Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor mei, 2008

Apart wonen en buiten het kamp verblijven.

zaterdag, 31 mei, 2008

Leviticus 13:29-46

Het klinkt hard, maar quarantaine is nog steeds na al die eeuwen een probaat middel tegen de verspreiding van besmettelijke ziekten. Het is haast niet voor te stellen dat dit moderne middel al toegepast werd eeuwen voor het begin van onze jaartelling. En toch is het zo. Al behoort de zorgvuldige waarneming van de Priester toen er net zo hard bij als een zorgvuldige diagnose van de dokter nu. Het is duidelijk dat de uitsluiting uit de gemeenschap geen dag langer mag duren als nodig. Ook nu kan een quarantaine alleen als er een medische noodzaak is, niet omdat we bang zijn voor een enge ziekte. Dat laatste wordt nog wel eens vergeten. We hebben in ons land een redelijk uniek systeem voor mensen met en zware psychische stoornis die een gevaar blijken te zijn voor andere mensen in de samenleving. Die mensen krijgen straf voor hetgeen ze verkeerd hebben gedaan en worden daarna Ter Beschikking van de Regering gesteld om verpleegd en behandeld te worden tot het gevaar geweken is. Dat laatste is natuurlijk moeilijk vast te stellen. Daar horen meerdere doctoren en deskundigen aan te pas te komen en in laatste instantie de onafhankelijk rechter die kan bekijken of alle oordelen wel zorgvuldig zijn geveld, wat het advies van de deskundigen is en of het verantwoord is dat advies te volgen. Meerdere doctoren en deskundigen betekent ook voldoende geld om hen te betalen, voldoende geld ook om hen op te leiden. Dat voldoende geld ontbreekt eigenlijk. Daardoor is het systeem van TBS wel een mooi systeem maar ook een systeem met veel onvolkomenheden. Beslissingen worden daarom ook wel genomen zonder dat er voldoende inzicht is in de genezing van een gevaarlijk patiënt, zonder voldoende afweging van de gegevens door voldoende deskundigen. Dan kan het mis gaan. Dat mis gaan gebeurd eigenlijk maar zelden maar elke keer dat het misgaat is er iemand op een verschrikkelijke manier slachtoffer en zijn er nabestaanden die soms jarenlang met een pijnlijk verlies achterblijven. Dat moet niet. Het systeem is er voor om en de patiënt en de samenleving te behoeden voor het gevaar. Daar is het apart stellen voor en daarvoor moeten de patiënten in streng gesloten inrichtingen blijven wonen. Maar we mogen ze daar niet onnodig laten wonen. Onze angst, hoe terecht soms ook, mag nooit de doorslaggevende reden zijn om mensen hun hele leven te blijven uitsluiten van de samenleving. Dat zou in strijd zijn met de Bijbelse richtlijnen zoals we ze hier in het boek Leviticus ook aantreffen. Uit elk vers van dit wetboek spreekt de wil om zo zorgvuldig mogelijk te handelen. Daar mogen we de politici op aanspreken die het geld beschikbaar stellen om ons te beschermen, om deskundigen op te leiden en aan te stellen om TBS gestelden te behandelen en te beoordelen en om te zorgen dat niemand buiten onze samenleving geplaatst wordt die dat niet verdiend.

Het litteken van de brandwond.

