmen. Vroeger deed men of koning David ze allemaal had geschreven maar dat is natuurlijk onzin. Sommige Psalmen bezingen het leed van de ballingschap en die kwam pas eeuwen na koning David. maar vandaag de eerste psalm en die bezingt het volgen de Wet van de Woestijn. Het houden van je naaste als van jezelf is niet zo eenvouidig als het klinkt en je bent gelukkig als je niet meegaat met hen die het kwaad doen, niet de weg van de egoïsten, de hebberts en de graaiers gaat, niet bij de spotters aan tafel zit. Die spotters kennen we allemaal , het zijn de mensen die het helpen van anderen belachelijk proberen te maken, die het hebben over de softies als je problemen zonder geweld wil oplossen, die alleen trots willen zijn op ziczelf en met vreemden niets te maken willen hebben. Nee volgens deze psalm zijn die mensen gelukkig, die vreugde vinden in de Wet van God, die kunnen genieten van de vreugde in de ogen van de hongerige die gevoed is, van de bedroefde die getroost wordt, van het kind dat eindelijk naar school mag, van de gevangene die ook eens bezoek krijgt. Dat is een mens die lijkt op een vruchtbare boom, daar komt het goede uit voort. De Wet van de Woestijn is voor die mens als een beek met fris stromend water, daar kun je je dorst stillen, daar zit groeikracht in. Als je alleen voor jezelf wil zorgen dan zit er dood in de pot, dan ga je door de wereld met ruzie en geweld, dan ben je dag en nacht bang voor vreemdelingen en voor het vreemde dat andere mensen je bieden. Als je alle mensen tot hun recht wil laten komen dan is er geen plaats voor mensen die zich meer achten dan een ander. Zulke opscheppers vinden ook geen plaats in de kring van mensen die iets over hebben voor een ander. De eerste psalm daagt uit, Want als we dit lied willen meezingen, als we deze verzameling liederen willen meezingen, dan moeten we kiezen, waar willen we bijhoren, bij de wettelozen of bij de rechtvaardigen. Aan u vandaag weer de keus.

God heeft mij vruchtbaar gemaakt

woensdag, 29 oktober, 2008

Genesis 41:47-57

Vruchtbaarheid krijg je dus kennelijk alleen van God als je bereid bent te delen met elkaar. Jozef brengt geen offers aan zijn God. Er worden geen vreemde rituelen uitgevoerd zoals in bijna iedere godsdienst gebruikelijk is. Er zijn geen vuren, geen lichten, geen geuren, geen geslachte dieren. Jozef heeft zelfs geen beeld van zijn God dat een centrale plaats inneemt in het werk dat hij onderneemt. Hij heeft uiteindelijk alleen zichzelf. Maar een samenleving inrichten op delen in barre tijden heeft succes. Niet de mensen van hebben en graaien krijgen het voor het zeggen maar de volgeling van de God van delen met elkaar en je naaste liefhebben als jezelf. Elke samenleving in elke tijd kan aan het Egypte van Jozef gemeten worden. Dan is dus niet het fatsoen de maat, of de welvaart van de rijken, of het aantal miljonairs, maar is de maat voor de succesvolle samenleving het vermogen om de hongerigen te voeden. In onze wereldsamenleving zijn we dus verre van succesvol. Miljoenen broeders en zusters worden bedreigd met de hongerdood en dagelijks sterven er duizenden aan te weinig eten of ziekten doordat ze te zwak zijn. We noemen dat de voedselcrisis maar we hebben meer aandacht voor de financiële crisis die er lijkt te zijn omdat er teveel hebberts en graaiers aan de top zaten. In onze samenleving wordt er voedsel weggegooid in rijke landen en is er geen voedsel in arme landen. De magere koeien krijgen de kans niet de vette op te eten, we houden ze met geweld buiten de deur. Jozef blijft ondertussen zijn afkomst trouw. Als hij twee zonen krijgt, het zou een tweeling kunnen zijn, dan geeft hij ze Hebreeuwse namen: Efraïm en Manasse. Eindelijk weer familie en de vruchtbaarheid van de nazaten van Abraham ligt in de belofte van God dat vele volken uit hen zouden voortkomen. Er is in Israël geen stam genoemd naar Jozef. Uit hem kwamen twee stammen voort, Efraïm en Manasse. Ze speelden een eigen en bijzondere rol in de geschiedenis van Israël, maar ze komen voort uit de samenleving van eerlijk delen. De hongersnood die Jozef had zien aankomen heerste uiteindelijk niet alleen in Egypte maar in alle landen. Het was dus niet alleen de Nijl die haar vruchtbare functie had verloren maar misoogsten waren overal. Naar de oorzaak kunnen we slechts raden. We weten inmiddels dat een forse uitbarsting van een vulkaan ergens op de wereld ook een tijdelijke klimaatverslechtering kan veroorzaken waardoor oogsten mislukken en de temperatuur tijdelijk daalt. Maar de oorzaak van deze hongersnood wordt in de Bijbel niet beschreven. Die komt ook niet van de God van Jozef. In dit verhaal staat centraal hoe Jozef met die hongersnood omgaat. Daarom kan aan ons de vraag gesteld worden hoe wij met de hongersnood in de hele wereld om willen gaan.

