Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor april, 2008

Ik ben de weg

zondag, 20 april, 2008

Johannes 14:1-14

De eerste volgelingen van Jezus van Nazareth werden de mensen van de Weg genoemd. Zij probeerden de weg te volgen die Jezus van Nazareth hen had gewezen, ofwel op de manier te leven die hij hen had voorgedaan. Dat was niet eenvoudig. Toen hij nog bij hen was had hij het hen voorgedaan, maar hij was gekruisigd en begraven. Daarna was hij opgestaan en was hij teruggekomen en nog later had hij zijn geest gestuurd. Toch bleef het moeilijk. Daarom heeft de schrijver van het Evangelie van Johannes dit verhaal opgeschreven. Je hoeft niet allemaal op dezelfde manier te geloven. Er zijn vele plaatsen waar je de Weg van Jezus van Nazareth kunt volgen. De Bijbelvertalers vertalen het Grieks dat er staat sinds Luther graag met “kamers”, maar er staat eigenlijk plaats, een plaats door Jezus gereed gemaakt. Voordat Jezus gekruisigd en gestorven was wisten ze niet waar het verhaal op uit zou lopen. Tomas had er nog naar gevraagd, zoals hij na de opstanding was blijven vragen naar de wonden die Jezus had opgelopen. Filippus had nog steeds niet door dat God dienen hetzelfde zou zijn als doen als Jezus deed. Pas na de opstanding had hij door dat al die profeten waar hij van had gehoord datzelfde hadden verteld. Toen zag hij de mensen langs de weg wel degelijk. Als je iets wilt op de manier waarop Jezus van Nazareth dat wilde dan krijg je dat ook. Maar pas toen de Geest over hen kwam snapten ze het. Toen wisten ze dat de liefde voor de naaste als voor jezelf de sleutel was tot een wereld zonder tranen en verdriet. Toen wisten ze dat delen met elkaar, desnoods delen van jezelf, de Weg was. De Weg die Jezus was gegaan en die hem bij de Vader had gebracht. Toen wisten ze pas dat zij ook die Weg moesten gaan en de hele bewoonde wereld van die Weg moesten vertellen. Toen wisten ze pas dat ze moesten delen met al die mensen uit de hele bewoonde wereld. Toen wisten ze pas dat de Vader ook in hen kon zijn als ze zich maar bleven herinneren hoe Jezus van Nazareth was geweest. Want zijn beslissing om zijn macht en populariteit niet te gebruiken maar zich eerder aan het kruis te laten hangen dan zijn volk bloot te stellen aan een bloedige oorlog had hen de macht gegeven een gemeenschap van Liefde te vormen, samen die weg ook te gaan. Johannes was de laatste die het verhaal van Jezus van Nazareth had opgeschreven. Er was toen al een hele tijd overheen gegaan en veel mensen waren de Weg van Jezus van Nazareth gegaan tot in de dood toe. Maar Johannes wist, en schreef dat op, dat wie de Weg volgt van Jezus van Nazareth net zoveel als hij kan doen, meer nog als je blijft leven. We kunnen de armen bevrijden, de hongerigen voeden, die nieuwe wereld naderbij brengen.

