Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor mei, 2008

En het meer werd onstuimig

woensdag, 21 mei, 2008

Johannes 6:16-29

Alle vier de Evangelieboeken hebben een eigen verhaal over een storm, de leerlingen en Jezus van Nazareth. Die verhalen verschillen, dat hangt samen met wat de schrijvers van de Evangelieverhalen ons duidelijk willen maken. Vandaag lezen we het verhaal zoals Johannes het verteld. Als we, zoals we in het leesrooster doen, het verhaal steeds in stukjes knippen dan lopen we de kans dat we de bedoeling van zo’n verhaal uit het oog verliezen. Johannes verteld dit verhaal na het verhaal over het delen van brood en vis door vijfduizend mannen en vrouwen en kinderen. Die willen Jezus tot koning maken en dan trekt Jezus zich alleen terug op de berg. Nu is het water in Joodse verhalen de plek van de dood, op het land is het leven en is het veilig, op zee is de dood en is het onveilig. Als Jezus van Nazareth weigert om koning te worden dan wordt het dus nog veel onveiliger, dan gaat het zelfs stormen. Dat Jezus van Nazareth zich door de dood, in dit verhaal het meer, niet laat tegenhouden was achteraf wel duidelijk maar als je het meemaakt kun je er knap bang van worden. Die angst komt dan ook in alle evangelieverhalen terug en steeds klinkt de boodschap dat je voor de dood, voor het stormende water, niet bang moet zijn, zeker niet voor Jezus van Nazareth die door de dood heen gaat. In de andere evangelieverhalen komt Jezus aan boord of ligt hij al aan boord te slapen maar in het verhaal zoals Johannes het verteld krijgt hij de kans niet om aan boord te komen omdat de boot al is waar ze willen zijn. Je komt er dus ook wel zonder koning, zonder leidsman, op grond van je eigen geloof, als je maar niet bang bent voor de dood, dat is de boodschap die Johannes hier vertelt. Want waar gaat het nu allemaal om. Dat blijkt uit het vervolg van het verhaal. Mensen zoeken zo graag hun eigen voordeel, hun eigen gewin. Wat hebben wij er aan als we geloven in God, of in Jezus van Nazareth, of in allebei? Komt Jezus ons dan redden als we in nood zijn? Nee toch? Ook daar vertelt Johannes ons over. Nadat Jezus de mensen te eten hadden gegeven kwamen ze opnieuw, niet om van hem te leren maar om nieuwe wonderen te zien, zoals we tegenwoordig op de TV kunnen zien met waarzeggers en geestenfluisteraars. Hoe bestaat het dat die mensen alles van je kunnen weten en zich in kunnen laten fluisteren door de geesten van gestorven verwanten, daar heb je wat aan om te geloven. Dat ze trucs gebruiken en de mensen worden opgelicht zie je niet direct. De boodschap van Jezus van Nazareth is anders. Het gaat niet om hem en zijn wonderen, het gaat niet om het voordeel dat je er zelf aan zou kunnen behalen, het gaat er om dat je zelf aan het werk gaat de minsten te helpen, dat is in God geloven, dan pas kom je waar je wezen wil. Laat je door de dood niet afschrikken maar geloof dat de Weg van Jezus van Nazareth de weg is die we allemaal moeten gaan. Voor de slachtoffers in Birma, met de slachtoffers en nabestaanden in China, en met al die mensen die op ons wachten en om hulp roepen in de wereld.