vrijdag, 30 mei, 2008

Leviticus 13:18-28

Melaatsheid was in het Oude Oosten een zeer enge ziekte. Maar de zorgvuldigheid waarmee in Israel de patiënten benaderd werden kan nog steeds een diepe indruk maken. Het hele dertiende hoofdstuk van het boek Leviticus is geschreven in vaktaal, aan de hand van dit hoofdstuk kan de Priester, die ook optreed als dokter, een onderscheid maken tussen chronische en acute ziekten. Dit is het oudste voorschrift betreffende quarantaine en preventieve geneeskunst uit het Nabije Oosten aangaande dit soort ziekten. Overigens is de vertaling “melaatsheid” vervangen door huidvraat omdat wij met onze moderne technische middelen een veel helderder diagnose kunnen stellen over melaatsheid. In Bijbelse tijden werden allerlei huidaandoeningen van een meer chronische aard voor de zekerheid maar onder “huidvraat” geschoven en werden de mensen onrein verklaard. De voorschriften uit het boek Leviticus zouden de mensen ervoor moeten behoeden dat het onrein verklaren geen dag langer zou duren dan strikt noodzakelijk was. De verhalen in het Nieuwe Testament over de omgang van Jezus van Nazareth met lijders aan huidvraat leren ons dat de angst voor vreemde ziekten gemakkelijk de overhand kan krijgen op de verstandige voorschriften. Ook in onze samenleving kan dat gemakkelijk toeslaan. We hebben hele kuddes koeien en schapen af laten slachten en laten vernietigen omdat we bang gemaakt waren voor enge ziekten uit het Verre Oosten. Uit angst besmet vlees te eten werd vaccinatie van het vee tegen die enge ziekten afgewezen. Dat we ook het dierlijk leven ernstig moeten nemen en met respect moeten behandelen vergeten we. In de Bijbel staan ook voorschriften voor ritueel slachten. Die voorschriften zijn er juist voor bedoeld ons steeds weer te herinneren aan het respect dat we voor dierenleven moeten opbrengen. Ook in de Islam bestaan de voorschriften voor ritueel slachten. Bij de discussie daarover moeten we ons dus ook realiseren dat het gaat om een respect voor dierenleven dat we in het algemeen in de samenleving niet meer weten op te brengen. Maar heel langzaam dringt het besef door dat vaccinatie van vee tegen die enge ziekten verre te verkiezen is boven het massaal afslachten van hele kuddes dieren. Misschien moeten onze kinderen en scholieren wat vaker excursies maken naar slachthuizen om het contact met de werkelijkheid van hun voedsel weer te krijgen. Oudere mensen kennen nog de slager in de buurt die ook zelf slachtte, of de huis- of noodslachting op de boerderij. Respect voor het leven is in elk geval een belangrijk Bijbels gegeven. Respect voor mensen staat daarbij voorop. Uitsluiten van mensen buiten de samenleving anders dan vanwege een directe bedreiging voor de samenleving en voor henzelf moet in elk geval worden afgewezen.

Hij is dan rein

donderdag, 29 mei, 2008

Leviticus 13:1-17

Het waren de Levieten die niet alleen in de Tempel de priesters hielpen bij de dienst in de Tempel maar ook rechtspraken in het land. In elke stad en in elk dorp woonden Levieten. Na de ballingschap waren zij het die de wetten van Mozes opnieuw voorlazen en uitlegden aan het volk. In het boek Leviticus vinden we hun eigen wetboek. In dit gedeelte gaat het over de huidvraat, vroeger noemden we dat gewoon melaatsheid. Van Jezus van Nazareth wordt verteld dat hij nogal veel mensen van huidvraat genezen zou hebben. Die mensen kregen dan ook de opdracht zich weer aan de Priester te laten zien. Mensen met huidvraat waren in de praktijk geheel en definitief buiten te samenleving geplaatst. Als je dit gedeelte van de Bijbel nauwkeurig leest dan vraag je je af waarom dat zo definitief en zonder einde moest. Huidvraat kon immers genezen en iedere keer dat er een verandering optrad in de ziekte moest de Priester opnieuw een oordeel over de ziekte vellen. Een gezondheidszorg die uitblinkt in zorgvuldigheid wordt ons hier geschetst. Niet alleen wordt de omgeving beschermd door isolering maar de patient zelf wordt zoveel mogelijk geholpen weer een volwaardige plaats in de samenleving in te nemen. Dat gaat in de praktijk dus anders. Ook wij kennen in onze geschiedenis de leprozenkolonies en de kleppermannen. In de leprozenkolonies werden melaatsen bijeen gebracht, voor de rest van hun leven. Kwamen ze in een bewoonde omgeving dan moesten ze met kleppers hun komst aankondigen zodat elk contact met niet melaatsen vermeden kon worden. Naar hen omkijken deed eigenlijk niemand. Daar hebben we wel van geleerd. De leprastichting probeert in de hele wereld aandacht en zorg te organiseren voor mensen met huidvraat en hen weer een volwaardige plaats in de samenleving te bezorgen. Die leprastichting verdient onze steun dus. Maar mensen met huidvraat zijn ook een voorbeeld. Ze roepen voor alle zieken en gehandicapten de vraag op hoe we met ze omgaan. Hebben we werkelijk aandacht en zorg voor hen of alleen als het ons niet teveel kost. De jonggehandicapten krijgen nu van de regering de indruk dat ze eigenlijk te veel kosten, dus teveel zijn. Omdat werkgevers ze niet willen hebben en op hun scholing al te veel bezuinigd is dreigen ze gekort te worden op het allerlaagste uitkeringsinkomen dat voor hen was bestemd, de Wajonguitkering. Natuurlijk zijn er vele jonge gehandicapten, of gehandicapten die dat van jongsaf zijn, die nog best kunnen werken. Ze willen dat maar al te graag. Maar in plaats van hun scholing te verbeteren en werkgevers te verplichten ook hen werk te geven worden ze gestraft. Dat is dus niet het voorbeeld dat ons in dit gedeelte van Leviticus wordt voorgehouden, dat moet dus anders, met zorg en aandacht.