Geen leugen komt over hun lippen

zaterdag, 19 april, 2008

Openbaring 14:1-7

We keren vandaag weer terug naar de droomtaal van de gevangene van Patmos. Met het uitleggen van droomtaal moet je altijd wat voorzichtig zijn. We leven in een welvarend en vrij land. Als we het hier over terreur hebben dat noemen we niet meer dan twee doden die vermoord werden om hun overtuiging. Pim Fortuijn en Theo van Gogh. De vele doden die in het verkeer vielen noemen we niet, dat verkeer altijd door moet gaan is immers een algemeen gedeelde overtuiging. De vele doden die door drugs vielen noemen we ook niet, ook drugsbaronnen hebben immers hun rechten als staatsburger is onze opvatting en daarmee kunnen ze zich beschermen tegen justitie. Maar de gevangene van Patmos kende ontelbare doden die gevallen waren vanwege hun overtuiging. Bij hem telde ook elk ander mensenleven want in zijn samenleving werden mensenlevens niet geteld en niet geacht. Toen hij zich dan ook voorstelde hoe dat doden gestopt kon worden en zich de uittocht uit Egypte herinnerde, toen het bloed van een lam aan de deurpost gesmeerd het leven betekende voor de eerstgeborenen uit dat huis, en hij zich realiseerde dat die uittocht zou leiden tot de ontdekking van de Wet van heb-je-naaste-lief-als-jezelf toen zag hij in zijn droom dat iedereen die daarin had geloofd mee zouden gaan in de bevrijding. Dat getal van honderdvierenveertigduizend wijst op alle volken van de aarde. Die bevrijding vraagt om een nieuw lied, liederen zoals in de psalmen staan beschreven en die we hier zo af en toe ook meezingen. Als iedereen een overwinningslied aanheft dan dondert het, zoals een voedbalstadion kan donderen en iedereen in de stad kan horen dat de club kampioen is geworden. Maar pas op met de droomtaal uit dit boek. De bevrijde mensen zijn degenen die zich niet met vrouwen hebben afgegeven maar onbeschreven zijn gebleven staat er. Dat zijn niet de celibatairen, zoals de priesters van de Roomse zogenaamde kerk die niet mogen trouwen, maar het zijn de gelovigen die niet achter orakels aanliepen. Vrouwen uit de begintijd van het christendom die geëxploiteerd werden om voorspellingen te doen over de toekomst. In onze tijd kennen we ze als Char of Yomanda, maar toen werden ze ook meegenomen naar Christelijke gemeenten en werd verteld dat wat ze vertelden uit Christus afkomstig zou zijn. Nee de ware gelovigen doen niet meer zoals in de wereld gewoon is. Ze zijn aan God gewijd zoals alle eerstelingen volgens de Wet aan God gewijd werden. Ook de eerstelingen van de oogst. Zij zorgen dat alles met iedereen werd gedeeld, over de hele bewoonde wereld, met alle mensen op aarde uit alle landen en volken. Dat is een ontzagwekkend gegeven en laat je nog eens zien dat alles eigenlijk pas echt kan bestaan uit liefde.

De volken oordelen naar recht en wet

vrijdag, 18 april, 2008

Psalm 98

Vandaag zingen we mee met de Psalm die als enige in het boek Psalmen het opschrift Psalm opzich heeft. Alle andere kennen een toevoeging daaraan, als leerdicht enzo. Deze niet. Het is een lied op zich dat geen nadere toelichting behoeft, dit kun je kennelijk altijd wel zingen. De Psalm zingt dan ook over bevrijding, niet alleen een bevrijding voor één iemand of voor een bepaald volk maar bevrijding voor de hele bewoonde wereld. Die bevrijding, de overwinning van God werd tot aan het einde der aarde gezien. Daarom moet je dat feest van de bevrijding ook niet alleen vieren maar met de hele aarde. Als op 5 mei weer bevrijding wordt gevierd in  ons land moeten we daar ook maar eens extra om denken. Ooit werden mensen in ons land vermoord omdat ze een bepaald geloof aanhingen. Zelfs als ze het geloof van hun ouders en grootouders niet meer aanhingen maar kinderen of kleinkinderen waren van mensen die dat geloof aangehangen hadden konden ze worden vermoord. In de strijd daartegen zijn veel mensen gedood. Soldaten uit de hele wereld kwamen naar Europa om het kwaad, van het doden omdat je een geloof aanhangt, te bestrijden en het regiem dat die moorden pleegde te verdrijven. Dat regiem sprak van een internationale samenzwering van de aanhangers van dat geloof als rechtvaardiging om hen te bestrijden. Dat geloof zou een verderfelijk geloof zijn dat onze beschaving bedreigde. Toen we eenmaal bevrijd waren van dat regiem en de laatste slachtoffers waren bevrijd hebben de mensen elkaar beloofd dat er nooit meer een regering mocht komen, waar ook ter wereld, die een onderscheid zou maken tussen mensen op grond van hun geloof en de ene gelovige anders zou mogen behandelen dan de andere gelovige. Ook in de samenleving mochten mensen niet verschillend worden behandeld omdat ze een verschillend geloof hadden. Elk jaar op 4 mei herdenken we de slachtoffers van dat door en door foute regiem en de mensen die zich in de strijd daartegen hebben opgeofferd. Op 5 mei vieren we dan dat we vrij zijn van die overheersing. Maar wie goed luistert naar de gesprekken op radio en televisie en wie de kranten leest weet dat we maar zo weer een regering hebben die onderscheid gaat maken tussen burgers op grond van wat ze geloven, of zelfs van wat hun ouders en grootouders hebben geloofd. De angst voor aanhangers van een bepaald geloof wordt ook ons aangepraat. Als wij dan zingen over de overwinning van de ene Heer die wij erkennen en zingen dat alle volken geoordeeld worden naar de wet van heb-je-naaste-lief-als-jezelf moeten we dus onthouden dat die bevrijding niet vanzelf komt en van buiten komt. We zullen allemaal in verzet moeten komen tegen iedereen die ons wil wijsmaken dat aanhangers van welk geloof dan ook ons kunnen bedrijgen. Onze God zal ook ons redding brengen, daarvan zingen we vandaag.