Daarom trok hij zich terug op de berg

dinsdag, 20 mei, 2008

Johannes 6:1-15

Eén van de beroemde verhalen over de wonderbare spijziging. Je kunt zomaar vijfduizend mannen te eten geven en dan hebben de vrouwen en kinderen ook nog genoeg. Ja, je houdt zelfs genoeg over om het hele volk Israel, met twaalf stammen, te eten te geven. Iemand die dat kan zou je direct wel tot koning willen uitroepen. Maar Jezus van Nazareth wil nergens en nooit eer van zijn werk, de eer komt alleen aan God toe. Maar snappen doet hij het wel en daarom trekt hij zich alleen terug op de berg. Als er honger is en iemand geeft je te eten dan kan dat diepe indruk maken. Oudere inwoners van West Nederland weten nog heel goed hoe na de hongerwinter van 1944 en 1945 de bevrijders uit Canada, Engeland en Amerika kwamen met wittebrood en chocolade. Lang zou nog alle kritiek op de politiek van Amerika tot zwijgen worden gebracht met het argument dat ze toch ook maar onze bevrijders waren geweest. Geen wonder dan ook dat het brute militaire regiem in Birma hardnekkige pogingen doet om hulpverleners uit het rijke westen buiten de deur te houden onder het mom dat ze zelf het voedsel wel kunnen verdelen onder de slachtoffers van de orkaan die hun land trof. Slechts mondjesmaat wordt het medische teams uit buurlanden toegestaan binnen te komen en hulp te verlenen. Maar waar zit het wonder van Jezus van Nazareth nu echt in? Neemt hij echt vijf broden en twee vissen om oneindig door te blijven breken? Dat staat er niet. De leerlingen denken dat het alles is wat er te eten is voor de grote menigte die hen is gevolgd. Maar als iedereen gaat zitten en deelt wat men bij zich heeft blijkt dit veel meer te zijn dan men had gedacht. In het arme China hield men een inzamelingsaktie voor de slachtoffers van de aardbeving en daar werd genoeg opgehaald om het getroffen gebied weer op te bouwen. Als je samen wilt delen dan is er kennelijk altijd genoeg. Je moet alleen samen willen delen. Als je de baas wilt blijven dan lukt dat niet. Je opstellen als dienaar, jezelf uitschakelen en de ander voorop stellen, dat is de weg van Jezus van Nazareth en dat is ook de weg die je zult moeten willen gaan. Anders gaat het net als in Birma en krijgen mensen niets. Dan moeten tot wanhoop gedreven hulpverleners stiekum langs de kant van de weg stoppen om hun hulpgoederen uit te delen. Dan breken er ziekten uit en sterven velen zonder dat dat nodig was. In onze dagen worden ook dictators erkend en gerespecteerd. Bij het ontstaan van de Verenigde Naties hadden we afgesproken dat niet te doen als ze hun eigen volk in gevaar zouden brengen. Misschien moeten we soms, heel soms, de leiders van een volk maar dwingen om zich terug te trekken op de dichtsbijzijnde berg. Voor het volk van Birma zou dit wellicht een zegen zijn.