Zo stelde hij Jozef aan over heel Egypte

dinsdag, 28 oktober, 2008

Genesis 41:37-46

Eindelijk was Jozef waar hij zijn wilde, aan de top. Hij had geleerd dat de weg naar de top begint op de laagste trede. Wie een berg wil beklimmen moet onderaan beginnen. En aan de taak die Jozef krijgt wordt ook duidelijk waarom niemand de dromen van de Farao kon uitleggen. Ook Farao neemt geen risico. Het is een vreemde God die dit voorstel doet. Werkt het dan is het prima, werkt het niet dan is Jozef, en met hem zijn God, schuldig. Farao en zijn goden blijven buiten schot. De Egyptische naam die hij kreeg duidde overigens direct zijn functie aan: Schatkamer van de glorierijke rest. Belangrijker was de vrouw die hij trouwde. De dochter van Potifera, een priester in Heliopolis staat er in de Nieuwe Bijbelvertaling. Dan weten we direct over welke stad we het hebben maar in de Hebreeuwse tekst wordt gesproken over de stad On, de stad die later Heliopolis genoemd zou worden. On betekent echter macht, zodat de priester van de stad van de macht de schoonvader van Jozef wordt. Dan gaat Jozef op reis staat er, hij reist heel Egypte door. Het staat er schijnbaar in een bijzin maar het tekent de positie. Elke Farao reisde eerst het hele land door als hij aan de macht kwam. Het was van belang om zich in het hele land als machthebber te laten zien. Jozef begon als zeventienjarige toen hij er in zijn koningsmantel op uit trok om zijn broers te bespioneren en te vertellen wat ze moesten doen. Het bracht hem in de put. Nu is hij dertig en kan hij met zijn eigenlijke werk beginnen. Ook David was dertig jaar toen hij zijn koningschap vestigde. Veel later was ook Jezus van Nazareth dertig jaar toen hij zijn openbare optreden begon. Je moet dus echt volwassen zijn wil je met iets groots voor de wereld beginnen. Je kunt er soms te jong voor zijn en dan moet je leren, tegen wil en dank desnoods, maar je bent er nooit te oud voor. Niet alleen de Farao vond de voorstellen van Jozef goed, ook al zijn dienaren staat er in de Nieuwe Bijbelvertaling. Een beetje deftig misschien, de Statenvertaling sprak nog van knechten en Jozef wordt de eerste onder de knechten. Dat had hij moeten leren, niet de meeste willen zijn, de zon waarnaar maan en sterren zich zouden buigen, niet de grootste korenschoof waarnaar alle schoven zich moesten buigen, maar de eerste onder de knechten. Een dienstbare functie aanvaarden en zorgen dat de dienst voor het volk ook werkelijk vorm zou krijgen. Lange tijd is gedacht dat ook onze Koningen er goed aan deden het voorbeeld van de Farao te volgen en bekwame mensen aan te stellen als dienaren van de kroon. Ministers heten die want minister betekent dienaar. Omdat ze dienaar van de kroon zijn vergeten ze vaak dat ze eigenlijk dienaar van het volk zouden moeten zijn. Een verhaal als dit van Jozef kan ze er weer aan herinneren, maar we kunnen ze moeilijk eerst een paar jaar in de gevangenis stoppen. We zullen ze dus zelf op hun dienstbaarheid moeten blijven wijzen.