Scheld dan niet terug

donderdag, 17 april, 2008

1 Petrus 3:8-12

Het klinkt zo gemakkelijk om te roepen dat schelden geen zeer doet. Maar je zal maar voor mongool uitgescholden worden als je broertje of zusje het syndroom van Down heeft. Dan kan het door je ziel snijden als mensen zo denegrerend doen over jouw verwanten die weinig kunnen maar wel hun best doen en waar geen greintje kwaad aan valt te ontdekken. Schelden doet eigenlijk altijd pijn. Daarom probeert men er ook in de Tweede Kamer wat aan te doen. Iemand voor gek verklaren of idioot geeft geen pas. Maar wie de politici raadpleegt zal het opvallen dat zij die zich verzetten tegen het verruwende taalgebruik zelf niet schelden. Ze hebben met de briefschrijver door dat terugschelden je op het zelfde niveau zet als degene die gescholden heeft. Je vergeldt dan kwaad met kwaad en dat is het laatste wat je moet doen. We proberen immers het kwaad te mijden, uit te roeien als het even kan, en niet dan het goede te doen. Het allermoeilijkst is het te doen wat hier wordt aangeraden, zegen juist. Dat betekent dat je moet proberen dat slechte van het schelden om te keren tot het goede. Want tot het goede zijn we geroepen en het zal duidelijk zijn dat als het je werkelijk lukt zo’n scheldsituatie om te keren in een zegenend gesprek waar goeds uit kan voortkomen dat je zelf ook gezegend bent. Nu hebben we geleerd om schelden te vermijden. Van echt schelden kunnen we dan ook schrikken, zo schrikken dat we geen weerwoord meer hebben. Omkeren tot iets goeds kan dan helemaal niet. We moeten ons daarom soms vertrouwd maken met schelden. Neem maar eens iemand in gedachten die je uit zou willen schelden en luister op een stil plekje naar jezelf en hoe het zou klinken. Houd pas op als je ervan overtuigd ben dat het wel leuk klinkt en opwindend, maar dat het verkeerd is. Als je dat kunt lukt het je ook een scheldsituatie om te draaien. Meestal zijn we te fatsoenlijk en fatsoen brengt ons te vaak op verkeerde wegen. Je moet niet liegen, zeggen wat verkeerd is kan ook zonder te schelden, zeker als je de gewoonte hebt er de nadruk op te leggen dat jij het bent die het verkeerd vindt en dat het dus ook anders beoordeeld kan worden. De ander aanwijzen als verkeerde is eigenlijk laster en er niets van zeggen is eigenlijk een leugen. Doe daarom het goede en niet dan het goede en streef voortdurend de vrede na. Vrede is dan het einde van het werk en daar kan ook veel strijd aan vooraf moeten gaan. Wees daar niet bang voor. Er is maar één Heer op aarde en dat is de Heer van de Liefde. Zolang je de ander liefhebt als jezelf zul je tegen die ander niets zeggen dat je ook zelf niet zou willen horen. En jezelf uitschelden doe je toch niet in het openbaar.