Alles wat adem heeft

maandag, 19 mei, 2008

Psalm 150

Dit is de laatste Psalm uit het boek van de Psalmen. Het is zeker niet het laatste lied dat in de Bijbel staat want het wemelt in de Bijbel van de liederen. Wij kennen niet al die liederen als lied want de grondtalen van de Bijbel staan soms zo ver van ons af dat het bijna niet te doen is om de poëzie van de Bijbel om te zetten in een poëzie die voor ons ook te zingen is. Het is daarom opmerkelijk dat dat met de poëzie uit het boek van de Psalmen wel het geval is. Er zijn verschillende vertalingen die op muziek zijn gezet waardoor je de Psalmen kunt zingen. Bekend is bijvoorbeeld de vertaling van de dichteres Ida Gerhardt en de theologe Marie van der Zeijde, maar ook de Psalmen uit de Naardense Bijbel zijn inmiddels op muziek gezet. In de Protestantse Kerk is het zogenaamde Geneefse Psalter bekend. Tijdens de reformatie in de zestiende eeuw vonden de predikanten in Geneve dat het volk moest kunnen zingen in de eredienst. De oproep uit deze Psalm 150 stond voor hen daarbij centraal. De leidende theoloog en hervormer uit die dagen Johannes Calvijn steunde hun streven en moedigde dichters en componisten aan om alle psalmen zo te bewerken dat ze voor het volk zingbaar werden in hun eigen taal. In Nederland werd dat voorbeeld gevolgd en uiteindelijk wonnen de psalmen die zingbaar waren op de melodieën uit Geneve het pleit in de kerken. Nog halverwege de vorige eeuw hebben dichters op verzoek van de kerken een nieuwe berijming gemaakt. Maar Psalm 150 beperkt zich niet tot zingen. Allerlei instrumenten worden ingeroepen om de lof van de Heer te bezingen. En de lof van de Heer kun je alleen maar bezingen als je gezorgd hebt dat iedereen daar aan mee kan doen, dat er niemand meer is die hongerig, naakt, ziek of gevangen langs de kant van de weg moet blijven zitten. Dan alleen kun je oproepen dat alles wat adem heeft de Heer moet loven. Dan pas kan het Halleluja klinken, het werkwoord dat de dienst aan God weergeeft en dus gaat over de dienst aan de minsten in onze samenleving. Maar zang en muziek zijn niet het enige om God te loven. Ook de dans moet er aan te pas komen. God loven doe je met alles wat in je is. Wat dat betreft kunnen onze Nederlandse kerken soms nog heel veel leren van de kerken uit de zogenaamde arme landen, daar zijn de christenen vaak heel wat rijker in hun lofuitingen dan in onze deftige rijke westerse kerken. Wie in de Bijlmer in Amsterdam wel eens een kerkdienst van vreemdelingen heeft meegemaakt zal onder de indruk gekomen zijn van zang, snarenspel en dans die onophoudelijk de lof van God uitdragen. Die lof wordt dan uitgedragen door mensen die in onze samenleving op het minimum moeten leven, uitgebuit en vervolgd worden, op alle manieren aan de kant worden gezet. Zij hebben maar één sterke bondgenoot, God, mogen wij leren dienaren van die God te worden.

Die de vader is van David

zondag, 18 mei, 2008

Ruth 4:1-22

Zo ging Boaz naar de poort van de stad om daar te wachten tot de rechthebbende op het land van Nomi en Ruth, en daarmee rechthebbende op Ruth, voorbij zou komen. Dat klinkt ons raar in de oren want Boaz wist immers heel goed wie die rechthebbende was. Maar de poort is niet zomaar een plaats in de stad. Als je in de Bijbel leest over de poort, dan lees je ook over de plaats waar recht werd gesproken. En over het recht gaat het immers, het recht om voor iemand te mogen zorgen, het recht om met een weduwe te mogen delen. Daarom ook werden er 10 stadsoudsten gevraagd om er bij te komen zitten. Bij geschillen konden zij gelijk een vonnis vellen, in elk gevl konden ze als getuigen optreden. Zo werd er aan iedereen recht gedaan. Maar waarom zou je het recht moeten opeisen voor iemand te willen zorgen. De vrouwen konden zeker het land niet alleen bewerken. Dat bewerken was de taak van de man, zo lag de rolverdeling nu eenmaal. Dat land moest wel in de familie blijven. Was het verkocht of verdwenen dan kon na 50 jaar de familie weer opnieuw beginnen want dan kregen ze het land weer terug. In de tijd dat het boek Ruth werd opgeschreven waren veel van die regels al weer vergeten. Zoals de regel over de schoen die hier nog even wordt toegelicht. Hoewel, als je de oorspronkelijke wet in het 25ste hoofdstuk van het boek Deuteronomium er op nakijkt dan gaat het er om dat je iemand met z’n eigen schoen in het gezicht slaat als die een weduwe uit eigen familie onverzorgd laat. Hier is er keurig overleg en blijft er niemand onverzorgd achter. Wel wordt er nog even fijntjes herinnerd aan het verhaal van Juda en Tamar. Die Tamar moest haar toevlucht nemen tot een buitenechtelijke relatie tegen betaling met haar schoonvader om niet onverzorgd achter te blijven. Van die relatie stamde Boaz af. Van de relatie tussen Boaz en Ruth stamde uiteindelijk Koning David af. Ook David zou zo’n vreemde relatie hebben. Hij stuurde de man van Bathseba de oorlog in en trouwde haar toen die gesneuveld was. Van die relatie stamde Jezus van Nazareth af. Kennelijk kiest God in de geschiedenis niet voor de beste families. Juda en Tamar, Boaz en de moabitische Ruth, David en Bathseba, het kan niet op. In onze tijd met al die echtscheidingen een hele troost voor al die alleengaande ouders. Er kan nog best iets goeds voorkomen uit de kinderen. En angst voor vreemdelingen hoef je al helemaal niet te hebben. Van de dochters van Moab werd toch gezegd dat ze de zonen van Israel op het verkeerde pad brachten. Nou dat kun je van Ruth niet zeggen, zij speelt niet alleen de hoofdrol in dit verhaal maar ook in de geschiedenis van Israel. Zij was de vrouw die aan mannen en vrouwen ten voorbeeld wordt gesteld als het gaat om de vraag hoe je voor iemand moet blijven zorgen.