Weg met jullie, wetsverkrachters!

woensdag, 28 mei, 2008

Matteüs 7:21-8:1

Er is natuurlijk een discussie over wat je wel en niet mag zeggen in ons land. Mag je je tegenstanders “wetsverkrachters” noemen? Soms lijkt het er op dat dat niet mag. Jezus van Nazareth nam geen blad voor de mond als het ging om mensen die zich mooi voordeden maar niets wilden betekenen voor de minsten in de samenleving. Hij voorzag dat ook zijn beweging zulke mensen aan zou trekken, profeten die de mensen schuldgevoelens aan zouden spreken, gebedsgenezers die in grote zalen op fraai verlichte podia mensen zouden bewegen weer te gaan lopen of hen het gevoel zouden geven van een ernstige ziekte genezen te zijn. Wetsverkrachters zijn het. Het “heb-uw-naaste-lief-als-uzelf” wordt door die mensen met voeten getreden. Het gaat hen om eigen eer en aanzien, om macht ook over mensen, macht die soms tot in slaapkamers toe moet worden uitgeoefend. Als je de Wet volgt van naastenliefde dan bouw je pas je leven op een rots. Het fundament van een huis is meestal onzichtbaar, net zo onzichtbaar als naastenliefde hoort te zijn. Die liefde valt in de samenleving wel op. Christenen werden er aan herkent, ze namen slaven op, beschouwden mannen en vrouwen als gelijken en keken niet op afkomst of tongval. Iedereen kon meedoen aan dat beginnende koninkijk van Jezus van Nazareth. Maar ze lieten zich er niet op voorstaan. Ze stonden niet op markten en in de Tempel op podia wonderen te doen. Nee toen Petrus en Johannes bij de Tempel een lamme bedelaar tegenkwamen verontschuldigden ze zich omdat ze geen goud of goed voor de bedelaar hadden, alleen maar het woord van Jezus: Sta op!. Dat woord hebben we ook vandaag voor mensen die verlamd zijn door economische uitbuiting, die geen weg meer zien in het leven door de druk van alle dag. Sta op! Bouw je huis niet op aanzien en uiterlijk vertoon, dat is drijfzand. Wie vandaag populair is wordt morgen verguisd en is overmorgen vergeten. Een zogenaamde genezing in een warme zaal met veel licht en vrolijk gezang kan morgen weer over zijn. Alleen wat gebouwd wordt op Liefde, de liefde zoals van Jezus van Nazareth ons wordt verteld in de Bijbel, is blijvend en duurzaam. En juist met genezingen, als Jezus van Nazareth iemand weer een plaats gaf in de samenleving, de ogen opende voor de mogelijkheden die een mens gegeven zijn, dan juist droeg hij de mensen op te zwijgen over zijn persoon, geef de eer aan God maar niet aan mij beklemtoonde hij keer op keer. Daarom mogen in navolging van hem ook kleine eenvoudige bescheiden mensen, die niet zoveel geld hebben of niet zoveel kunnen en kennen, meedoen in zijn koninkrijk. Iedereen kan iemand lief hebben als zichzelf, ook vandaag nog steeds.