Vrouwen: erken het gezag van uw man

woensdag, 16 april, 2008

1 Petrus 3:1-7

Ook hier weer een geweldige bron van misverstanden. Het gaat in elk geval niet om vrouwen van christelijke mannen zo blijkt uit de tekst. Maar het is een truuk om ongelovige mannen tot geloof te brengen zonder dat de vrouwen daar iets over hoeven te zeggen. Ook hier gaat het er om door het goede te doen onwetende dwazen de mond te snoeren, ja zelfs tot geloof te brengen. Het gaat hier dus om een strategie en niet om een gebod. Die strategie past in de cultuur waarin ook de brief werd geschreven. Het gaat om het goede te doen zonder angst en vrees. Daarmee alleen al maakt de briefschrijver vrouwen onafhankelijk van hun mannen. Het is hun beslissing hoe zich te gedragen. Als ze geloven in de boodschap van de bevrijding van de armen willen ze niets liever dan dat ook hun mannen daarin gaan geloven. Hoe meer mensen gaan houden van hun naaste als van zichzelf hoe beter. En om dat als echtpaar samen te kunnen doen is pas echt een vreugde die je in een relatie kan genieten. Daarom besluit dit gedeelte met een vermaning aan de mannen, de mannen die dus al wel geloven. Vrouwen hebben nu eenmaal in menige samenleving een zwakkere positie dan mannen. Dat was ongetwijfeld in de tijd van de briefschrijver ook zo. Dat mannen en vrouwen samen delen in wat genoemd wordt de genade van het nieuwe leven is dan ook een bijzondere opmerking. In dat nieuwe leven immers is het onderscheid tussen man en vrouw, tussen slaaf en vrije, tussen hoog en laag weggevallen. Daar gaat het er om de hand uit te steken naar de minste en die als broeder en zuster te behandelen en te doen behandelen door de rest van de samenleving. Als je daaraan werkt kun je daarom ook vragen. Als dus aan vrouwen het advies klinkt het gezag van de man te erkennen mag dat nooit als bewijs aangevoerd worden dat vrouwen en mannen andere posities in het huwelijk of in de samenleving behoren in te nemen. Samen delen ze in het nieuwe leven en samen moeten ze daar dus ook vorm aangeven. Mannen die verstandig omgaan met hun vrouw zorgen dat ze carrière kan maken als ze daar de capaciteit voor heeft, dat ze in de gemeenteraad, de provinciale staten of de Tweede Kamer gekozen kan worden als ze daar de capaciteit voor heeft. Mannen, die dat tegenhouden en vrouwen veroordelen tot het huishouden en zelf voor dat huishouden geen verantwoordelijkheid nemen, weigeren te delen met hun vrouw in het nieuwe leven waar deze brief over schrijft, handelen als de Heidenen uit de dagen dat de brief werd geschreven. Toen senatoren, Keizers en gouverneurs de machtigsten onder hen tot goden verhieven. Daardoor werden ze door de briefschrijver onwetende dwazen genoemd en zo mogen wij ook vandaag deze mannenbroeders aanspreken.

Slaven, erken het gezag van uw meesters

dinsdag, 15 april, 2008

1 Petrus 2:18-25

Dit is een gedeelte dat gemakkelijk misverstanden kan oproepen. Als je slaveneigenaar bent zou je het wel elke dag aan je slaven willen voorlezen nietwaar. In de negentiende eeuw verzette de Gereformeerde voorman Izaak da Costa zich tegen de afschaffing van de slavernij met een beroep op deze bijbelpassage. De slaven moesten dankbaar zijn voor de slavernij, want dat staat er nietwaar. Het misverstand ontstaat als je de Bijbel in stukjes hakt, zoals we ook doen bij het dagelijks Bijbelrooster. Het hoofdstuk van de brief waaruit we ook vandaag lezen gaat over het goede doen en niets dan het goede. Je moet zelfs aan de Keizer en de gouverneurs gehoorzamen om onverbeterlijke dwazen tot inzicht te brengen. En zo is het ook voor gemeenteleden die slaaf zijn. Die gemeenteleden komen wij in onze kerken niet meer tegen. Wij waren die dwazen die door schade en schande hebben moeten leren dat slaven en slavinnen in de eerste plaats broeders en zusters zijn. Maar tegenwoordig spreken we nog wel eens over loonslaven, werknemers die het minste verdienen, het smerigste werk doen en daarmee bedrijven en de samenleving gezond en dus overeind houden. In het begin van de vorige eeuw nog waren er christelijke werkgevers die hun werknemers verboden zich te verenigen in een vakbond. Pas toen een oprichter van zo’n vakbond ook een ziekenfonds oprichte en aantoonde dat de zorg voor zieke collega’s, ook al kregen ze geen loon tijdens hun zieke, een plicht was ook voor christelijke werkenemers, verdween heel langzaam de weerstand tegen die modernistische ontiwikkelingen. In de dagen dat de eerste brief van Petrus geschreven werd waren er regelmatig slavenopstanden, wij kennen nog die van Spartacus. Die eindigden altijd in een bloedbad voor slaven. Pas als slaven zorg voor elkaar hadden en hun meesters en medeslaven als gelijken gingen behandelen, wilden delen met elkaar, dan konden ook slaveneigenaars zich bewust worden van de medemenselijkheid die slaven vragen. Voor ons is de kwestie van de slavernij overigens niet een zaak van vroeger en voorbij. In de kledingindustrie, in de industrie van goedkope consumptiegoederen komt slavernij van kinderen en armen nog tot vandaag de dag voor. Ook bloeddiamanten en grondstoffen voor mobiele telefoons worden door slaven gedolven, vaak onder de meest erbarmelijke omstandigheden. En veel vrouwen die in de sexindustrie werken zijn eigenlijk slavinnen. Het is niet aan ons om die slaven en slavinnen gehoorzaamheid voor te houden of tot opstand op te roepen, integendeel. Het is aan ons om hen stem te geven en zij die ervan profiteren op te roepen daarmee op te houden en onze regering  op te roepen om te stoppen met de import van slavengoederen en slavenhouders op te sporen en te doen bestraffen. Elke slaaf is een broeder en elke slavin een zuster. Wat hen wordt aangedaan wordt ook ons aangedaan.

