Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor december, 2007

Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen?

maandag, 31 december, 2007

Romeinen 8:31-39

Daar komen de borstkloppers. We hebben immers altijd gelijk? We gaan met God en wat is er dan nog verder te zeggen? God is aan onze kant, wie kan dan nog tegen ons zijn. Machthebbers die op oorlogspad willen gaan citeren graag deze tekst uit de Brief van Paulus aan de Romeinen. Maar is dat terecht? Aan de rechterflank van de Protestantse Kerk staan de bevindelijken. Een aantal van hen hebben de fusie tussen de Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken en de Lutherse Kerk niet mee willen maken en stichten de Hersteld Hervormde Kerk. Zij kennen nog het leerstuk van de valse verzekering. Dat wil zeggen dat je maar moet afwachten of je inderdaad aan de kant van God bent gaan staan en of God wel aan jouw kant staat. Daar kun je zelf niet direct vanuit gaan. Daar kun je je zeker niet op beroepen als het gaat om je eigen daden te rechtvaardigen. Jezus van Nazareth wees er immers op dat je aan de vruchten pas de boom kunt herkennen en onze samenleving heeft nog lang niet de armen bevrijdt, dus wat willen we nu. Paulus wijst er dan ook op dat het gaat om het gescheiden worden van de liefde van de Bevrijder. Niets wat van buiten komt kan ons scheiden van die Liefde. Door die liefde zullen we uiteindelijk zegevieren. Daar valt weer een nieuwe dag mee te beginnen. Als je je dat realiseert valt er zelfs een nieuw jaar mee te beginnen. Dan mag je opgelucht terugkijken als je je onophoudelijk hebt ingezet voor de rechtvaardigheid, voor de bevrijding van de armen, voor het voeden van hongerigen, het kleden van naakten, het zorgen voor zieken, het troosten van de bedroefden. Wat je daar ook aan tegenspoed, ellende. vervolging, honger, armoede, bedreiging met geweld hebt meegemaakt, het zal allemaal voorbijgaan en niet de overwinning hebben. Nu nog worden mensen die zich inzetten voor vrede en gerechtigheid overal op de wereld nog gedood en gemarteld, Amnesty International heeft nog een volle agenda en wekelijks kan elke kerkelijke gemeente na de dienst aan de slag met het schrijven van brieven, maar de Liefde zoals ons is voorgeleefd door Jezus van Nazareth zal overwinnen. Aan dat oordeel ontkomt niemand op deze aarde. Paulus wordt er bijna lyrisch van. Dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte nog diepte, of wat er ook maar in de schepping mag zijn kan ons scheiden van de Liefde zoals wij die kennen in het verhaal van Israel en Jezus van Nazareth. Wie de jaaroverzichten tegen het einde van het jaar bekijkt ziet dat er veel is dat het tegen wil houden, maar wie zich vasthoudt aan de boodschap van de Bevrijding van de armen, ook hier bij Paulus, weet dat die bevrijding ontontkoombaar komende is.