Nauw is de poort naar het leven

dinsdag, 27 mei, 2008

Matteüs 7:13-20

Gemak dient de mens, maar kennelijk niet de mens die wil leven. Wie het al te gemakkelijk wil hebben bewandelt gemakkelijk een weg naar de ondergang. Ook als je gemakkelijk wil geloven. Op zondag naar kerk, door de week bidden en bijbellezen en vrolijk zingen van Prijs de Heer. Als het daarbij blijft is het een gemakkelijk geloof. In Bijbelse termen een brede weg en een ruime poort, ook die leidt naar de ondergang hoe vaak je ook roept dat God de Heer is. Het zijn de valse profeten in schaapskleren die dit soort gemakkelijk christendom prediken, geef je hartje aan Jezus en alles komt goed, in werkelijkheid zijn het roofzuchtige wolven, soms onverbloemd te herkennen aan de geldschalen, manden en bakken die in hun samenkomsten rond gaan terwijl ze roepen dat veel geven ook veel genade ontvangen is. Hun vruchten zijn er geen. Er zijn geen armen die bevrijdt worden, geen hongerigen die gevoed of naakten die gekleed worden. Bedroefden worden niet getroost en niemand krijgt een nieuwe plaats in de samenleving. Ze zorgen ook niet voor de gemeenschap van gelovigen want als ze verdwijnen verdwijnt ook hun zogenaamde kerk of beweging. Aan de vruchten herkent men de boom. En de vrucht van de kerk is de diakonie, de dienst aan de gemeenschap. Het zijn de diakenen die de bezoeken aan gevangenen in onze gevangenissen organiseren. Het waren kerkvrijwilligers die als eersten in ons land de vreemdelingen thuis taalles gingen geven. De Max Havelaar koffie werd als eerste op zondag achter in kerken verkocht zodat de verbouwers van de koffiebonen een eerlijke vergoeding voor hun loon kregen. Het zijn vrijwilligers opgeroepen in kerken die vrijwilligerswerk in ziekenhuizen verrichten, en kinderen opvangen in asielzoekerscentra, die helpen bij Vluchtelingenwerk Nederland maar ook zorgen voor Vluchtelingen in verre gebieden via de Stichting Vluchteling, voortgekomen aan de Oekumenische Hulp aan Vluchtelingen. Wie in koude nachten rondrijd met een busje waarin warme soep en brood is voor de daklozen weten we allemaal. Zending is uitgegroeid tot ontwikkelings-samenwerking waarin gelovigen en niet gelovigen elkaar zijn gaan vinden in de hulp aan de armsten in de wereld. Juist het besef in onze samenleving dat slachtoffers van rampen en geweld geholpen moeten worden en steeds opnieuw geholpen moeten worden komt uit de prediking van de kerken over het heb Uw naaste lief als Uzelf. Juist in die hulp zijn gelovigen in onze samenleving zoutend zout, ze organiseren, zamelen in, geven voorbeeld en slepen iedereen mee die goed wil doen. En eigenlijk wil iedereen wel goed doen. Doe dan mee door ergens je tijd en capaciteiten ter beschikking te stellen, voor de ander.