Krachtige maatregelen nemen

maandag, 27 oktober, 2008

Genesis 41:25-36

Tot drie keer toe benadrukt Jozef dat dit nu eens dromen zijn van de God die hij van huis uit kende. Jozef kende natuurlijk het verhaal van zijn vader en moeder. Hoe zijn vader moest vluchten ondanks de belofte dat hij vader zou worden van een groot volk. Hoe zijn moeder lang moest wachten omdat eerst haar zuster met zijn vader moest trouwen en hoe zijn vader ondertussen steeds maar rijker werd. Die God die hij van huis uit kende was een God die met je meetrok naar vreemde landen en een God die voor je zorgde. Niet omdat je de beste of de hoogste was maar omdat je hem aanbad, zoiets. Dus ook deze dromen moesten te maken hebben met de zorg die de God van Abraham, Izaak en Jacob heeft voor de mensen. En daar lag natuurlijk ook de oplossing. Samen delen, belasting opleggen in de dagen van welvaart en overvloed en van die belasting uitdelen in tijden van schaarste en nood. Twintig procent belasting moest genoeg zijn om in dagen van onvruchtbaarheid net zo te eten te hebben als in de dagen van overvloed. Als alle volken zich nu eens zouden keren naar dit verhaal. Dan was er nu geen voedselcrisis. Dan deelden de streken waar vruchtbaarheid en overvloed is met de streken waar misoogst en armoede heerst. Als we dat zoals in het verhaal van Jozef wederzijds doen dan is er geen voedselcrisis en dan hoeft niemand op de wereld honger te lijden. Dan zijn er meer mensen beschikbaar om goederen te produceren, om diensten te verlenen en ook dat kunnen we delen over de hele wereld. Dat is wat de Bijbel het beloofde land of het Koninkrijk van God pleegt te noemen. Voedselvoorraden waar iedereen aan heeft bijgedragen en waar iedereen van kan profiteren. De meesten van ons kennen de afloop van het verhaal al. De uitleg is vaak dat God dit had geregeld zodat de broers van Jozef en zijn vader zouden kunnen overleven. Maar dat staat vandaag zeker nog niet in het verhaal. Vandaag staat in het verhaal dat als je werkelijk met elkaar wil delen en dat ook gaat doen dat dan voorspoed je deel zal zijn. Het is de Farao die kan kiezen, of hij houdt de overvloed voor zichzelf en trekt zich van zijn volk niks aan of hij volgt de raad van Jozef op en stelt de belasting in, stelt opzichters aan en laat opslagplaatsen bouwen om het voedsel op te slaan dat in tijden van overvloed wordt ingezameld. De keus is echt aan de Farao. Als dit een plannetje van God voor de redding van diens volk in wording zou zijn dan loopt God een groot risico. De Farao van Egypte had immers goden genoeg om in te geloven. In de godenwereld van Egypte komen niet direct goden voor die delen tot hun programma hadden gemaakt. Nee aan goden gaf je en die moest je tevreden stellen. Een God die van je vroeg om te zorgen voor de armen in slechte tijden was een rare God, maar het is wel de God die dat ook vandaag van de wereld vraagt. En vandaag mogen wij de keuze maken.