Laat mij het pad gaan van uw geboden

zondag, 30 december, 2007

Psalm 119:33-40

Het is een taal die ons hedendaagse mensen vreemd is geworden. Onder het pad van geboden ga je immers gebukt. Het is een last, het is ook lastig. Al die wetten en regels, ze knellen en beperken. Zo vreemd is het geworden. Want onder het pad van de geboden die in deze psalm worden bedoeld ga je helemaal niet gebukt, die geboden zijn helemaal niet lastig en ze beperken helemaal niet laat staan dat ze knellen. Dat jagen naar winstbejag, dat drukt, dat knelt, dat jaagt op, om uiteindelijk najagen van leegte blijken te zijn. Het pad van de geboden van deze psalm voert naar het leven. Daar valt niet mee te spotten want het is het echte leven. Het gaat om echte gerechtigheid. Dat betekent dat mensen tot hun recht komen. Dat we recht verschaffen aan de mensen in Pakistan die schreeuwen om recht en vrede. De aanslag op Benazir Buttho heeft het land in opperste verwarring gebracht. Ze was een bedreiging voor de fundamentalisten die in delen van Pakistan een schuilplaats vonden van waaruit ze anderen hun opvatting geloof konden opleggen. Die fundamentalisten vormen een minderheid die verwarring nodig heeft om te blijven bestaan. Ze werden beschermd door het militaire regiem van Musharraf. Die had het zo druk met het aan de macht blijven dat het opjagen van de fundamentalisten er vaak bij in schoot. Maar Buttho vormde ook voor hem een bedreiging. Zij verenigde het volk op een programma van vrede en gerechtigheid. Democratie noemde ze dat. Het volk heeft nu alleen nog machteloze kwaadheid, waarin al velen slachtoffer geworden zijn van de ongerichte volkswoede en de onmacht van de machthebbers om werkelijk gerechtigheid te brengen. De volken van de aarde staan ondertussen met met gebonden handen langs de kant te kijken. Schending van mensenrechten en misbruik van macht zijn geen redenen om in te grijpen als een volk daarvan te lijden heeft. Zelfs in de Verenigde Naties zijn volken niet zo te verenigen dat de machthebbers die zichzelf dienen in plaats van hun volk aan te pakken zijn. De machthebbers op aarde hebben dat verhinderd. Zij gaan niet de weg van het gebod je naaste lief te hebben als jezelf. Zij gaan niet de weg die het volk van Pakistan te hulp had kunnen komen. En met het volk van Pakistan ook het volk van Afghanistan. De onrust en de chaos in Pakistan zullen ook de oorlog in Afghanistan vergroten en de fundamentalisten de illusie geven dat ze daar hun macht weer kunnen vestigen en andersdenkenden hun manier van leven kunnen opleggen. Nederlandse soldaten zullen in die strijd het leven laten. Wij moeten leren dat overal het pad van de geboden van God sterker moet zijn dan de machten van deze aarde. We hebben immers maar één Heer?

Onderwijs mij in uw wetten

zaterdag, 29 december, 2007

Psalm 119:25-32

Bijna 1000 bladzijden hebben we inmiddels geschreven in ons avontuur met de Nieuwe Bijbelvertaling op basis van het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap. Het nieuwe leesrooster voor het volgende jaar is daar al te downloaden en ons avontuur is nog steeds niet teneinde. De vraag die we ons aan het begin stelden was of het waar was dat de Bijbel ging over de manier waarop mensen en volken van elkaar konden houden, vrede konden bewaren en de armen bevrijden van de plaag van de armoede. Nu, na bijna 1000 stukjes uit de Bijbel verder, kunnen we vaststellen dat het daar dag in dag uit over gaat. Het gebod je naaste lief te hebben als je zelf, omdat het vervullen van dat gebod nu eenmaal God liefhebben is, staat op bijna elke regel van de Bijbel. Ook vandaag in deze 8 verzen uit Psalm 119 gaat het daar weer over. Natuurlijk, er is namaak, als het gaat over het begrijpen van de Bijbel. Er zijn zelfs zogenaame predikers of priesters, evangelisten ook soms, die beweren dat de boodschap van de Bijbel niets te maken heeft met de bevrijding van de armen. Of die beweren dat die bevrijding na hun dood pas komt en dat ze zich in dit leven moeten neerleggen bij het juk van armoede. Of zelfs dat de armoede waar ze onder lijden een straf van God is voor hun zonde. Godslasterlijke namaak is het, bedriegelijke wegen zijn het waar je je ver van moet houden. Het Evangelie, de blijde boodschap waar Jezus van Nazareth ons mee op pad stuurde is juist de bevrijding van de armen. Nergens spreekt de Bijbel er over dat de bevrijding pas na de dood van mensen komt, nee de Bijbel kiest voor het leven en die bevrijding is in dit leven mogelijk. Het is dan ook niet de zonde van de armen die ze gevangen houdt, het is de zonde van de rijken die niet willen delen, die akker aan akker voegen en de weduwen en wees ook dat afpakken wat hen nog rest, die zonde is het die de armen arm houdt en waarvan ze bevrijdt moeten worden. Je kunt verdrietig worden zoals de psalmdichter zegt van zoveel onbegrip. De weg van de bevrijding van de armen is een betrouwbare weg. Mensen van de Weg noemden de eerste Christenen zich. Zij kozen de Weg van Jezus van Nazareth. Niet met geweld maar met liefde zou de hele wereld veroverd moeten worden. Onvoorwaardelijke liefde voor de minsten, als het moest zelfs voor de vijanden, zou elke macht op aarde uiteindelijk overwinnen. Er is uiteindelijk maar één Heer, onze God, en die doet elke heerser en machthebber verbleken. Niemand hoef je te gehoorzamen dan die Ene, en zijn bevel is de naaste lief te hebben als jezelf. Elk ogenblik mag je daar weer opnieuw mee beginnen. Duizend keer op een dag desnoods. Genade noemen Christenen dat graag, omdat het verhaal altijd door gaat, dus gaan we nog even door met hier er over te schrijven.