Op de dorsvloer gerst wannen

zaterdag, 17 mei, 2008

Ruth 3:1-18

Het was een mooie zomer geweest. De oogst was binnen en nu werd het tijd het kaf van het koren te scheiden. Je hebt immers alleen de korrels nodig om te malen tot meel zodat je er het brood mee kunt bakken waarmee je je tot de volgende oogst kunt voeden. Dat wannen van de gerst hoort bij dat proces van scheiden van kaf en koren. Maar voor Ruth en Nomi betekende dat ook dat de tijd van aren rapen, achter de maaiers en korenbindsters aan, voorbij was. Het betekende een terugkeer naar honger en armoede. Nu was Ruth een soort oudedagsvoorziening voor Nomi geweest. AOW of pensioen was er in die tijd nog niet. Het beste pensioen kreeg je van je kinderen, hoe meer hoe beter. Weduwen zonder kinderen hadden het daarom extra moeilijk. Het familielid dat de weduwe in bescherming moest nemen, de losser, moest daarom ook zorgen voor kinderen. En welke man vindt er niet graag een knappe weduwe in zijn bed. Nomi draagt Ruth daarom op om de rouwkleding af te leggen en zich op te maken als voor een bruiloft. Boaz snapt de boodschap direct. Hij had zich al eerder aangetrokken getoond tot deze Moabitische en nu ze zich ze openlijk aanbood was het tijd er gebruik van te maken. Maar wel binnen de Wet. Die Wet wees een ander aan die als losser zou moeten optreden en als je zo’n fraaie partij zonder meer zou opeisen zou het maar tot jalouzie leiden. En daar blijft het bij. Ruth past zich aan en zorgt dat niemand haar ziet vertrekken. Een verhaal waarin mensen elkaar recht doen. Ruth, de dochter van Moab, brengt hier Boaz niet op het verkeerde pad zoals eens Tamar de schoondochter van Juda zich gedwongen had gezien haar schoonvader op het verkeerde pad te brengen. Je kunt dus wel je vooroordelen tegen vreemdelingen hebben, je kunt wel bang zijn voor die rare gewoonten, maar je kunt ook verrast worden. Wie had nu gedacht dat Moslims bijvoorbeeld Jezus van Nazareth als een groot profeet vereren? Wie had gedacht dat bij het slachtfeest een kwart van het dier dat werd geslacht gegeven moet worden aan de armen? Wie had gedacht dat Moslims de plicht hebben om de armen te steunen, met hen te delen, en dat dat een van de vijf pijlers van de Islam is? Het is allemaal niet hetzelfde als bij ons maar het kan toch niet als verkeerd of bedreigend voor onze samenleving gezien worden? Het boek Ruth dient zich aan als een romantische liefdesgeschiedenis maar als je tussen de regels door leest is het een hoogst actueel verhaal over hoe we als mensen met elkaar om moeten gaan. Zijn wij nog in staat jalouzie te vermijden? Zijn wij nog in staat respect voor een reputatie op te brengen? Zijn wij nog in staat de armen dichtbij in onze stad, in ons dorp, in onze straat te herkennen en naar hen onze hand uit te steken? We mogen ons het elke dag opnieuw afvragen.