Maar misschien geeft God een uitleg

zondag, 26 oktober, 2008

Genesis 41:14-24

Het is wat, heb je jaren in de kerker gezeten en wordt je er eindelijk uitgehaald dan loop je de kans als boodschapper van het onheil toch nog je leven te verliezen. Want het woord dat hier voor kerker wordt gebruikt kan ook put betekenen. Het is hetzelfde woord dat werd gebruikt toen Jozef in de put werd geworpen. En wat in de put zitten betekent kent onze taal maar al te goed, het is bij ons een spreekwoord geworden en wie in de put zit is niet blij. Maar wie uit die put klimt moet er wel op rekenen het gewone leven weer aan te moeten kunnen en ook dat hoeft niet altijd een pretje te zijn. De dromen zijn natuurlijk glashelder. Het gaat dan ook kennelijk niet om de uitleg van de dromen maar om de oplossing van het probleem waarop ze duiden. De dromen gaan over de Nijl. Voor Egypte is de Nijl niet zomaar een rivier. Elk jaar stijgt het water van de Nijl en overstroomt een groot deel van de delta. De grond die ver uit Afrika door de Nijl is meegevoerd en in het water zweeft zakt dan naar de bodem en maakt het land rond de Nijl extreem vruchtbaar. Die jaarlijkse stijging van het water werd door de Egyptenaren nauwkeurig berekent. Hun hele godsdienst met de berekeningen van de zon, de maan en de sterren was gericht op het handhaven van de jaarlijkse bevruchting van het land. Maar wat nu als de Nijl wel buiten haar oevers zou treden maar niet vruchtbaar zou zijn. De magere koeien eten dan de vette koeien op. En wat dan als de Nijl wel het land bevloeit maar geen vruchtbaarheid voor het land brengt. De volle korenaren die ze waren gewend zouden opgaan in de dorre en schriele korenaren. Een hongersnood zou wachten en hoe moesten ze die hongersnood afwenden. Al die tovenaars, magiërs en raadslieden die waren opgetrommeld hadden het probleem niet kunnen oplossen. Die slaaf die ze uit de gevangenis hadden gehaald, kaal geschoren en nieuw gekleed, zodat hij er als een hoveling uit zou zien mocht nu het probleem benoemen. Dan konden ze hem de schuld geven,ervoor straffen en samen een conferentie beleggen over de mogelijke oplossingen. Zo doen de machthebbers toch meestal? Het zijn de armen die de schuld krijgen van de problemen van de rijken. Niet de exorbitante zelfverrijking in het bedrijfsleven en de extreem hoge beloningen maar de looneisen van de vakbonden veroorzaken de economische problemen. Predikers die het zo durven verwoorden krijgen te horen dat zich bij hun eigen vak moeten houden, van de verdeling tussen arm en rijk hebben ze geen verstand. Of de Bijbel daar niets over te zeggen heeft. Jozef heeft gelijk, het is God die dit soort dromen kan uitleggen, het God die een uitweg biedt uit de economische problemen die zich aandienen. Misschien is die uitweg wel voordelig ook voor de machthebbers. Want echt samen delen is voor een heel volk en is niet bedelen en afwachten of je wat krijgt. Maar dat is een ander verhaal. Dit verhaal ging over onze economie en over de voedselcrisis in de wereld. Daar moeten we God dus bij halen.