Ik ben een vreemdeling op aarde

vrijdag, 28 december, 2007

Psalm 119:17-24

Als je jezelf een vreemdeling bent dan hoedt je je er wel voor om anderen het recht te ontzeggen samen met jou op aarde te wonen. Wie goed kijkt naar deze Psalm zal ontdekken dat de dichter alle mensen vreemdelingen vindt. Iedereen zal welbewust op deze aarde een eigen weg moeten kiezen. Het is daarbij maar te hopen dat iedereen de weg kiest van vrede en gerechtigheid. Het is te hopen dat iedereen de weg kiest van delen met elkaar, want alleen door onvoorwaardelijk met elkaar te delen zullen we allemaal samen op de aarde kunnen wonen. Dat is de Wet van de Liefde, de Wet van delen met elkaar, de Wet waarover deze Psalm gaat. Nu zijn er mensen die anderen tot vreemdeling hebben verklaard. Zij sluiten anderen uit van hun leven, willen geen kennis maken laat staan met de anderen delen. Het is dus niet de Joods-Christelijke-Humanistische traditie waarin ons volk staat en waar bijvoorbeeld een politicus als Geert Wilders zich zo graag op beroept. Het is daarom ook volstrekt onvoorstelbaar waarom hij zich stoot aan de oproep tot vreedzame samenleving en tolerantie uit de Kersttoespraak van Koningin Beatrix. De Koningin zei niet veel anders dan dat ze in de afgelopen jaren heeft gezegd en wat haar moeder Koningin Juliana sinds 1948 jaarlijks herhaalde in haar kersttoespraken. De gedachte aan een land met gewetens- en godsdienstvrijheid voor iedereen stoelt op het grote geschrift van Willem van Oranje, de vader des vaderlands, de Apologie. Het is de grondslag geweest waarop de onafhankelijkheid van ons land werd gevestigd. Geen wonder dan ook dat premier Balkenende riep dat Wilders alles afbrak wat in eeuwen in ons land is opgebouwd. Wie de biografie van Mussert door Jan Meyers heeft gelezen zal zich afvragen of Geert Wilders zich niet langzaam in de richting van Musserts vooroorlogse Nationaal Socialistische Beweging aan het bewegen is. Trots op Nederland was toen ook al het motto met uitsluiting van alles wat door de Beweging en haar aanhangers tot on-Nederlands werd verklaard, inclusief een godsdienst die niet Christelijk zou zijn. Wie terug wil naar de ellende die dat heeft meegebracht moet het zeggen. Emigratie zal geen oplossing zijn, zelfs in Australië hebben ze voor vreemdelingen eigen bejaardentehuizen waar bijvoorbeeld alleen Nederlands wordt gesproken. Er zijn landen op de wereld waar tolerantie zo groot is dat zelfs Geert Wilders zich er niet thuis zou voelen. Hij is zelfs welkom in Saoedi- Arabië. De dichter van Psalm 119 noemt de richtlijnen voor liefde voor de naaste als voor jezelf een goede raad, het verheugt hem, en zijn volgelingen weten hoeveel vreugde ook aan de kennis en omgang met vreemdelingen kan worden ontleend. We zijn immers allemaal vreemdelingen op deze aarde.