Ieder die vraagt ontvangt

maandag, 26 mei, 2008

Matteüs 7:1-12

Het hart van de Wet en de Profeten, daar gaat dit gedeelte van de Bijbel over. En dat hart is dat je anderen moet behandelen zoals je zelf zou willen worden behandeld. In de eerste plaats wil niemand dat er allerlei oordelen over je geveld worden. Roddel en achterklap zijn dodelijk. Als je wat fout gedaan hebt ben je de eerste die dat weet en als je dat ook echt gedaan hebt is het niet erg dat iemand daar op wijst. Als het strafbaar is wat je gedaan hebt is het ook te dragen als je het echt hebt gedaan. Maar als een oordeel op dubieuze gronden is gevestigd en je hebt het niet gedaan kunnen er rampen gebeuren. Dan kunnen mensen jaren in de gevangenis zitten voordat blijkt dat iemand anders het misdrijf heeft begaan. De voortschrijding van de techniek maakt ontdekkingen mogelijk maar moet ons ook extra voorzichtig maken. Al die fouten in de rechtspraak moeten ons ook voorzichtiger maken een oordeel te vellen zonder als rechter alle feiten en omstandigheden zorgvuldig te hebben onderzocht. Ook een oordeel over rechters die fouten maken of oordelen vellen waar we het niet mee eens lijken te zijn hoort bij de oordelen waarmee we extra voorzichtig moeten zijn. Waar het om gaat is mensen lief te hebben en vanuit de liefde mensen te behandelen. Dan zorg je voor ze net alsof je voor jezelf zorgt. Dan weet je dat wat je vraagt niet voor jezelf is maar voor de ander en dat als het even kan je zorgt dat er gebeurt voor die ander wat je voor die ander vraagt. Dan weet je dat het geen zin heeft parels voor de zwijnen te werpen ofwel dingen te vragen die onmogelijk zijn, ook al kan een ander het nog zo hard nodig hebben en zou je het die ander nog zo ongeloofelijk graag gunnen. Maar als je je er echt voor wilt inzetten, als je klopt en bondgenoten zoekt, bereid bent ook op anderen een beroep te doen om dingen voor elkaar te krijgen voor mensen die het dringend nodig hebben dan kan er altijd meer dan je denkt. Dan kan er zeker meer dan je in je eentje zou kunnen. Daarom is de gemeenschap van gelovigen ook zo belangrijk. Daarom wordt er zovaak gesproken over een Koninkrijk. Een koninkrijk heeft niet maar één gelovige als onderdaan maar velen die samen de aarde een ander gezicht kunnen geven. Daarom zijn leerlingen, apostelen, werkers in de wijngaard, altijd met meerderen. Samen kunnen ze veel betekenen, samen kunnen ze veel voor elkaar krijgen. De Wet en de Profeten gingen over een heel volk, het volk Israel. Over dat volk ging het verhaal dat een voorbeeld zou moeten kunnen zijn voor alle volken op aarde. Dat volk is opgegaan in het Romeinse Rijk en over de wereld verspreid. Uit dat volk, en zeker niet in plaats van dat volk, is de christenheid voortgekomen. In de Geest van Jezus van Nazareth zullen we nu samen de aarde een ander gezicht moeten geven, zodat er een aarde is waar alle tranen zijn gewist.

Wat zullen we eten?