U bent als vreemdelingen

maandag, 14 april, 2008

1 Petrus 2:11-17

Daar moet je tegenwoordig fatsoenlijke mensen niet meer voor uitschelden, dat ze vreemdelingen zijn. Toch grijpt de schrijver van de brief terug op het boek Leviticus en noemt alle gelovigen vreemdelingen. Let wel, alle Rooms-Katholieken, Protestanten en Evangelicalen in ons land zijn volgens de Bijbel, volgens de Joods-Christelijke traditie, vreemdelingen in onze samenleving. Dat we tussen ongelovigen leven is ongetwijfeld waar. Dat we alleen nog respect kunnen afdwingen door goede daden te plegen is ongetwijfeld ook waar. Die goede daden gaan er dan niet om ons netjes of fatsoenlijk te gedragen maar de briefschrijver verbindt het met het Bijbels rechtspreken en we weten dat dat betekent dat we er op uit moeten zijn mensen recht te doen en de hand moeten uitsteken naar minsten, niet alleen in ons land maar over de hele bewoonde wereld. De briefschrijver is van humor trouwens ook niet gespeend. Want wat is nu de reden dat je het gezag van  de Keizer en de gouverneurs moet erkennen? Om door het goede te doen onwetende dwazen de mond te snoeren. Geen gehoorzaamheid dus, zeker geen gehoorzaamheid om gehoorzaam te zijn. Alles staat in het teken van vrede en alle goeds. De keuze om het goede te doen en niets dan het goede wordt je niet opgelegd door de wereld. Het is geen slappe knieën mentaliteit die je doet buigen voor vreemde godsdiensten of buitenlandse dictators. Maar met de vreemdelingen onder ons aan tafel gaan betekent het goede te willen, ook van hen. Een bezoek te brengen aan vreemde dictaturen en daar te vragen naar je broeders en zusters betekent niet eer bewijzen aan onmenselijke heersers maar het goede te willen en niets dan het goede. Ontzag voor God betekent dus je broeders en zusters, de minsten van de hele wereld, lief te hebben en er voor te zorgen dat het de machthebbers opvalt dat er een andere weg is om goed te doen dan het gebruik van geweld en onderdrukking. De schrijver van deze brief leeft in de traditie van Jeremia die aan de ballingen in Babel schreef dat ze groentetuinen moesten aanleggen om voedsel te kunnen delen met de armen zodat ze uiteindelijk zo’n goede naam zouden krijgen dat ze terug zouden mogen keren. Het is de traditie van Jezus van Nazareth die riep dat allen die het zwaard opnemen door het zwaard zullen vergaan. Het is de traditie die wij in onze dagen kennen van Ghandi en Martin Luther King. Het is de wereld verbeteren door het goede te doen en niets dan het goede. Niet de taal van schelden en dikdoen, niet het verheffen van de borst om onderscheidingen te tonen en mooier te zijn dan de ander, maar delen van huis en bezit en als het nodig is het delen van jezelf.