Hoe kan wie jong is zuiver leven?

donderdag, 27 december, 2007

Psalm 119:9-16

Vertalingen zijn eigenlijk maar stamelende pogingen om het origineel van de boodschap weer te geven. De Naardense Bijbel vertaalt bovenstaande zin alsvolgt: “Bij wat houdt wie jng is zijn pad schon?” Het antwoord is steeds hetzelfde: “Door zich te houden aan Uw woord”. De Naardense Bijbel vertaalt het echter wat aktiever en aktie is wat er door de Wet van de Liefde gebeurd. Niet een statisch “houden aan” maar een op weg gaan om het te laten gebeuren. Daarom kan er gezegd worden dat je het met heel je hart hebt gezocht. De vraag hoe van onze naaste te houden als van jezelf kan je voortdurend bezig houden. Dag en nacht hongeren we naar gerechtigheid staat er ergens anders. Daarom is afdwalen van de geboden ook een andere weg gaan, de weg van eerst denken aan je zelf, de weg van ikke ikke ikke en de rest kan stikken. Dat is de weg die naar de dood voert, niet de weg naar het leven. De belofte die de Wet van Liefde in zich houdt is het leven. De Psalmdichter heeft daarbij ontdekt dat delen met je naaste meer vreugde geeft dan rijkdom en overvloed. Een onderzoek van de universiteit van Nijmegen heeft onlangs nog aangetoond dat geld wel gelukkig kan maken maar ook jaloers. Mensen die net iets meer hadden dan hun buurman voelden zich volmaakt gelukkig, maar als je net iets minder had dan was je snel ongelukkig. Wie weet te delen met hen die niets hebben weet dat je altijd vreugde ontmoet. Iedereen die naar Afrika is geweest om armen daar iets te brengen, waterputten, eten, speelgoed voor wezen, medicijnen voor zieken, kleding voor armen, weet hoe groot de vreugde kan zijn van mensen die je daar ontvangen. Wie de aktie van het glazen huis heeft gevolgd voor de kerstdagen weet hoeveel vreugde er uit kan gaan van het verzinnen en uitvoeren van een aktie om geld bijeen te brengen voor een goed doel. Geld verdienen met werk is een noodzaak, maar geld bijeen brengen voor armen is een vreugde in zich. Mensen die daar hun levenswerk van kunnen maken stralen de vreugde dan ook uit. Het is de vreugde van de Wet die je tegenkomt bij het inzamelen van geld. Daarom weten collectanten ook dat je beter collecteert in een buurt met wat lagere inkomens dan in een rijke buurt. Mensen die op zich niet veel hebben weten veel beter hoe nodig het kan zijn om te delen dan mensen die veel geld hebben en eigenlijk vinden dat ze tekort gedaan voelen. Daarom protesteren rijke mensen ook altijd veel harder tegen belastingen en bekeuringen dan arme mensen, hoewel ze naar verhouding vaak veel minder belasting betalen en bekeuringen al helemaal wegzinken bij de grote inkomens die er te verdienen zijn. Laten we ons daarom houden bij de vreugde van de Wet en delen met onze naaste van wat we hebben.

