Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor augustus, 2008

Wees mij gehoorzaam, dan zal ik jullie God zijn

zondag, 31 augustus, 2008

Jeremia 7:21-28

Dat moet toch even schrikken geweest zijn. In een wereld waar het ene offer na het andere werd gebracht klinkt het ineens “Ik heb nooit gevraagd om offers, eet zelf je vlees maar op”. Nu hadden ze toch in de Torah, de wetten die vanouds waren overgeleverd, gelezen dat er elke ochtend en elke avond een offer gebracht moest worden. Een deel van het vlees was voor de priester en de rest moest worden verbrand, samen met meel en wijn. Het staat nauwkeurig beschreven in het boek Leviticus. Maar uit het voorgaande was al duidelijk dat de offers in de Tempel van de God van Israel net zo gemakkelijk gebracht werden als de offerkoeken voor de Maan en offers voor de andere goden van de omringende volken. Die offers uit de Wet waren bedoeld om mensen dag in dag uit duidelijk te maken dat ze niks van zichzelf hadden maar alles hadden gekregen. Dat ze dus ook dag in dag uit alles moesten delen. Daarin was de hele wet samengevat: “Heb Uw naaste lief als uzelf” Maar daar werd niet naar geluisterd. Er konden nog zoveel priesters, levieten of profeten komen die weer vroegen om aandacht voor de minsten in de samenleving of die vroegen om te delen wat men had geoogst, steeds weer wilden de mensen alleen een vrome godsdienst, mooie liederen, fraaie gebeden en plechtige offers. Want een mooie godsdienst belooft je voorspoed en rijkdom en succes in het leven. De naaste kwam er niet meer aan te pas. Oprechte woorden komen niet meer over hun lippen. In onze dagen doen mensen niet meer aan godsdienst. Dat is achterhaald zo klinkt het. Wie gelooft er nu nog in een God die je niet kunt zien? Wat heb je aan die oude regels waar toch niemand zich aan houdt? Dat klinkt fraai en modern maar is er veel verschil met de dagen van Jeremia? Ook toen wilde men zich aanpassen aan de moderne omstandigheden. Als alle volken toch de Maan aanbaden dan mocht het volk Israel toch niet achterblijven? De grootmachten uit de dagen van Jeremia waren machtige staten. De hangende tuinen van Babylon, waar onder meer de Maan werd aanbeden, waren wereldwonderen, de legers ononverwinnelijk. Je daarbij aanpassen, niet weglopen voor de cultuur die dominant is, mag toch wel? Het is alsof er niets is veranderd. De Babylonische goden zijn vervangen door het ongeloof. Maar de armsten in de wereld blijven net zo hard lijden als toen. Nu wonen ze in Afrika en sterven van honger, geweld en aids, toen woonden ze gewoon in het land en moesten de armsten zich verkopen als slaven. Nu bouwen de rijkste landen importbeperkende muren, toen regen de rijken akker aan akker en voegden ze huis aan huis. De wil van de God van de Woestijn, de God van heb-je-naaste-lief-als-jezelf, is nog steeds hetzelfde, voor ons nog steeds een reden om die God na te volgen, dat houden van je naaste is pas geloven nietwaar.