zondag, 25 mei, 2008

Matteüs 6:24-34

Van de week vertelde een huisvader uit de Libanon over de situatie in zijn land. Hij was bouwvakker maar al sinds een paar jaar werkloos. Elke dag trok hij er op uit om werk te zoeken en slechts af en toe slaagde hij daarin. Hij was gefilmd in zijn huiskamer, naast hem zaten zijn twee zeer jonge kinderen en tegenover hem zijn vrouw. Hij vertelde schijnbaar onaangedaan dat ze alleen konden eten als hij had gewerkt, anders moesten de kinderen zonder eten naar bed. Ze aten in elk geval nooit meer dan een keer per dag. Zijn vrouw vertelde dat ze geen geld meer hadden om melk voor de kinderen te kopen dat was nog het ergste. Hoe moet je die mensen nu uitleggen wat er hier in de Bijbel staat? Je hoeft ze het waarschijnlijk niet uit te leggen. Zij zullen zich niet meer afvragen wat ze zullen eten of wat ze zullen drinken of waarmee ze zich zullen kleden maar of ze zullen eten en of ze zullen drinken en of ze iets zullen hebben om aan te trekken. In onze rijke samenleving pijnigen we ons met onzinnige keuzes. Moeten we onze ogen een milimeter liften om er jonger uit te zien? Welke kleur haarspoeling neemt de vrouw en welke past daar voor de man bij? Voor Jezus van Nazareth zijn het keuzes voor de heidenen. Voor gelovigen gaat het om het Koninkrijk Gods, om de vraag dus hoe we kunnen delen met dat gezin in de Libanon, met de mensen aan de rivier in Birma of die Chinezen die zelfs nog geen tent hebben om in te wonen. We weten heel goed dat als we bereid zijn om te delen er genoeg is om voor iedereen te zorgen. Voor het gezin in de Libanon is er vrede in de regio nodig, rechtvaardigheid voor de Palestijnen en veiligheid voor de Israeli, voor de mensen in Birma zullen we macht moeten ontmantelen van de militairen die doodsbenauwd zijn hun macht te verliezen en voor de mensen in China moeten we ons over de weerzin tegen hun dictatoriale regiem heenzetten en een hulporganisatie opzetten die past bij de omvang van hun land. Zo zijn er tal van armen waarvoor de keuzes die we maken oneindig veel belangrijker zijn dan de vraag hoe wij de buren overkomen en of we wel gewild en modern genoeg op ons werk verschijnen. We kunnen geen twee heren dienen, de God van Jezus van Nazareth dienen en de god van winst en profijt dienen gaat niet samen. Het geld dat we aan overbodig voedsel en make up uitgeven kunnen we niet delen met de hongerigen, de daklozen, de zieken en gehandicapten, de gevangenen en de armen in de wereld. De belofte die ons in dit verhaal gedaan wordt is dat, als wij delen, als we die armen weten te bereiken, al dat andere ons ook ten deel zal vallen. Maar wie heeft het nog nodig als je al het geluk zal zien dat straalt uit de ogen van de wanhopigen die weer een leven kregen.