Als ik uw rechtvaardige voorschriften leer.

woensdag, 26 december, 2007

Psalm 119:1-8

We beginnen vandaag te lezen in Psalm 119. Dat klinkt wat merkwaardig want er zijn wel 150 van die psalmen en zo af en toe lezen we weer eens een psalm. Maar Psalm 119 is de langste Psalm en een bijzondere. Er zijn uiteindelijk 22 gedeelten in deze Psalm van elk 8 verzen. In het Hebreeuws is de Psalm helemaal een bijzonder gedicht omdat elk gedeelte met een letter van het Hebreeuwse Alphabet begint en elk vers in de afdeling van die letter begint ook met die letter.De hele Psalm draait om de Wet van de liefde. Die Wet is zelfs zo belangrijk dat de dichter van deze Psalm wel 10 verschillende woorden gebruikt om de Wet aan te geven.De Psalm wordt wel de Psalm van de vreugde der Wet genoemd. De Joden hebben een feest dat zo heet en voor ons westerse Heidenen is de vreugde der Wet een beetje een raar begrip. Als wij ons aan de wet moeten houden voelen we ons gelijk gedwongen, beperkt in ons gedrag. Als de politie naar een aktiemiddel zoekt om druk uit te oefenen op de regering om een rechtvaardig loon af te dwingen dan worden er minder bekeuringen uitgeschreven wegens het overtreden van de wet, we hoeven het dan niet zo nauw te nemen. Er zijn ook politieke partijen die voortdurend zeuren over al die wetten waar we ons aan zouden moeten houden en de straffen die er worden opgelegd voor zelfs de kleinste overtreding. In Psalm 119 gaat het over heel iets anders. Daar gaat het niet over een Wet waar je je aan moet houden omdat je anders een straf oploopt, maar daar gaat het om een Wet die je in beweging zet, en als je niet meer beweegt dan ben je dood. Die Wet gaat dus niet van leven en levendig naar straf, opsluiting of dood, maar omgekeerd van dood naar leven. Daarom kunnen we aan die Wet vreugde ontlenen. Daarom worden de mensen die naar die Wet leven gelukkig geprezen, zij zelf bedrijven geen onrecht. Die Wet immers laat ons recht doen aan de mensen van God, aan alle mensen, zeker aan de minsten. Denk er daarbij aan dat alle mensen kinderen van God zijn, ook de mensen die niet in de God van Abraham, Izaak en Jakob geloven zijn kinderen van God, ook de mensen die hun God Allah noemen zijn de kinderen van de God waarover het in deze Psalm gaat. Dat recht doen aan mensen is wat de dichter van deze psalm hartstochtelijk wil. Recht doen aan mensen, al zijn het je vijanden, zal je nooit beschaamd doen staan. Je hoeft je echt niet te schamen als je met zwervers, drugsverslaafden, zieken, eenzamen, hoertjes en vreemdelingen een feestmaaltijd aanricht. Alle kinderen van God hebben immers reden tot feest nu de tijd van bevrijding van de armen is aangebroken. Dat feest mogen wij verkondigen, iedere dag van het jaar opnieuw.