Alles zal branden

zaterdag, 30 augustus, 2008

Jeremia 7:12-20

Er wordt over de God van het Oude Testament nog wel eens als over een wreed en wraakzuchtig God gesproken. Deze teksten uit het boek van de profeet Jeremia lijken dat beeld te bevestigen. Nu komt dat ook omdat we de beelden die er in staan niet direct herkennen. Wie weet er nog wat Silo was. We lezen in het boek van de profeet Jeremia en niet in het boek dat Samuel heet en waar dat verhaal staat over Silo. Daar was na de intocht uit de woestijn de Tabernakel terecht gekomen. Dat was de Heilige Tent waarin de ark met de stenen tafelen werd bewaard. Daar stond de Wet van de Woestijn op, het heiligste dat het volk had. Die Wet begint met de vermaning dat je geen andere goden moest dienen. Maar de Priester van Silo en zijn zonen waren dat ongeveer vergeten. Alsof die kist met die stenen platen zelf een God was hadden ze die meegestuurd met het leger toen dat er op uit trok. Dat leger verloor natuurlijk en de kist kwam terecht in de Tempels van de afgoden. De kracht die er van de Wet uitging was echter op zich al zo groot dat de ark op den duur werd teruggestuurd. Maar het prestige, de kracht van Silo was verdwenen. De Koningin van de Hemel is de maan en aanbidding van de maan was bij veel volken in de Oudheid een zeer gewilde godsdienst die in hoog aanzien stond. De Maan zou vruchtbaarheid brengen, daarom stookten de vaders het vuur, waren de vrouwen aan het kneden, koeken in de vorm van kinderen. Daarnaast werd er dan op het land, of op de drempels van huizen plechtig wijn geschonken alsof je de godheid te drinken gaf. Mensen die zo doen vernietigen eigenlijk zichzelf. Ze kennen niet meer de Wet die zegt dat je moet houden van je naaste als van jezelf. En als je in donkere tijden niet op elkaar kunt rekenen, onvoorwaardelijk op elkaar kunt bouwen, dan ga je ten onder. Daarom staat er dat ze zichzelf treffen. Daarom staat er dat alles zal branden en niets zal worden geblusd. Voor de uitvinding van de pomp was men bij het blussen afhankelijk van emmers water die vanaf de bron werden doorgegeven. In een stad konden daar lange rijen voor worden gevormd. Maar als het ieder voor zich is en men naar de Maan roept om hulp in plaats van elkaar te helpen dan komt er van redding en van blussen niks terecht. In onze dagen hebben we soms ook zo’n afgod. Die noemen we dan de overheid. Daar wordt alle redding en hulp van verwacht. Elk probleem dat we tegenkomen wordt aan de vage, anonieme, overheid gegeven om opgelost te worden. In plaats van dat we zelf de handen uit de mouwen steken en zorgen dat de wegen leger worden en de treinen voller, dat we geen goederen meer weggooien maar delen, zelf in gesprek gaan met vreemdelingen om hen hier in te laten burgeren, laten we alles aan de overheid. Bij ons zal het niet meer blijven branden, we hebben een voortreffelijke brandweer, maar de samenleving gaat wel naar de knoppen als we er niet samen aan bouwen in plaats van te bouwen op onze afgod.