Zijn rechten als losser laten gelden

vrijdag, 16 mei, 2008

Ruth 2:14-23

Zo op het eerste gezicht blijft dit verhaal een mooi romantisch sprookje. Je ziet het voor je. Vrolijk zijn de maaiers met hun scherpe zeisen bezig het goudgele graan te maaien en achter hen aan trekken de vrouwen op om de aren te rapen en in schoven te binden. Een enkele arme sloeber uit het dorp mag dan nog rapen wat er is blijven liggen. En dan komt er een knappe jonge weduwe van exotische herkomst ook aren rapen. De rijke boer ziet het aan en legt tijdens het middageten op een slimme manier contact. Je voelt het aankomen, daar bloeit een zomerse romance. Zij krijgt te eten en hij zal uiteindelijk ook wel iets terugkrijgen. Maar zulke romantische sprookjes horen toch niet in de Bijbel thuis? Daar gaat het over het geloof in een andere, een betere, wereld, het geloof in een God die over de wereld heerst. En daar gaat dit verhaal ook over als je goed naar het verhaal wil luisteren. Want midden in het verhaal begint schoonmoeder Nomi ineens over “zijn rechten als losser”. Dat kennen we niet. Daar moeten we dus induiken om te snappen waar dit verhaal om draait. En dan kom je tot de ontdekking dat het niet gaat om rechten maar om plichten. De weduwe heeft door de hele Bijbel heen een symbolische plaats. Ze staat voor de arme die buiten de maatschappij is komen te staan. In de Wet van Mozes staan bepalingen die de weduwe moet beschermen en volgens het verhaal over de oorsprong van het volk Israel was die bescherming al gegeven voor de Wet aan het volk was gegeven. Zo lezen we een verhaal over Juda die een schoondochter had die weduwe was geworden maar niet geholpen werd. Die schoondochter moest uiteindelijk de hoer uithangen om in leven te blijven. Juda kon in dat verhaal uiteindelijk niet anders dan haar in bescherming nemen. Nomi als weduwe en Ruth als weduwe hebben dus ook recht op die bescherming van de familie. Maar Ruth is een Moabitische en de dochters van Moab brengen de zonen van Israel op het verkeerde pad. Geldt die wet dan ook nog? Is de wet er ook voor vreemdelingen? Zelfs voor vreemdelingen waar we een hekel aan hebben? De mensenrechtenorganisatie Human Right Watch heeft tegen onze regering gezegd dat mensenrechten ook door zo’n fatsoenlijke regering als de Nederlandse gehandhaafd moeten worden. Die organisatie heeft het meestal over onfatsoenlijke regiems als die in Birma of Rusland. Maar Nederland maakt bij toelating van vreemdelingen onderscheid tussen Westerse en Niet Westerse vreemdelingen. De Westerse, uit Amerika en zo, mogen zomaar naar binnen die Niet Westerse, uit Turkije en Marokko, moeten eerst in eigen land een duur examen doen. Eigenlijk mag dat dus niet, de wet tegen discriminatie geldt ook voor vreemdelingen die je niet zo graag ziet. In het verhaal van Ruth zou dat dus ook kunnen gelden voor zo’n Moabitische.