Langs veilige paden

zondag, 13 april, 2008

Psalm 23

De voorstelling van een god als een herder vindt je in het hele oude Nabije Oosten terug. Het Hebreeuwse woord voor Herder is een werkwoord. Daat zit het begrip “weiden” in. een God die voortdurend er op bedacht is je het goede te bezorgen. En daar gaat dit overbekende lied dan ook over. Alleen de vertaling van het tweede deel van vers 3 heeft in de Nieuwe Vertaling toch veel van haar betekenis verloren. Natuurlijk, voor een gelovige zijn de “veilige paden”, paden die je gaat met die God. Ofwel het zijn keuzes in je leven die in overeenstemming zijn met de Wet van heb je naaste lief als jezelf. Maar het was vroeger wat eenvoudiger te verstaan toen er nog vertaald werd wat er wordt bedoeld, namelijk “paden der gerechtigheid”. Het Hebreeuwse woord “tsadiq” dat hier gebruikt wordt is in een groot deel van de Bijbel vertaald met gerechtigheid of rechtvaardige. En dat de manier waarop je wil leven recht wil doen aan de mensen die je tegenkomt dat spreekt  vanzelf. In onze wereld worden we immers overspoeld met waarschuwingen over onveiligheid. Ook al lopen onze gevangenissen leeg, omdat  het aantal misdrijven afneemt, als je sommige politici hoort is het in ons land nog nooit zo onveilig geweest. Maar we zijn niet allemaal sigarenboeren of tijdschriftenhandelaren. Samen met juweliers moeten zij bijzondere veiligheidsmaatregelen nemen om zich te beschermen. Daar kunnen we allemaal bij helpen maar in een samenleving van ieder voor zich laten we ook hen soms maar al te veel aanmodderen. Recht doen aan mensen kan dus ook betekenen onveilige situaties in kaart brengen en samen werken aan oplossingen voor de reële onveiligheid die er is. Bang voor gevaar hoeven we op die manier niet meer te zijn. Want die geest van zorg voor elkaar, de Geest van God, geeft moed, dat brengt  de nodige zorg voor elkaar als de stok en de staf van de Herder. Daarom kun je ook rustig zingen dat je achtervolgt wordt door Geluk en genade. Dat klinkt des te beter als je bedenkt dat dit lied een pelgrimslied is. Het werd gezongen door de mensen die op gingen naar Jeruzalem om daar een van de jaarfeesten te vieren. Met een stok in de hand liep men soms dagenlang om de Tempel te bereiken en daar een maaltijd te houden met de armen, de tempeldienaars en de vreemdelingen. Dat was het offer aan de God die met hen mee trok en die in het huis van de Heer, de bewaarplaats van de Wet, een plaats had uitgekozen. Religie is juist in deze Psalm niet iets van aanbidden en afwachten maar de zekerheid dat je beker zal overvloeien. Omdat je het samen doet, omdat je deelt, omdat je zelf herder bent voor de minsten.

De volken zullen in haar licht leven

zaterdag, 12 april, 2008

Openbaring 21:22-27

De droom van de stad van gerechtigheid heeft sinds de schrijver van Patmos de mensen altijd bezig gehouden. Vaak zijn de mensen afgegaan op alle vreselijke dingen die in het boek Openbaring te vinden zijn. Daarbij wordt vergeten, of verzwegen, dat die vreselijke dingen al sinds de dagen van de gevangene van Patmos tot op onze dagen in de wereld te vinden zijn. Of het nu de vervolging van Christenen onder Romeinse Keizers, de kerstening van Germaanse en Friese stammen onder Karel de Grote, de strijd tegen de Islam tijdens de kruistochten, de verovering van Indië tijdens de VOC, de slavernij en de Apartheid, de holocaust in de vorige eeuw, de strijd en de verkrachtingen rond Darfur zijn. De opsomming kan maar een zeer klein deel van al het leed en de ellende bevatten die de volken overkomen zijn en die je terug kan vinden in de gruwelijke beelden die beschreven staan in het boek Openbaring. Iedereen die kennis neemt van de ervaringen van de lijdenden krijgt dezelfde soort nachtmerries die de schrijver van het boek Openbaringen had. Maar ieder die er kennis van neemt moet ook delen in de droom van die gevangene, in de hoop van al die lijdenden in de wereld. De droom dat er een stad komt waar de God van de Liefde zelf woont en waar alle volken hun gerechtigheid aan zullen ontlenen. Waar iedereen vrij naar toe kan behalve diegenen die zich met gruwelijke dingen en leugens inlaat. Daar gaat het om de keus voor het leven en tegen de dood. De maat waarmee de mensen gemeten zullen worden is er nu al. Wordt gerechtigheid gedaan aan de minsten op deze aarde, vinden we een antwoord op de stijgende voedselprijzen, zijn we bereid verspilling en verkwisting op te geven zodat de armsten in de wereld te eten hebben? Als een keer de Liefde zelf regeert op aarde, niet de eigenliefde maar de liefde voor de mensen en voor het leven, dan is de Wet niet meer nodig. Dan spreekt het vanzelf dat ieder de naaste liefheeft als zichzelf. Dan is er geen duisternis meer waar je doorheen moet en waar je de steun nodig hebt van iemand die met je meegaat. Juist vanuit lijden en onderdrukking wordt duidelijk hoe hard we moeten werken aan zo’n wereld. Daarom zijn er mensen die onophoudelijk roepen dat we niet genoeg doen en dat we misschien te laat zijn. Er zijn nog mensen die zwelgen in eigen gelijk, die winst en profijt voor zichzelf belangrijker vinden dan delen met de minsten, ze verafschuwen de hulp die aan de minsten wordt gegeven. Ze beschimpen en belasteren iedereen die opkomt voor de hongerigen in de wereld. Maar daarmee laten ze zichzelf zien zoals ze zijn. De duistere figuren waarmee afgerekend dient te worden. Zij komen de stad niet in, tenzij ze zich bekeren en laten leiden door de Liefde. Laten wij het voorbeeld zijn.