Niemand die hem de droom kon uitleggen

zaterdag, 25 oktober, 2008

Genesis 41:1-13

Moed houden, hoe vaak zal dat gezegd zijn tegen mensen die in de meest afschuwelijke omstandigheden terecht waren gekomen. Boeren met een mislukte oogst, middenstanders die hun pensioen in aandelen hebben belegd, zieken bij een operatie of behandeling die niet echt heeft geholpen, jongeren die weer afgewezen zijn voor een baan, gevangenen die onschuldig veroordeeld zijn. Allemaal moeten ze moed houden. Maar waar halen ze de moed vandaan. Vrome mensen zijn dan geneigd te zeggen dat je de moed bij God vandaan moet halen. Je moet blijven vertrouwen dat God bij je is en je zal helpen klinkt het dan. Maar is dat de boodschap van de Bijbel? In het verhaal van Jozef staat dat niet. Twee jaar heeft hij in de gevangenis gezeten nadat hem is beloofd dat er een goed woordje gedaan zou worden bij de Farao. In het vervolg van dit verhaal staat zelfs dat hij in de put zat, dezelfde put als waar zijn eigen broers hem hadden ingestopt. En nu wordt hij herinnerd. Door de schenker die gelijk maar bekend schuldig geweest te zijn aan het vergrijp waarvoor hij in de gevangenis was gestopt. Want die gevangene die dromen had uitgelegd zou deze droom ook wel kunnen uitleggen. Als dat verhaal zo verteld wordt gaat er een zucht van verlichtig uit van de mensen die meegeleefd hebben met de arme Jozef. Zo jong, zo veelbelovend en dan twee jaren lang als slaaf zonder uitzicht in die gevangenis. Maar moet Jozef wel een zucht van verlichting slaken nu men zich hem herinnert? Alle magiërs en geleerden van Egypte keken wel uit de droom te verklaren. Boodschappers van slecht nieuws worden immers zelf vaak slachtoffer. Ook vandaag de dag neemt men de boodschapper het slechte nieuws kwalijk. Geen van de Amerikaanse presidentskandidaten durft uit te leggen dat Amerikanen eerst hun schulden moeten aflossen en dan pas weer aan welvaart mogen denken. Dat zal betekenen dat de belastingen omhoog gaan, dat de kosten van energie daar zeer zullen stijgen, dat de lonen gematigd gaan worden en op voorzieningen bezuinigd. En of die beloofde ziektekostenverzekering straks nog betaalbaar zal zijn moet nog maar blijken. De twee presidentskandidaten weten het wel maar ze durven het niet, bang als boodschappers van slecht nieuws de verkiezingen te zullen verliezen. Niet alleen in de dagen van de Farao en Jozef was men bang slecht nieuws te brengen. Ook in onze dagen krijgen boodschappers van slecht nieuws over het klimaat te horen dat het nog wel zal meevallen, dat het onderzoek nooit compleet kan zijn geweest, dat schommelingen in temperatuur en weer van alle tijden zijn, dat de boodschappers van het klimaatonheil aan hun boeken en films willen verdienen. Een slaaf uit de gevangenis is dan een veilig slachtoffer om een droom te laten verklaren waar niemand aan durft te komen. Waar we de moed vandaan moeten halen staat er niet bij, maar onze dromen mogen we in elk geval bewaren, de droom van het Koninkrijk van God, waar alle tranen gewist zullen zijn en waar we vandaag aan mogen gaan werken.

Hoe lief heb ik uw wet

vrijdag, 24 oktober, 2008

Psalm 119:97-104

In de tijden van de kredietcrisis, toen de gevolgen ook duidelijk werden voor Nederlandse ondernemingen, riep een kamerlid dat we maar moesten stoppen met ontwikkelingssamenwerking en al het geld moesten stoppen in de Nederlandse economie. Dat is in de eerste plaats economisch heel dom. Een paar jaar geleden waren Nederlandse bedrijven nog bang voor opkomende economieën als China en India. Inmiddels hebben ze ontdekt dat er veel aan zulke markten te verdienen valt en worden er door Nederlandse bedrijven miljoenen winst gemaakt door zaken te doen met vroegere ontwikkelingslanden. Uit de landen die we nog steunen en helpen komen grondstoffen voor ons bedrijfsleven. Bedrijven die die grondstoffen verwerken moeten er niet aan denken dat de leverende landen zo arm worden dat ze zelfs die grondstoffen niet meer kunnen produceren. Die ramp zou oneindig groter zijn dan het verlies van een beetje ontwikkelingssamenwerking voor de Nederlandse economie. Maar stopzetten van ontwikkelingssamenwerking is ook misdadig in de zin van de Wet van de Woestijn. Wie tegen die Wet wil ageren moet inderdaad het delen met de minsten op aarde gaan stoppen en dat vooral ten eigen bate doen. We weten al dat dat stom zou zijn en daarom is het houden aan de Wet wijzer dan de tegenstanders beweren. Delen met elkaar houdt elkaar overeind. Zorg voor de minste, zonder aan jezelf te denken, is ook zorg voor jezelf. In de economie hebben we eerst geleerd dat iedereen vrij moet zijn en zelf moet kunnen ondernemen, de goeden overleven en worden rijk en dragen daarmee bij aan de samenleving, de slechten gaan ten onder. Daarna hebben we geleerd dat mensen die afhankelijk zijn van loon samen moeten gaan werken om te zorgen dat ze een rechtvaardig deel van de winst krijgen, winst op de producten zie ze samen hebben gemaakt. Ondernemen is niet slecht en werknemers zijn even belangrijk als ondernemers maar beiden moeten zorgen dat ze delen met de armsten. In de Bijbel wordt de rijkdom niet veroordeeld maar de armoede. De eerste opdracht die we hebben in de Wet van de Woestijn is zorgen dat de armoede de wereld uit gaat. Dat is pas gevolg geven aan het gebod dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Elke dag kun je daarvan opnieuw leren want elke dag brengt opnieuw vragen waarop je antwoord moet geven. Vragen om keuzes tussen eigen rijkdom en ontwikkeling van anderen. Vragen om keuzes tussen luxe en bestrijding van honger en armoede. Het inzicht dat we door anderen te helpen Gods wet nakomen moet ons vreugde en vrede geven en onze keuzes gemakkelijker maken.