Achter de maaiers aan

donderdag, 15 mei, 2008

Ruth 1:19b-2:13

Wij kennen dat bijna niet meer, maaiers die met een zeis het graan maaien en schovenbindsters die de aren oprapen en in schoven te drogen zetten op het land. Wij kennen combines, grote machines die het graan maaien, opeten, en zakken graankorrels en bundels stro uitbraken. Die combines kunnen zich niet aan de wetten van Mozes houden. De maaiers en schovenbindsters wel, vooral als de eigenaar van het land die wetten serieus neemt. Want daar gaat het in dit stuk van het verhaal om. In de wetten van Mozes staat dat de aren die langs de kant van de akker staan niet gemaaid moeten worden maar moeten blijven staan voor de armen. Er staat ook dat als er geoogst wordt de maaiers en schovenbindsters niet fanatiek alles moeten oprapen en tot schoven binden maar de verspreide aren moeten laten liggen voor de armen. En arm waren Ruth en haar schoonmoeder Nomi. Nomi, wat betekent “mijn genot” of ook vertaald kan worden als “de gelukkige” vraagt of ze haar Mara, “de bittere” willen noemen. Weduwen hadden toen geen weduwenvoorziening, ze waren geheel en al afhankelijk van de familie. En voor Ruth was het dubbel moeilijk, ze was niet alleen weduwe, ze was nog een vreemdelinge ook. Nu is het verhaal opgeschreven in een tijd dat het weer belangrijk geworden was onderscheid te maken tussen in de inwoners van het land die wel bij het volk Israel hoorden en inwoners die niet bij het land hoorden. En net als in onze dagen kun je daar menselijk mee omgaan, mensen recht doen, of fanatiek alleen maar letten op de belangen van je eigen land en uit angst alles weren wat je vreemd is of vreemd voorkomt. Het boek Ruth is duidelijk een pleidooi om recht te doen aan mensen ook al zijn ze vreemdeling. Ruth wordt voortdurend aangeduid als de Moabitische en als Boaz haar uitlegt te profiteren van de regels, die hij voor haar zelfs zal verruimen, dan nog wijst ze er op dat ze een vreemdelinge is. Haar zorg voor haar schoonmoeder heeft echter indruk gemaakt. En ook al is ze niet in dienst bij Boaz ze mag toch meedelen. De schrijver Frenk van der Linden heeft een boek samengesteld over relaties tussen Nederlanders en vreemdelingen. Hoe gaan die? Wat zijn de problemen die mensen kunnen tegenkomen? Soms blijken de verschillen te groot om een relatie tot een succes te maken, maar soms is de Liefde tussen mensen zo groot dat die verschillen te overbruggen blijken. Het boek roept dan ook het vermoeden op dat de liefde tussen mensen problemen die er zijn tussen mensen van verschillende culturen doet verdwijnen en de verschillen doet vervagen. Het boek is van onze dagen, de wijsheid van de dagen van het boek Ruth en van die wijsheid mogen wij ook leven.