God met ons

dinsdag, 25 december, 2007

Matteüs 1:18-25

Terwijl in de kerken over de hele wereld het tweede hoofdstuk uit het Evangelie van Lucas wordt gelezen als het geboorteverhaal van Jezus van Nazareth lezen wij het verhaal zoals het opgetekend staat in het Evangelie van Mattheüs. Het is wat minder romantisch. Geen stal, geen herders, geen zingende engelen van vrede op aarde en in mensen een welbehagen. Integendeel, een verhaal dat irritatie en misverstanden oproept. Lucas laat er nog een engel aan te pas komen om Maria te vertellen dat ze een kind van God zal krijgen. Niks van dat al bij Mattheüs. Twijfel wordt er gezaaid over de afkomst van Jezus van Nazareth. Maria is een jonge vrouw die verloofd is met Jozef. En nog voor ze bij Jozef intrekt is ze al zwanger. En kennelijk is Jozef niet de vader, maar om er nu een uitgestoten vrouw van te maken ging ook Jozef kennelijk te ver. Want dat zou er zijn gebeurd als hij haar niet had getrouwd. Ze zou een overspelige vrouw zijn, met een kans zelfs om gestenigd te worden. Als ze in leven zou zijn gebleven was een bestaan als hoer haar meest waarschijnlijke toekomst. Hoe ze zwanger is geworden vermeld Mattheüs niet. In de vroege dagen van het Christendom ging wel het verhaal dat ze verkracht zou zijn door een Romeinse bezetter, maar de kerk heeft die lezing verworpen. De engel die in een droom aan Jozef verschijnt heeft het over een kind dat in liefde is ontvangen. De Geest van God is er aan te pas gekomen en God is immers liefde. Het verhaal zoals dat door Mattheüs is opgetekend heeft ook nog geleid tot een misverstand, of misschien zelfs een opzettelijke misleiding. Er staat in de vertalingen die we gebruiken, ook in de Nieuwe Bijbelvertaling, een citaat uit het boek van de Profeet Jesaja: “De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren” Daar is het sprookje van de maagdelijke geboorte vandaan gekomen, in het boek van de Profeet Jesaja staat in het Hebreeuws alleen dat er een jonge vrouw zal zijn die het aan zal durven een kind, een zoon, te krijgen. De profeet schrijft dat tijdens de belegering van Jeruzalem, als iedereen verstijft is van angst en geen toekomst meer ziet. Het lijkt op de dagen van Jozef en Maria. Dan een kind durven krijgen is een heldendaad, een verzet tegen uitzichtloosheid. Het is de uitdrukking van het geloof in een God die meetrekt, ook door de woestijn van het leven. Daar waar alles dor en dood lijkt brengt de liefde van die God, de Geest van die God, weer nieuw leven. Daarom wordt het kind genoemd naar de bevrijder van Israel: Jozua, die voerde het volk uit de woestijn naar het land overvloeiende van melk en honing. In het Grieks heet hij Jezus, en door de daad van Maria voert hij vanuit het duister van de bezetting naar de bevrijding van de armen. Daar zou hij zijn leven voor inzetten. Dat is waar Jozef en Maria mee zijn begonnen, ook volgens het verhaal van Mattheüs. En met die bevrijding van de armen mogen we nog steeds meedoen, ook vandaag.

Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham

maandag, 24 december, 2007

Matteüs 1:1-17

Vandaag beginnen we te lezen in het Evangelie van Mattheüs. Het verhaal over de bevrijding van de armen zoals opgetekend in een boek dat ontstond tussen 40 en 70 na het begin van onze jaartelling. Dat het geschreven is door ene Mattheüs staat nu niet direct in de oudste handschriften. Maar in de loop van de geschiedenis is men gaan aannemen dat dit verhaal is opgetekend door de tollenaar Mattheüs, die tijdens het leven van Jezus een volgeling was. Het boek zou later in Antiochië kunnen zijn ontstaan. Daar was een grote gemeente van volgelingen van Jezus na diens dood ontstaan. Het was ook de plaats waar Paulus werd opgeleid tot zendeling. Het evangelie van Mattheüs richt zich volgens de geleerden op de Joden, het vooronderstelt in elk geval kennis van de Hebreeuwse Bijbel zoals wij die kennen in het Oude Testament. Geen wonder dus dat juist dit boek het eerste boek is geworden van het Nieuwe Testament. Het Evangelie van Mattheüs begint met een geslachtsregister. Dat is tenminste de vertaling uit het Hebreeuws. In het Grieks staat er eigenlijk “wording”, of “geschiedenis” van Jezus van Nazareth. In het Evangelie van Lucas staat ook een geslachtsregister. Dat verschilt nogal van het register zoals hier in het Evangelie van Mattheüs staat. De Bijbel is nu eenmaal geen geschiedenisboek en wie de Bijbel van kaft tot kaft letterlijk wil nemen moet maar eens de verschillen tussen de beide stambomen van Jezus uit proberen te leggen. Wetenschappers hebben dat al vaak geprobeerd maar ze hebben het uiteindelijk opgegeven. Er is geen beginnen aan. Jezus van Nazareth wordt hier met zijn Griekse namen aangeduid. Jezus Christus. Jezus is het Grieks voor Jozua en Christus betekent de Gezalfde. In de Joodse Traditie zou hij de Bevrijders, de Messias, zijn die aan het volk het land teruggeeft zoals Jozua het land verdeelde onder de families en de stammen van het volk na de intocht. Maar het geslachtsregister van Mattheüs wijst er op dat de geschiedenis vreemde wendingen kan nemen. Zo komt Tamar er in voor, schoondochter van Juda, die de hoer moest spelen om Juda er toe te brengen haar als weduwe tot vrouw te nemen en haar daardoor te beschermen. Ruth komt er ook in voor, een vreemdelinge nog wel, die als weduwe aanspraak maakte op de bescherming door de familie van Boaz. Zij werd de stammoeder van het geslacht van David, de grootste koning die er volgens de Joden is geweest. Jozua had die familie land gegeven in Bethlehem, daarom gingen Jozef en Maria daar heen staat er in het Evangelie van Lucas. Zo legt Mattheüs verbinding tussen de belofte aan Abraham dat Israel een groot volk zou worden, de verdeling van het land die elke 50 jaar herhaald moest worden, het Koningschap van Jezus van Nazareth, en het opnemen van vreemdelingen in deze geschiedenis. Aan het begin van het verhaal dus ook aan ons de vraag of we in deze geschiedenis mee willen gaan doen.

…..dat Israël zal uitbotten en bloeien.

zondag, 23 december, 2007

Jesaja 26:20-27:6

Jesaja had het over het dode volk waar geen leven meer in zat en dat in ballingschap zou worden afgevoerd. En zoals veel mensen doen had ook Jesaja gezocht naar de zin van het lijden van zijn volk. Dat ze ongehoorzaam waren geweest aan de Wet van de Liefde, van onvoorwaardelijk delen met elkaar, was wel duidelijk. Maar het goddeloze volk dat hen had overwonnen wilde ook niet delen, dat wilde alleen vernietigen, heersen en de armen uitbuiten. Wat was dan de zin van dit alles? Jesaja kan er alleen een zin voor zichzelf en voor de overlevenden in zien. Nu kregen de overlevenden immers de kans om weer naar de Wet van de Liefde te gaan leven. Zoals in een wijngaard het onkruid werd uitgerukt om de wijnranken de kans te geven te groeien en meer vruchten te geven zo krijgen overlevenden en nabestaanden de kans om goedheid en liefde te verspreiden. Het volk Israel zou opnieuw tot leven gewekt worden en bloeien. Zo zag Jesaja het. De woorden van Jesaja klinken vaak rond de kerstdagen. Natuurlijk, de donkerste periode van het jaar wekt Heidense oerangsten dat de warmte van de zon niet zal terugkeren, dat de bladeren definitief van de bomen zijn gevallen en de akkers tot dorheid zijn verworden. Rond de donkerste dag van het jaar steken we dan zelf maar het licht aan en hangen vruchten in de bomen zodat het net lijkt of de duisternis niet overwint maar het licht zal komen. En warempel in de lente komt de warmte van de zon weer terug en groeien er nieuwe bladeren aan de bomen. Maar het is een Heidense angst en een bijgeloof dat je door licht te ontsteken en vruchten na te maken een of andere god zo kan foppen dat de natuur zich weer hersteld. Kerstmis ging ergens anders over. Dat ging over dat volk dat weer tot bloei kon komen. Toen eenvoudige mensen als Jozef en Maria weer naar de Wet van Liefde gingen leven en zich hun afkomst van Koning David herinnerden. Toen ze hun kind Jehosjoea, bij ons ook bekend als Jozua, in het Grieks Jezus, gingen noemen als teken dat het land aan het volk behoorde en niet aan de bezetter. Toen begon in de donkerste tijd van de Romeinse bezetting een nieuw leven voor het volk Israel. Toen konden bange herders hun angst voor de bezetter overwinnen omdat dappere mensen hun kind in een voederbak durfden leggen. Daar was de plaats die hen was toegewezen toen hun volk het land had gekregen. Daar kon geen Keizer tegenop. Niemand die de geschiedenis van rechtvaardig delen kon overwinnen. Dat geloof in gerechtigheid woonde in de harten van de mensen. Dat vertrouwen in gerechtigheid en liefde geeft iedereen die er op vertrouwd de macht om bergen te verzetten. Ook vandaag nog.