Vreemdelingen, wezen en weduwen niet onderdrukken

vrijdag, 29 augustus, 2008

Jeremia 7:1-11

Je hoort toch nog maar al te vaak. We zijn toch fatsoenlijk, we houden ons aan de Joods Christelijke traditie en verdedigen die tegen ongerechtvaardige aanvallen, dan horen we er toch gewoon bij ? Zeker als men ook naar een zogenaamde Christelijke kerk gaat dan moet het toch wel goed komen? In de tijd van Jeremia was dat ook zo. Maar hij ging in de poort van de Tempel staan en sprak daar de mensen aan die naar binnen gingen. Dat moesten toch wel de voorbeelden voor het volk geweest zijn. Fatsoenlijke mensen die nog de offers gingen brengen in de Tempel. Mensen die bij de God van Jeremia hoorden. Niets is minder waar. Jeremia roept ze op anders te gaan leven. Dat versje van “Dit is de Temel van de Heer” wordt net zo vals gezongen als het versje van de Joods Christelijke traditie in onze dagen. Dat soort versjes blijkt een alibi voor het uitsluiten van vreemdelingen van de samenleving, voor het onderdrukken van de weduwen en de wezen. En weduwen en wezen staan in de Bijbel voor de allerarmsten, in onze dagen praten we over de minima en de armen in Afrika. Het verbiedt mensen aandacht te vragen voor de gevolgen van de slavernij die zij meedragen ook nog in het derde en vierde geslacht. Zwarte Pieten bevestigen voor hen het beeld dat ze moeten bewijzen tot deze samenleving te horen ook al wonen ze al generaties lang in dit land en hebben ze al van ouds mee vormgegeven aan onze samenleving. Steeds weer worden ze aangesproken als komend uit een vreemd land, uit Spanje of God weet waar. Steeds weer moeten ze zich bewijzen, moeten ze meer aangepast zijn als zij die de aanpassing van hen vragen. Als ze aandacht vragen voor het foute beeld dat de “Zwarte Piet” bij hen oproept en het verkeerde gedrag dat daardoor van hen gevraagd wordt dan is onze wereld te klein. Dan regent het klachtentelefoontjes bij een museum dat er een tentoonstelling voor inruimt en klinkt het applaus voor een goedkoop scorende populistische politica. Fatsoen dat moeten we wel hebben, tenminste dat moeten de anderen hebben. Belasting betalen dat moeten die anderen ook. Wij gaan voor de goden van winst en profijt. Jeremia voorspelde zijn tijdgenoten dat ze daardoor hun land uiteindelijk zouden gaan verliezen. Wie zo hoog opgeeft van zichzelf wekt alleen jalouzie op. Hier is het kennelijk te halen want wij zijn beter dan de rest van de wereld. Wie niet wil delen heeft kennelijk wel heel veel te beschermen en wordt gemakkelijk een prooi voor dieven en rovers. Er is sinds de dagen van Jeremia veel veranderd in de wereld, maar niet in het gedrag van mensen. Ook nu heeft de oproep om heel anders te gaan leven en anders om te gaan met de minsten in onze samenleving een hoogst actuele klank. Laten we er naar luisteren dus.

In de tenten van de rechtvaardigen

donderdag, 28 augustus, 2008

Psalm 118:15-29

Alleen de rechtvaardigen hebben volgens het tweede deel van deze psalm reden tot juichen. Want hen wordt recht gedaan. Mensen doen zichzelf recht als ze anderen tot hun recht laten komen. Wie wil nu niet als een goed mens gezien worden? Dat wordt je pas als je anderen recht doet en tot hun recht laat komen. Dat kan betekenen dat je anderen aanspreekt op het onrecht dat ze doen, dat je daar wat van zegt en probeert ze er vanaf te brengen. Dat hoeft niet te betekenen dat je elke irritatie in ruzie en geweld moet laten ontaarden. Juist dan doe je jezelf geen recht en dus ook de ander niet. Trek je overigens niks aan wat anderen er van vinden. Soms vinden mensen het uiten van kritiek genant, dat hoort niet, dat doe je achteraf en stilletjes maar nooit in het openbaar. De Psalm wijst er op dat het bij de bouw nogal eens gebeurt dat een steen die door de bouwmeesters werd weggegooid perfect blijkt te passen als hoeksteen. Als je zonder cement bouwt van natuurstenen die slechts ruw bijgewerkt zijn dan is de vorm van de stenen heel belangrijk. Hoe beter ze passen hoe sterker het gebouw. Maar uiteindelijk houden de hoekstenen de hele zaak bij elkaar. Zo is het in de samenleving ook. Juist de mensen die goed en kwaad weten te benoemen zonder onderscheid, niet om af te breken maar om op te bouwen, blijken de samenleving vooruit te kunnen brengen. Recht doen aan mensen staat daarbij voorop. De poorten van gerechtigheid waarover in deze Psalm gezongen wordt waren vanouds de plaatsen waar recht gesproken werd. En het recht zoals in de Bijbel wordt besproken gaat niet alleen om regeltjes, wat mag en wat niet mag, maar gaat juist over mensen, over wie er in meedeelt en hoe mensen tot hun recht komen, mogen zijn wie ze zijn. God is daarbij de vertegenwoordiger van het hoogste recht, heb je naaste lief als jezelf is Zijn belangrijkste wet. De wetten van de Bijbel gaan dan ook over het omgaan met mensen en niet over het omgaan met dingen. Eigendom is niet heilig, mensen zijn heilig. De mensen die akker aan akker rijgen en huis aan huis tesamen voegen worden veroordeeld. Het was zelfs ooit de bedoeling dat iedereen elke 50 jaar het land terug zou krijgen dat na de verovering van het beloofde land was toegewezen. Bij elke oogst moest je eerst een maaltijd houden met de armen en de vreemdelingen, dat was je eerste religieuze plicht, een offer heet dat in de Bijbel. We vergeten dat iedere keer opnieuw. We maken bezit heilig en willen daarom krakers in de gevangenis stoppen en speculanten in onroerend goed, die de stad laten verpauperen, weg laten komen met een geringe boete. Maar we mogen ook steeds opnieuw beginnen en leren dat het recht zit in eerlijk delen en zorgen dat iedereen mee kan blijven doen. We mogen leren dat bezit hebben betekent dat je het deelt en ten goede laat komen aan de hele samenleving. Dat is de poort die leidt naar de Heer.