In de vlakte van Moab

woensdag, 14 mei, 2008

Ruth 1:1-19a

Vandaag beginnen we te lezen in het boek Ruth. Dat is een van de vijf Joodse feestrollen. Die worden gelezen op de Joodse feestdagen en de rol die aan de beurt is wordt dan feestelijk de synagoge rondgedragen. Het boek Ruth wordt gelezen op het Wekenfeest, het feest dat wij kennen als het Pinksterfeest. Een feest met een dubbele bodem. Het valt vijftig dagen na het feest van de bevrijding uit Egypte en als de geschiedenis zich herhaalt, en dat doet de geschiedenis bij religieuze feesten, dan is het Wekenfeest de viering van het krijgen van de Wet van de Woestijn, de Wet van eerlijk delen, van heb je naaste lief als jezelf. Maar het Wekenfeest is ook het feest van de eerstelingen van de oogst die niet voor jezelf zijn maar voor God. Daarmee richt je een maaltijd aan bij de Tempel, vroeger bij de Tabernakel, met de armen, je familie, de tempeldienaars en de vreemdelingen in je midden. In het begin van dit verhaal is er echter geen sprake van eerstelingen van de oogst want er is hongersnood. Zelfs in Bethlehem, het huis van brood betekent dat, is er niet genoeg om te eten. En de Elimelech waarover wordt verteld gaat met vrouw en zonen naar Moab waar ze als vreemdeling bleven wonen. Dat land Moab had een slechte naam. De Moabieten waren afstammelingen van Lot, de neef van Abraham, maar toen de afstammelingen van Abraham zich in de vruchtbare vlakte van Kanaän wilden vestigen verzetten de Moabieten zich daartegen. Ze stuurden zelfs de profeet Bileam op ze af om ze te vervloeken. De dochters van de Moabieten verleiden later de Israelieten tot afval van de Wet. En met die dochter begint het eigenlijke verhaal over Ruth, dat was zo’n Moabitische. Het boek Ruth is tot nu toe altijd als een lieflijk boekje beschreven. Goethe werd er bijvoorbeeld lyrisch van. Maar in onze dagen zou het misschien een heel diepe betekenis moeten hebben. Het gedeelte dat we vandaag lezen begint met Elimelech en eindigt met Nomi. Vertrek uit en terugkeer naar het huis van brood staan centraal. Maar ook het contrast tussen Ruth en Orpa, de twee dochters van Moab. Orpa die netjes naar haar familie teruggaat, weduwe blijft en Ruth die met haar schoonmoeder meegaat. Net als Abraham gaat ze uit haar land en bij haar familie vandaan naar het land dat de God van Abraham aan Nomi heeft gegeven. Uw volk is mijn volk, Uw God is mijn God klinkt het bij haar. Maar ben je ingeburgerd als je de godsdienst van je schoonfamilie aanneemt? Hoe slecht de Moabieten, vooral hun dochters, ook bekend stonden bij het volk van Israel, de houding van Ruth klinkt ons sympathiek in de oren. Misschien wel als waarschuwing niet te snel te oordelen over vreemdelingen die je land binnenkomen om daar te wonen en te leven. Een waarschuwing die we ons best ter harte mogen nemen.

Onrechtvaardigen zullen niet meer bestaan.

dinsdag, 13 mei, 2008

Psalm 104:16-35

Dat zou mooi zijn, dat zou heel mooi zijn, als er eens geen boosdoeners meer zouden bestaan op de aarde. Is dat haalbaar? Moeten we daarin nou geloven? Volgens de Psalm is het niet alleen haalbaar maar zal het er uiteindelijk onvermijdelijk op uitdraaien. Maar we moeten er dan niet zozeer in geloven dat het vanzelf wel zal komen, maar we moeten dat geloven zien als een werkwoord, als een opdracht. “De mensen gaan aan het werk en arbeiden door tot de avond.” staat er in deze Psalm. Dat aan het werk gaan en door gaan tot de avond dat is pas geloven. Dit gedeelte van de Psalm begint met bezingen van de ceders van de Libanon. Volgens de Bijbel de mooiste bomen van de wereld. Door Salomo in Israel geïmporeerd om te gebruiken bij de bouw van de Tempel in Jeruzalem. Die bomen moeten grote indruk gemaakt hebben. Zo’n grote indruk dat je één van die bomen vandaag de dag terugvindt in de vlag van Libanon. Vogels zullen er vandaag de dag toch niet snel nesten bouwen, door het oorlogsgeweld zal hen het tjilpen zijn vergaan en de vruchtbaarheid van ooievaars is in Libanon ver te zoeken. Wat dat betreft zullen de gewone mensen in Libanon zuchten en smeken dat de boosdoeners eindelijk van de aardbodem verdwenen mogen zijn. Lange tijd zijn de strijdende partijen in de Libanon uit elkaar gehouden door troepen van de Verenigde Naties, ook Nederlandse militairen hebben daarbij geholpen. Dat heeft lange tijd gewerkt en het lijkt er op dat het nu weer nodig zou zijn. We weten wel hoe we mensen moeten helpen, we doen het alleen zo vaak niet. We lijken op de mensen uit het verleden die geloofden dat de maan en de zon goden waren die vrede en voorspoed konden brengen. De Psalm bezingt terecht dat God voor de zon en de maan heeft gezorgd, in de avond als de maan schijnt kunnen we bijeen komen en de zon weet hoe laat zij moet thuiskomen. In de Nieuwe Bijbelvertaling die wij hier volgen is dat element van samenkomst en thuiskomen wat weggevallen, in de Naardense Bijbel is dat behouden gebleven. Vroeger heette dat gezette tijden bij de maan. We zetten ons dus voor samenspraak en overleg, voorwaarden voor vrede in de samenleving. In zo’n samenleving hoef je geen angst te hebben, in de nacht niet voor jonge leeuwen, en op zee niet voor een zeemonster als Leviatan. In zo’n samenleving hoef je niet bang te zijn voor honger en stijgende voedselprijzen. Als mensen echt voor elkaar willen zorgen, hun naasten liefhebben als zichzelf, is er voldoende om mee te delen en is er voedsel voor iedereen die het nodig heeft, in overvloed zelfs. Zonder die Geest van God ziet het er donker uit voor de aarde, maar in die Geest zal de aarde zich vernieuwen.