Wij gaan de paden van uw recht.

zaterdag, 22 december, 2007

Jesaja 26:7-19

Dat je verlangt naar de Heer hoort dus volgens het Boek van de profeet Jesaja bij het gaan van de paden van het recht van die Heer. Volgens de profeet zijn het de goddelozen die dat recht nooit zullen leren. Het zijn de verdrukten en vertrapten die een beroep doen op dat recht en blijkens deze passage dat beroep ook nooit vergeefs zullen doen. Het is niet onbelangrijk te blijven beseffen dat het verlangen naar God niet kan zonder recht te doen aan de minsten. Overal op de wereld zijn er religieuze leiders die je anders willen doen geloven. Persoonlijke verhoudingen met God, op je knieën en bidden maar, je hart openen voor God, zijn allemaal zaken die met het geloof in de God van Israel, met Jezus van Nazareth te maken zouden hebben. Niets is dus minder waar. Recht doen aan mensen, daar gaat het om. De hongerigen voeden, de naakten kleden, de bedroefden troosten, de blinden laten zien en de lammen laten lopen, de gevangenen bezoeken en de armen bevrijden is het hart van de godsdienst, dat is bidden, dat is de uitdrukking van het verlangen naar de Heer.Want waarom schrijven we “Heer” met een hoofdletter. Dat is niet zozeer uit eerbied voor God. Het is geen bewijs van ondergeschiktheid, we kunnen deze God immers ook als Vader aanspreken. Maar het is de ontkenning van alle machten en krachten in deze wereld die zich buiten de Wet van Liefde menen te mogen stellen. Juist onder de macht van de goddelozen lijken mensen dood, ze spreken niet meer vrij, ze verstijven in hun gedrag, ze mogen niet meer en anders bewegen dan zoals de machthebbers toestaan. We kennen ze uit alle bedreigende situaties die in onze samenleving en in de samenleving van volken kunnen voorkomen. Die doden komen tot leven als we mensen recht willen doen. Daar waar volken bevrijdt worden van onderdrukking kunnen we er weer een echt contact mee hebben, zien we weer de culturele uitingen, horen we van ideeën en gedachten. Daar waar mensen bevrijdt worden van angst bloeien mensen weer op. Daar waar armen bevrijdt worden van knellende armoede komen zij weer tot hun recht, blijkt hun creativiteit, brengen ze vreugde mee op de arbeidsmarkt, weten ze een voorbeeld te stellen in het delen met hen die het nodig hebben. Het zijn de paden van het recht van die ene Heer die ons naar de bevrijding voeren. De Bijbel stelt eigenlijk dat er ook geen andere weg is. Je kunt de bevrijding niet afdwingen met geweld, je kunt het niet opleggen aan anderen. Alleen door je naaste lief te hebben als jezelf, ja zelfs je vijanden lief te hebben, komt uiteindelijk de bevrijding. Daar moet je zelf mee beginnen, maar het is een zaak van de hele samenleving en alle volken zullen er uiteindelijk aan meedoen.