Wat kunnen mensen mij doen?

woensdag, 27 augustus, 2008

Psalm 118:1-14

Vandaag zingen we het eerste gedeelte mee van een feestlied. Volgens sommige geleerden een lied voor het Loofhuttenfeest, het enige Joodse feest dat niet is meegegaan naar de Christelijke feestkalender. Het feest waar men zich weer herinnert hoe het was in hutten, in tenten te leven als in de dagen van de tocht door de woestijn. Het wordt zelfs beschreven als een optochtlied. De toeschouwers worden opgeroepen te zingen, de Koning komt voorbij en de Priesters uit het huis van Aäron geven antwoord. God lof zingt de Psalm, eeuwig duurt de trouw van de Heer. Dat moet je maar durven zingen. En je moet maar durven feesten samen met het volk, de priesters en de Koning. Want wie zijn die haters van wie niets te vrezen valt? Zijn alle mensen niet te vertrouwen zodat je wel moet schuilen bij de Heer? Bij mannen met macht moet je in elk geval niet zijn. Alle volken hadden de zangers van de Psalm ingesloten, die vreemde volken wonnen ook nog, maar de Heer heeft het volk overeind geholpen. Het kan wel zijn dat het een feestlied is en ze zullen ook wel blij geweest zijn weer opgekrabbeld te zijn maar zo heel erg feestelijk klinkt het niet. Het lied zou gezongen kunnen worden in Georgië. De mooie woorden van de nette mannen uit Europa hebben ze niet geholpen. De keurige democratie in Rusland bleek niet veel beter dan de vroegere partijdictatuur van het communisme. Huizen en wegen werden evengoed verwoest en gehoorzamen aan de sterkste was het enige dat hen leek te resten. Maar de psalmzingers zingen over één Heer. Er is er maar één de baas. Een Heer die je oproept je naaste lief te hebben als jezelf. Op basis van die Wet wil die Heer regeren. Dat is wat anders als de mannenmacht van soldaten en kannonen en dreigende taal over en weer. Toen die Psalm al heel vaak gezongen was zei iemand dat het zelfs zou betekenen dat je je vijanden lief moet hebben en twee mijl mee moet gaan als iemand je dwingt een mijl mee te gaan. De vreugdepsalm bij de optocht op het Loofhuttenfeest wordt hierdoor een bezinningspsalm. Het zet je aan het denken. Was er in Georgië voldoende gedeeld tussen de regio’s? Hadden wij voldoende gedeeld met Georgië om hen op de weg van democratie vooruit te helpen en ook onze broeders en zusters in Rusland te laten zien wat het kan betekenen om voor de democratie en helpen van elkaar te kiezen? Vertrouwen wij op de Liefde als onze sterkte? Of vertrouwen wij toch liever op kanonnen en tanks? Wie durft vandaag de dag nog zo’n Psalm uit volle borst mee te zingen? De feesten die in de Bijbel worden genoemd staan er niet als verzetjes waarmee je de dagelijkse sleur even kan vergeten. Die feesten helpen je opnieuw op weg te gaan naar het beloofde land, het land overvloeiende van melk en honing, het Koninkrijk van God. Want de weg naar dat land, dat Koninkrijk gaat langs delen met elkaar en houden van je naaste als van jezelf. Die weg gaat met vallen en opstaan. Opstaan dus vandaag.