Jullie hebben het niet gewild

donderdag, 23 oktober, 2008

Matteüs 23:34-39

Heidenen die zichzelf beter vonden dan de Joden hebben in het verhaal dat we vandaag lezen vaak aanleiding gevonden zogenaamd te bewijzen dat alle Joden niet zouden deugen. Dat staat er niet en kan er ook niet bedoeld worden. Jezus van Nazareth was zelfs immers een Jood, een gelovige Jood en vervult van het Joodse ideaal van een voorbeeld volk dat alle volken zou brengen tot het eer bewijzen aan God door te zorgen voor de armen en voor de minsten. Maar in de loop van de geschiedenis zijn mensen altijd weer met elkaar de strijd aangegaan op leven en dood. Dat begon al bij Kaïn en Abel en dat gaat voor ons door tot op de huidige dag. Jezus van Nazareth laat die geschiedenis door gaan tot het verhaal van Zacharia, Zecharja vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling. Dat verhaal kun je teruglezen in 2 Kronieken, daar wordt hij overigens de zoon van Jojada genoemd en hij werd vermoord in de voorhof. Vanaf die tijd was ook de voorhof van de Tempel niet meer de vrijplaats waar vervolgden een plek konden vinden om zich beschermd te weten tegen woedende moordenaars die al of niet wraak wilden nemen voor iets. Juist die bescherming van de armen, juist de bescherming tegen geweld zou Jeruzalem en de Tempel een zo unieke plaats in de samenleving hebben moeten geven dat ook bezetters er respect voor zouden hebben. Kerken hebben soms nog steeds die functie van vluchtplaats. In België vluchten mensen die geen papieren hebben en bedreigd worden opgesloten en gedeporteerd te worden vaak kerken in. Vrijwilligers en advocaten krijgen daardoor de kans en de tijd op een eerlijke wijze hun zaak te onderzoeken en het recht te verkrijgen dat mensen verdienen. In 1980 heeft ook in Nederland een tijdlang dat Kerkasiel gefunctioneerd voor mensen die hier zonder toestemming van de overheid lang hadden gewerkt en die bedreigd werden met opsluiting en uitzetting. Velen van hen bleken onterecht bedreigd te worden met uitzetting en hebben dankzij dat kerkasiel alsnog een verblijfsvergunning gekregen op grond van de wetten die toen golden. Daarna hebben kerken ook opvangcentra opgezet voor asielzoekers die door een bureaucratische overheid in de knel dreigden te raken. Daar is uiteindelijk het generaal pardon aan te danken voor mensen die tussen twee wetten in de knel raakten. Kerkelijke leiders in Nederland en België hebben zich steeds verzet tegen de gedachte dat de Kerk, dat kerkgebouwen een vrijplaats zouden kunnen zijn waar mensen de tijd konden krijgen om met de overheid te onderhandelen over hun recht. In de Nederlandse wet staat de mogelijkheid wel, tijdens een godsdienstoefening mag een kerkgebouw niet binnengevallen worden en wanneer oefenen we meer in onze godsdienst dan wanneer een gemeente de armen onder haar vleugels neemt. Net als in de dagen van Jezus van Nazareth nemen ook nu Kerkelijke Leiders een goede verhouding met de wereldlijke overheid meer serieus dan de zorg voor de armen. Maar waarom zou ons dat tegen moeten houden?