Jou zou ik spijzigen met honing uit de rots

zaterdag, 24 mei, 2008

Psalm 81

Soms moet je mensen weer wakker schudden door hen te herinneren aan hun geschiedenis. Wij zien die geschiedenis misschien niet zo benoemd in deze Psalm van Asaf, een van de hoofden van de Tempelzangers die in de loop van de tijd een Psalm hebben nagelaten die is opgenomen in het boek van de Psalmen. Maar de Psalm staat vol van geschiedenis. Volgens het tweede deel was dat herinneren nodig omdat het volk ontrouw werd aan de God van Israel, er wordt gewaarschuwd tegen het nalopen van vreemde goden. En de Psalm begon nog wel zo vrolijk met een tamboerijn, harp en een lieflijke lier. Die Gatitische moet een vrolijk danswijsje geweest zijn. Maar als de ramshoorn bij nieuwe maan werd geblazen dan was het helemaal niet vrolijk. Dan brak de Grote Verzoendag aan, de dag waarop iedereen in Israel doodskleding aantrok, beleed dat ze weer niet een samenleving hadden gevormd zoals ze ooit met God hadden afgesproken en opnieuw het verbond aangingen om hun naaste lief te hebben als zichzelf. Dat hadden ze immers ooit in de Woestijn afgesproken met de God van de aardsvader die ze naar Egypte had gebracht in een tijd van hongersnood, Jacob. Daar was Jozef de onderkoning die zorgde dat ze voldoende voedsel hadden. En uit dat land van de dood waren ze bevrijdt, zelfs in de woestijn hoefden ze niet te vrezen voor hun leven, bij Meriba was het water bitter maar werd het water zoet en goed om te drinken. Dat soort gebeurtenissen vergeet men licht. Net als wij vergeten waar we vandaan gekomen zijn. Hoe Duitse huursoldaten ons land binnenvielen met een Prins van een Frans Prinsdom die van Duitse afkomst was maar wat functies in de Nederlanden had geërfd. Een dichter zou over hem dichten dat hij zou zingen: “Wilhelmus van Nassauwe ben ik van Duitsen bloed”. Die Prins zou nog lang een trouw dienaar zijn van de koning van Spanje tot hij die koning afzwoer omdat hij, zoals hij in zijn apologie schreef, gewetensvrijheid voor alle onderdanen eiste. Iedereen moest kunnen geloven wat men zelf wilde, de overheid zou nooit mogen voorschrijven wat men wel of niet zo mogen of moeten geloven. Dat vergeten we zo gemakkelijk. Altijd als er weer mensen in ons land komen die vreemd zijn aan wat we gewend zijn dan hebben we de neiging om ons af te sluiten voor de vreemdelingen. Daarmee maken we onszelf, onze eigen cultuur en gewoonten tot God, alsof onze gewoonten en onze cultuur het enige is dat je in deze wereld zou moeten volgen. Het is in strijd met wat die Prins voorstond en waar ons land op is gebouwd, het is in strijd met waar in de vorige eeuw landgenoten zich met geweld tegen hebben verzet, het verheffen van de een boven de ander. Deze Psalm helpt ons nog eens herinneren, er is één God en die vraagt ons om iedereen lief te hebben als onszelf, vooral de minsten op deze aarde. Laten we het niet vergeten.

Wie mijn lichaam eet…

vrijdag, 23 mei, 2008

Johannes 6:41-59

…en mijn bloed drinkt…., het zou toch een vreemde zaak zijn. Geen wonder dat de mensen zich verbazen over de manier waarop Jezus van Nazareth zich uitdrukt. Later zou in de Roomse zogenaamde kerk het bijgeloof ontstaan dat de ouwel en de wijn van de eucharistie na het uitspreken van een spreuk door de priester inderdaad veranderen in vlees en bloed van Jezus van Nazareth. Ooit werden mensen die dit in twijfel trokken in ons land op de brandstapel gezet zo belangrijk vond men dit bijgeloof. Maar Johannes besluit met een mededeling die veel duidelijk maakt, Jezus van Nazareth zei dit allemaal in de synagoge van Kafernaüm waar hij onderricht gaf. Dat betekent dat we dit verhaal ook moeten betrekken op het Oude Testament, want om het Oude Testament draaide het allemaal in de synagoge en ook al schreef Johannes zijn verhaal vele tientallen jaren nadat het allemaal gebeurd was ook in zijn tijd stond het Oude Testament in de synagoge centraal. In dit verhaal zet Jezus van Nazareth de uittocht uit Egypte in het midden van het onderricht. Het lam dat werd geslacht voor de uittocht, het bloed aan de deur gesmeerd, zodat de engel des doods die deur voorbij zou gaan, het ongezuurde brood dat meegenomen moest worden en het manna dat het volk in leven zou houden tijdens hun tocht door de woestijn. Denk daarbij ook aan de ram die een maal per jaar de woestijn in werd gestuurd nadat iedereen al de verkeerde dingen symbolisch op die ram had gelegd. Al die elementen spelen in het verhaal van Jezus van Nazareth door. En dan blijkt dat wat hij eigenlijk zegt is dat je dat niet alleen moet horen en moet geloven dat wat daar gebeurd is tot bevrijding heeft geleid maar dat je het je eigen moet maken zoals hij het zich ook eigen heeft gemaakt. Dat het vlees en bloed in je eigen lichaam moet worden, dat je er handen en voeten aan moet geven. De uittocht betekent niet alleen dat je geroepen bent om bevrijdt te worden maar ook dat je gezonden bent tot bevrijding. De uittocht uit het land van de dood Egypte betekent uiteindelijk ook de intocht in het land overvloeiende van melk en honing, het land van het leven. Daartussen ligt de ontdekking van de Wet van de Woestijn, zonder elkaar gaat het niet, houd dus van je naaste als van jezelf, dat is van God houden en er is maar één God. Daaruit en daarvan moet en mag je leven. Zo leven brengt je in directe verbinding met God, met de Liefde, een liefde die zichzelf niet zoekt maar desnoods zichzelf deelt door de dood hen als dat moet. Heel het Oude Testament wordt hier samengebald in het leven, het lijden en sterven en de opstanding van Jezus van Nazareth. Daarom kon het verhaal ook pas zo worden opgeschreven na het Paasfeest waar dat verhaal van de woestijn werd herbeleefd. Maar het kan daarom ook vandaag verteld worden als wij ons bewust worden geroepen te zijn de armen te bevrijden, de hongerigen te voeden en de naakten te kleden.