Het is goed dat wij hier zijn

dinsdag, 26 augustus, 2008

Matteüs 17:1-13
 
Iedereen ouder dan vier jaar kent nu dat gevoel van de eerste schooldag.  Hoe oud je ook bent. De oudste inwoner van Nederland zou nu 110 jaar zijn en ook die kent dat gevoel. De grote vakantie is voorbij en de eerste schooldag van een nieuw schooljaar is begonnen. Generaties lang gaat dat al zo en van generatie op generatie wordt die ervaring doorgegeven. Onderwijs is een van de dingen die onder ons lang de generaties met elkaar verbindt. Of je nu op de kleuterschool, de lagere school of de basisschool hebt gezeten, ooit was er een dag dat je voor het eerst naar school ging. Niet dat we overigens allemaal hetzelfde geleerd hebben, elk jaar start ook een week voor het lezen en schrijven want teveel volwassen inwoners van ons land hebben ooit de kans om te leren lezen en schrijven gemist, of zelfs nooit echt gehad. Maar ook als je volwassen bent kun je leren lezen en schrijven dus als U iemand kent die dit niet kan lezen, stuur die dan eens naar een regionaal opleidingscentrum. Jezus van Nazareth was ook verbonden met de geschiedenis van zijn volk. Met Mozes die het volk uit slavernij leidde en de Wet van de woestijn op twee stenen platen kreeg en de tent van God mocht oprichten. Jezus van Nazareth was ook verbonden met de profeet Elia van wie wordt verteld dat hij op een vurige wagen ten hemel steeg en die zich openlijk bleef verzetten tegen een overmacht van priesters die andere goden wilden volgen en tegen de Koningen die dat wel mooi vonden en politiek aantrekkelijk. Het is geen wonder dat de volgelingen van Jezus van Nazareth een weg zochten om die eenheid met de geschiedenis te bewaren. Maar Jezus van Nazareth wilde in elk geval niet dat de volgelingen hem al direct op een lijn gingen stellen met Mozes en Elia. Pretenties waren Jezus vreemd. Hoeveel glans er van die illustere voorgangers ook op hem afstraalde hij bleef maar liever gewoon mens. Bovendien kunnen er vreemde legenden ontstaan rond profeten en wonderdoeners. Dat wat Elia had beleefd met priesters en koningen, lees de verhalen in het Oude Testament er maar op na, getuigde van zoveel macht dat mensen wilden dat het ook zou gebeuren met de zware bezetting waaronder ze zelf leefde. Maar toen Johannes de Doper opriep om anders te gaan leven, zoals Elia had gedaan, herkenden ze de boodschap niet. Daarom is het maar goed dat we het vandaag blijven hebben over de eerste dag van het onderwijs dat we ooit hebben genoten. Een goed begin is het halve werk en welke opleiding je ooit ook voltooid hebt, je blijft heel je verdere leven doorleren. Zeker als Jezus van Nazaret zegt dat de wegbereider niet herkend is. Zouden wij dan wel de Verlosser zelf herkennen of moeten we opnieuw dezelfde lessen leren die de tijdgenoten van Jezus van Nazareth moesten leren ?