De straten van de stad waren van zuiver goud

vrijdag, 11 april, 2008

Openbaring 21:9-21

Zeven schalen met zeven plagen. Daar begint dit gedeelte uit het boek van de Openbaringen mee. De gevangene op het Griekse eiland Patmos, die de hele dag in de brandende zon op de kale rotsen dwangarbeid moest verrichten en wist dat ook zijn geloofsgenoten in het Romeinse Rijk aan grote verdrukking blootstonden, ziet in de eerste plaats nog meer ellende. De rampspoed die de Christenen heeft getroffen is niet zomaar voorbij. Maar heeft volhouden zin?  Komt er een eind aan het lijden? Het is een vraag die ook na twee eeuwen Christendom in de wereld meer dan brandt. We worden weliswaar bang gemaakt voor de Islam maar vlak het Christendom niet uit. In onze streken werd het Christendom in de dagen van Karel de Grote met vuur en zwaar gebracht. Vreedzame dorpen werden verbrandt en wie weigerde gedoopt te worden werd gedood. Toen een paar eeuwen later Amerika werd ontdekt werd Latijns-Amerika gekerstend met ongekende wreedheid, in Noord Amerika werden de Heidense Indianenstammen nagenoeg uitgeroeid. Ook de slavernij die vervolgens werd ingevoerd werd goedgepraat met zogenaamde Christelijke argumenten en de Apartheid in Zuid Afrika werd tot diep in de vorige eeuw ook in ons parlement met Christelijke argumenten goedgepraat. Kun je dan blijven volhouden dat het geloof van die gevangene op Patmos een zinvol geloof is? Hij droomt van de bruid van het Lam. Het bloed van dat Lam had de angst voor de dood weggenomen, maar wat heb je er aan als zovelen nog moeten lijden. Die bruid blijkt Jeruzalem te zijn. De stad die het hart van de wereld is geworden omdat daar de Wet van heb-je-naaste-lief-als-jezelf wordt bewaard. Dat is de enige Wet die ons mensen van dat lijden kan bevrijden. Van die samenleving droomt de schrijver van Openbaringen. Een stad met twaalf poorten, waar iedereen uit de hele wereld welkom is dus. Een stad waar alle rijkdom en schoonheid van de wereld te vinden is. Een stad die rust op de grondstenen van de apostelen en daarmee op het verhaal van Jezus van Nazareth. Een stad met gouden straten die schitteren als glas. In die stad is alle geld waardeloos geworden. Het goud ligt immers op straat. Daar is geen economische concurentie meer. Diamanten en edelstenen zijn versiering en geen reden meer tot onderdrukking en slavernij zoals in onze dagen. Geld is niet meer geschikt voor speculatie want alles wordt immers gedeeld. Niet langer worden mensen uit hun huis gezet omdat het huis onbetaalbaar is geworden, niet langer is voedsel te duur om je kinderen te voeden. Het is ook vandaag een droom die het waard is nagestreefd te worden en tot werkelijkheid gemaakt. Het lijden van al die mensen vandaag nog steeds zou ons dubbel zo hard moeten laten werken om deze droom tot werkelijkheid te brengen.