Recht, barmhartigheid en trouw

woensdag, 22 oktober, 2008

Matteüs 23:23-33

Recht, barmhartigheid en trouw wegen in de Wet van God zwaarder dan wat het opbrengt. Je kunt netjes aan veel goede doelen veel geld geven maar als je blijft gedogen dat mensen in de straten van je stad sterven van de honger dan heb je van de Wet van God en van goed doen niets maar dan ook helemaal niets begrepen. En natuurlijk sterven er in onze straten geen mensen. Zoiets werd ooit verteld over Calcutta. Daar trok de Albanese non Moeder Theresa heen om de stervenden van de straten te halen en ze in hun stervensuur te verzorgen. Goed werk natuurlijk. Maar de verering van Moeder Theresa heeft een bedenkelijk kantje. Haar als voorbeeld stellen lijkt op een niet Christelijke persoonsverheerlijking. Het ging haar toch niet om haarzelf maar om die stervenden? Door die stervenden in de straten van Calcutta zichtbaar te maken voor de westerse wereld, voor de rijke wereld, zou de vraag moeten rijzen hoe we kunnen voorkomen dat er mensen sterven in de straten van steden in arme landen. Daar hoor je weinig van. Jezus van Nazareth rekent radicaal af met al die religieuze leiders die fraaie verhalen weten te vertellen, die mooie religieuze gewaden dragen en oproepen de kerken veel te geven, maar die niets doen aan de situatie van de armen. Integendeel. Er zijn zelfs protestantse predikanten die waarschuwen voor de Islamisering van ons land. Ze horen in een christelijke kerk niet thuis. Daar zou juist in het licht van het verhaal dat we vandaag lezen de kritiek op de fraaie verhalen moeten klinken. De verhalen over zielige bankdirecteuren die miljoenen aan bonussen mislopen, over zielige aandeelhouders die de waarde van hun aandeel zien dalen tot het hoge dividend dat ze toch wel krijgen. Jezus van Nazareth beschuldigt de religieuze leiders van zijn tijd van roofzucht en onmatigheid. Witgepleisterde graven zijn het die aan de buitenkant keurig geschilderd zijn maar van binnen rotten en stinken. Juist in deze dagen zouden we de scheldpartijen van Jezus van Nazareth serieus moeten nemen. Alle verhalen over Islamisering en tegen Marokanen leiden af van wat er werkelijk mis in de economie. Een economie die gericht is op behoud en vergroting van rijkdom voor enkelen. Die geen oog heeft voor de zwakken in de samenleving. Die niet kijkt naar wat mensen wel kunnen, maar alleen kijkt naar eigen voordelen. Een economie waarin vrouwen verteld wordt dat ze zwak zijn, allochtonen dat ze hier niet thuishoren, lichamelijk gehandicapten dat ze ook niet kunnen denken, verstandelijk gehandicapten dat ze niet kunnen werken, ouderen dat ze verouderd zijn en te vaak ziek en zieken dat ze niet beter kunnen worden. Er blijft maar een kleine minderheid over om het werk te doen en daar kun je dan over klagen. Alleen als er meer mensen nodig zijn om de winst te vergroten worden vrouwen, allochtonen, gehandicapten en ouderen ineens wel in dienst genomen, om er uit te vliegen als ze niet meer nodig zijn voor de extra winst. Ons verhaal zou anders moeten zijn, in ons verhaal horen de armen voorop te staan.