Ga achter mij Satan

maandag, 25 augustus, 2008

Matteüs 16:21-28
 
Leuke meester was die Jezus van Nazareth. De ene dag prees hij de arme Simon, zoon van Jona,  als de rots op wie het nieuwe rijk gebouwd zou worden en de volgende dag werd dezelfde Simon uitgescholden voor Satan. En dat alleen omdat Simon Petrus het lijden, dat Jezus voorzag, wilde voorkomen. Er is toch niks beters dan het lijden, van iemand van wie je houdt, te voorkomen zou je denken. Nou niet helemaal. Als het gaat  omdat je nu eenmaal dingen moet zeggen en doen terwille van de liefde voor de mensen, dan moet gedaan worden wat moet worden gedaan. Als je daarbij het lijden dat het mee kan brengen niet uit de weg wil gaan is tegenhouden van dat lijden zelfs verkeerd. Zwijgen en het lijden ontlopen omdat de mensen dat nu eenmaal meer op prijs stellen is dan niet aan de orde. En daarmee komen we in een knoop terecht in onze dagen. Bij ons is namelijk een stevig beleid uitgezet tegen radicalisering. Nu betekent radicalisering dat je doorgaat tot de wortel van het probleem. Er was eens een politieke partij die in begin van de jaren 70 van de vorige eeuw kwam met een verkiezingsprogramma onder de titel “nu is het meest radicale nog niet goed genoeg.” Problemen moet je bij de wortel aanpakken en degenen die problemen veroorzaken bij de naam noemen. Jezus noemde Simon dus Satan. Dat mag dus niet meer. Niet zo vreemd trouwens. Een van de predikanten van de kerk van het CDA noemde de democratie een paar jaar geleden nog een uitvinding van de duivel, en een kenmerk van democratie is dat je mag zeggen en schrijven wat je vindt. De regering wil dan ook een actieprogramma met de moskeeën in ons land om de radicalisering tegen te gaan. Je mag straks dus niet meer zeggen bijvoorbeeld dat je niet zomaar aan een vreemde vrouw mag zitten. Ook Lubbers was van het CDA nietwaar, en moest hij niet vertrekken bij de Verenige Naties omdat er geklaagd was dat hij zomaar aan een vrouw gezeten had? Vrouwtje Verdonk voelde zich uiterst beledigd toen een iman die regel uit de Islam ook in de praktijk bracht. Je mag wel zeggen dat de democratie moet worden uitgeroeid, met de kerk van die predikant hoefde door de overheid niet gesproken te worden en het was kennelijk genoeg dat alleen het gemeentebestuur van Tholen er afstand van nam. We komen er nog wel eens op dat het verdelen van een volk in groepen van 50 die afgevaardigden kiezen met wie de regering overlegd een uitvinding is uit de woestijn, maar dat verhaal staat in het boek Numeri. Bedoeld was het om de wet te kunnen toepassen die zegt dat je je naaste moet liefhebben als jezelf. Die democratie hebben we dus niet voor niks. Die is er niet voor om deftige dames en heren te verheffen, maar om respect te krijgen voor ook de minsten in de samenleving en er voor te zorgen dat iedereen, maar dan ook werkelijk iedereen, daar aan mee mag doen..

Ik word mishandeld, onderdrukt!