Brood dat het mensenhart versterkt

maandag, 12 mei, 2008

Psalm 104:1-15

“Prijs de Heer”, dat zullen velen beamen en dat zal evenveel mensen, misschien nog wel meer, afstoten. Want waarom zou je een God prijzen die je nog nooit gezien hebt, die misschien wel de orkaan in Birma heeft gestuurd, die dag in dag uit de ellende, de honger en de oorlog, op deze aarde laat voortbestaan. In de vertaling van de Naardense Bijbel begint deze Psalm met “Zegen mijn ziel de Ene” en dat klinkt al heel anders. Het goede van jezelf moet uitgaan naar God, want kennelijk mag je zelfs God zegenen. Als we dan de Psalm gaan lezen, de eerste 15 verzen en de rest doen we morgen, dan valt op dat de Psalm gaat over de schepping. Al het goede dat we zien komt van God. Al het kwade dus ook? Misschien, maar daar gaat deze Psalm niet over. Wij willen altijd graag alles weten over goed en kwaad. Maar volgens het scheppingsverhaal maken we ons daarmee gelijk aan God, die gaat over goed en kwaad maar wij hebben de opdracht alleen het goede te doen en niet dan het goede. En dan is die aarde zo slecht nog niet. De aarde zoals wij die kennen is in staat voor iedereen voedsel in overvloed te produceren. De zeeën kunnen rijk zijn aan vis, graan en rijst kan in overvloed groeien en de bossen zijn er om de lucht te zuiveren. Verder is er vee dat kan grazen op gronden die geen landbouw verdragen en is er wild als extra tractatie. Dat wij dat niet om ons heen zien? Je kunt God toch niet de oneerlijke verdeling tussen arm en rijk, tussen noord en zuid verwijten. Je kunt God toch niet de verspilling van kostbare grondstoffen verwijten. Je kunt God toch niet het gat in de ozonlaag verwijten. Je kunt God toch niet de vergiftiging van rivieren en zeeën verwijten. God is toch niet verantwoordelijk voor de overbevissing en de luchtvervuiling? Juist zo’n schijnbaar vrome Psalm over de schepping en het mooie op de aarde drukt ons met de neus op de feiten. Wij zijn het zelf die het kwade doen. Wij zijn het zelf die de hulp aan de slachtoffers in Birma inrichten naar de nukken van de militaire heersers daar. We doen dat zelfs ondanks de afspraak in het handvest van de Verenigde Naties dat we samen verantwoordelijk zijn voor de bescherming van volken ook al worden die in gevaar gebracht door hun eigen regeringen. Als we het dan zo graag over het kwaad willen hebben zouden we eerst naar het kwaad van onszelf moeten kijken. Niet om ons schuldig te gaan voelen en ons te laten verlammen, maar om te weten dat er een andere weg is. De weg van God waarin we mee mogen gaan, ja waarheen we geroepen worden, de weg van het goede, waarop we mogen delen met ieder die het nodig heeft en de aarde mogen bewerken zodat die aarde goed is en goed blijft.