Geef ons altijd dat brood, Heer

donderdag, 22 mei, 2008

Johannes 6:30-40

Dat is nog eens een ander gebed dan “geef ons heden ons dagelijks brood”. Ze zouden het zomaar voor elkaar kunnen krijgen Jezus van Nazareth toch tot koning te kronen. Brood uit de hemel was toch immers mogelijk? Het volk in de woestijn vond elke morgen voor de tent merkwaardige korrels die je kon verwerken als graan. Je moest ze alleen niet proberen te bewaren want dan langer als een dag waren ze niet houdbaar. Nu was daar die Jezus van Nazareth, die had ze brood gegeven, net als Mozes had gedaan. Terwijl iedereen had gedacht dat er nooit genoeg zou zijn voor zoveel mensen hadden ze zelfs nog twaalf manden overgehouden, alsof ze wel heel het volk hadden kunnen voeden. Die Jezus van Nazareth had zich weliswaar bescheiden teruggetrokken in de bergen maar ze hadden hem toch gevonden. Nu komt brood natuurlijk niet zomaar uit de hemel vallen. Het gaat er ook niet om dat het Koninkrijk van God een soort luilekkerland voor gelovigen gaat worden. Je hoort dat nog wel eens, geloof in Jezus, of geloof in God, en het zal je goed gaan in je leven, al je zorgen lossen zich op als sneeuw voor de zon en rijkdom en succes komen als vanzelf naar je toe. Het Amerikaanse succesverhaal over de gelovige krantenjongen die een kristallen kathedraal kan stichten en miljonair wordt. Maar dat geloof is net een boekwinkel, de winkelier wordt niet rijk van de inhoud maar van de kilo’s papier die er worden verkocht. Johannes vertelt dat Jezus van Nazareth wijst op de Weg die we moeten gaan. Zoals Hij is moeten ook wij worden. Hij is het brood, want ondanks zichzelf deelt hij, uiteindelijk zichzelf door de dood heen. Dat delen, dat betekent brood voor de hele wereld. Als wij zouden willen ophouden met rijk te zijn en nog rijker te worden, als wij zouden willen beginnen met delen met iedereen die dat nodig heeft, dan komt het Koninkrijk van God dichterbij. Daar is voor iedereen te eten, brood genoeg in de wereld, maar de rijken gaan dood van overvloed en de armen van honger. Dat delen is de wil van de God die zich wil laten liefhebben doordat wij onze naaste liefhebben als onszelf. Om ons dat voor te doen, om ons dat te leren, om dat te verkondigen is Jezus van Nazareth gekomen. In dat delen moeten we zorgen dat er niemand verloren gaat maar dat iedereen mee kan doen, in onze eigen samenleving door niemand daarvan buiten te sluiten, maar ook door in het delen van onze rijkdom de hele bewoonde wereld te betrekken. Ze hebben het meer nodig dan ooit. Dan hoeven we het niet meer te hebben over het aantal doden dat er door honger en ziekten om komt, maar dan hebben we het over het aantal levenden met wie we samen mogen leven.