zondag, 24 augustus, 2008

Jeremia 20:7-18

Veel christenen uit China zullen direct met deze klacht uit het boek van de profeet Jeremia mee kunnen voelen. Ze willen zo graag vrijuit over de boodschap van Jeremia en het Evangelie van Jezus van Nazareth spreken maar dat mag alleen binnen de kaders die door de communistische partij van China zijn gesteld. Amerikaanse Christenen mochten dan ook niet zo maar Bijbels in China invoeren tijdens de Olympische Spelen. In China zijn Bijbels te koop in door de staat goedgekeurde winkels. Zo maar en in vrijheid kennis nemen van die boodschap gaat daar niet. Veel Christenen daar zeggen dan ook dat de woorden van de Heer hen dag in dag uit in schande en vernedering brengen. Zij lopen niet alleen aan tegen de opvatting dat de partij de leiding moet hebben in het vormgeven van de samenleving maar ook tegen een geschiedenis van uitbuiting en slavernij die met de Bijbel in de hand eeuwenlang is goedgepraat. Niet het “heb Uw naaste lief als Uzelf”, klonk daarbij, maar de adviezen die bijvoorbeeld de vrienden van Job aan hem gaven om de schuld van het lijden bij zichzelf te zoeken en te aanvaarden wat God op zijn weg had gezonden. Job verzette zich daartegen net zoals de schrijver van dit gedeelte uit het boek van de profeet Jeremia zich daartegen verzet. Hij wil wel stoppen met zijn oproepen tot het volk maar hij kan het niet, het brand in zijn binnenste. In zijn tijd werd het land Israel bedreigd door de grote mogendheden van toen. De Koning van Israel zocht bondgenoten maar zocht die bondgenoten bij de zwakste van de grote mogendheden. Uiteindelijk werd daardoor de val van Israel bespoedigd. Profeten riepen op om het bondgenootschap bij God te zoeken. Als je een samenleving zou weten op te bouwen waar niet geld en bezit, macht en aanzien, het belangrijkste zouden zijn maar delen en zorg voor de zwaksten, dan zou dat land helemaal niet aantrekkelijk zijn om aan te vallen en te bezetten. Stel je voor dat soldaten niet als vijanden maar als broeders zouden worden behandeld, dan zouden ze ongeschikt worden om te vechten. In 1968 zag Rusland zich genoodzaakt troepen uit Praag terug te trekken omdat de opstandige studenten daar met de soldaten in discussie gingen. Dat bracht de soldaten in verwarring. Ze stuurden toen soldaten uit Siberië die nauwelijks of geen Russisch kenden. Maar onheilsboodschappen horen mensen niet graag. In de dagen van Jeremia niet over de naderende bezetting, in onze dagen niet over klimaatverandering. De vervloeking tegen de dag dat je geboren bent kennen we ook uit het boek Job. Daar was de wanhoop over het persoonlijke leed dat de rechtvaardige ten onrechte was aangedaan. Hier klinkt de wanhoop over de hardhorendheid van het volk. In beide gevallen is het beroep op de onvoorwaardelijke Liefde, de Goddelijke liefde, de enige uitweg. Bouwen wij na of bouwen we op is dus de vraag aan ons.

Zelfs de mus vindt een huis

zaterdag, 23 augustus, 2008

Psalm 84

Vandaag zingen we mee met de drempelwachters van de Tempel, de Korachieten, die in het boek van de Psalmen hun eigen verzameling hebben.Het gaat op een onbekende melodie, de Gatitische, maar die melodie is in de tijden verloren gegaan. De Psalm bezingt de heerlijkheid van de Tempel. De voorhoven van de Tempel was voor de meeste Israëlieten de plaats waar ze het dichtst bij het Heiligste van hun volk waren. Dat was niet een beeld van hun God. Wat ze zeker wisten was dat daar de Wet werd bewaard die ooit in de woestijn van gegeven. De Wet die zich samen liet vatten in het “heb Uw naaste lief als Uzelf”. Dat kwamen ze ook weer oefenen in de Tempel. De voorschriften waren immers dat ze een paar keer per jaar op moesten trekken naar de Tempel om daar een maaltijd te houden met de hele familie, inclusief al het personeel en de slaven, de dienaren in de Tempel, de armen en de vreemdelingen uit hun stad of dorp. Het was daar dus een voortdurend feestgedruis want niemand liet zich graag zo’n feestelijke maaltijd ontgaan. De Korachieten moesten er op letten dat alles goed bleef gaan, dat er geen beelden van afgoden de Tempel werden binnengesmokkeld bijvoorbeeld. In de Bijbel staan diverse voorbeelden van perioden waarin ook vreemde goden werden aanbeden in de Tempel. Zo’n kist met stenen platen die je niet eens mag zien spreekt natuurlijk niet erg aan. Dat je in de ogen van je naaste het beeld van God kunt zien wordt ook in onze dagen maar al te gemakkelijk vergeten. De psalm straalt een zekere onbezorgdheid uit. Zelfs de mus vindt een huis en de zwaluw een nest waarin ze haar jongen neerlegt, maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen. Dat is zeker zo op een plaats waar altijd iedereen welkom is aan de maaltijd, waar iedereen altijd bereid is te delen. Veel en veel later zou Jezus van Nazareth deze Psalm aanhalen in een waarschuwing en geruststelling. De Zoon van de mensen heeft zelfs geen plaats om zijn hoofd neer te leggen vulde hij het citaat van de mus en de zwaluw aan. Je wordt er niet rijk van als je onvoorwaardelijk de naaste liefhebt. Tegelijkertijd is het een geruststelling, nooit zal je immers iets ontbreken zingt een andere psalm. Zeker als je het aandurft met de minsten om te gaan, de mensen die buiten de samenleving gezet zijn. Als je niet bang bent zul je merken dat vreemdelingen, illegalen en asielzoekers incluis, vaak verrassend gastvrij zijn. Ze horen bij de armsten in ons land, maar er is altijd een plek aan tafel. Het lijkt voor velen zelfs een eer te zijn een gast een maaltijd voor te zetten, zonder er overigens iets voor terug te verwachten. Wij mogen ons dat ook wel eens bedenken als we deze Psalm meezingen. En wie zijn of haar huis als een Tempel beschouwt mag vandaag de deur openzetten om een maaltijd te houden met de familie, de armen en de vreemdelingen.

Jij bent de rots

vrijdag, 22 augustus, 2008

Matteüs 16:13-20
 
Simon de zoon van Jonas had een bijnaam. Jona betekende duif en boodschapper, maar was de zoon van de duif ook zo zachtmoedig?. Simon was visser dus sterk, hij was rechtlijnig, zoals vissers ook vandaag de dag nog rechtlijnig kunnen zijn. Zijn bijnaam was dan ook rots, Petrus. Maar de combinatie van rechtlijnig en godsdienst brengt splitsingen en wonderlijke ideeën. Die hoeven overigens niet altijd verkeerd te zijn maar je moet wel oppassen. In het stuk hierboven heeft onze Simon Petrus het ineens door. Die Jezus van Nazareth met zijn onvoorwaardelijke liefde voor de mensen en zijn boodschap van heb je naaste lief als jezelf die kan de hele wereld bevrijden. Zo zal de God van de Wet van de woestijn zijn zoon gezien willen hebben. Die zoon lijkt het meest van ons allemaal op God, die God immers zag dat het goed was. Als je op die manier met elkaar omgaat heeft ook de dood geen invloed meer op je beslissingen en kan die de gemeenschap die je vormt niet meer omverwerpen. Dat is nauwelijks te geloven en Simon, bijgenaamd Petrus, zal dat geloof ook niet lang volhouden, ook daar gaan we nog van kunnen leren. Iemand die er van geleerd had was Roger Schutz, de abt van Taizé. Een Protestantse abt, en beetje raar voor Hollandse Calvinisten en Nederlandse Protestanten. Maar broeder Roger had al vroeg geleerd dat je de liefde voor mensen voorop moest zetten. Niet de liefde voor bezit of aanzien maar echte liefde voor mensen. En dat je pas echt voor mensen kunt zorgen als je ook voor jezelf zorgt. Daarom was hij naar dat kleine dorpje in Frankrijk gekomen, om in stilte voor zichzelf te zorgen, en voor de mensen. Samen met zijn broeders die hetzelfde ideaal hadden, als een soort oefening in het leven in het nieuwe Koninkrijk van God. In de Tweede Wereldoorlog werd het een vluchthaven voor velen die met de dood werden bedreigd. Na de jaren 60 van de vorige eeuw werd het een inspiratiebron voor heel veel jonge Europeanen die moesten leren in een nieuwe wereld te leven. In dat nieuwe Europa waren de zuilen van geloven, de zuilen van landen, de zuilen van mensen die zich verheven hadden, omvergehaald. Verzoening en onvoorwaardelijke liefde voor mensen kwamen er voor in de plaats als het aan de gemeenschap van Taizé lag. Zo werd ook broeder Roger een rots waar velen naar opkeken. De geweldadige dood van broeder Roger maakt dat niet stuk, dat gaat verder, want daar zien we nog steeds een heel klein stukje van het Koninkrijk van God. Dat Koninkrijk waar we allemaal in mogen wonen, als we ons aan de wet van het koninkrijk weten te houden. Dat Koninkrijk dat we allemaal mogen laten zien, in kerken en gemeenschappen, maar vooral in onze inzet voor onze naaste.