Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor juli, 2007

De aarde in haar volle uitgestrektheid bevatten

zaterdag, 21 juli, 2007

Job 38:16-27

Heel lang is er gezegd dat God te ontmoeten zou zijn in de ontzagwekkendheid van de natuur. In dit stuk uit het boek Job leren we eigenlijk dat dat niet kan. Voor gewone eenvoudige mensen is de natuur wel indrukwekkend maar bij alles wat je ziet moet je bedenken dat God het alles te boven gaat. Misschien is het tegenwoordige wel eenvoudiger te begrijpen. Veel van wat hier als wonderbaarlijk wordt opgenoemd is immers door mensen wetenschappelijk verklaarbaar en zelfs gedeeltelijk voorspelbaar. We weten best hoe hagel en sneeuw ontstaan en waar het licht van de zon vandaan komt, waar dat licht uit bestaat en zelfs hoe de zon dat licht naar ons toe zendt. Maar God gaat dat te boven. God gaat ook ruimte en tijd te boven. God is het gans andere, voor mensen niet te vatten. Daarom is het ook niet toegestaan een beeld van God te maken. De oude man op een wolk die door Michael Angelo werd geschilderd in de Sixtijnse Kapel in Rome mag dan wel een mooi beeld zijn, het is geen beeld van God, het schilderij waarbij de oude man de hand uitsteekt naar de naakte mens heeft met de God van Israel, de God uit het boek Job, niets maar dan ook helemaal niets te maken. Ongelovigen lachen gelovigen wel eens uit omdat er in de ruimte geen plaats gevonden is voor God. Bijgelovigen wijzen planeten aan waar God op zou wonen. Voor beiden geldt dat ze de God van Israel niet hebben begrepen. God openbaarde zich in het verhaal over Israel. Daar gaat het over een God die meetrok met het volk en dat volk uit de slavernij door de woestijn heen naar een land voerde dat overvloeide van melk en honing. Dat volk moest maar één ding doen en dat was de naaste liefhebben als zichzelf. In de loop van de geschiedenis bleek dat steeds weer te moeilijk, maar telkens opnieuw begon die God opnieuw met dat volk. Dat verhaal ging voor Christenen over in het verhaal over Jezus van Nazareth die het gebod van die God van Israel door de dood heen doortrok voor alle mensen op aarde. Iedereen kan daarin meedoen en de naaste liefhebben als zichzelf. En als dat te moeilijk is kun je er elke dag, elk moment, opnieuw mee beginnen. Dat is het geheim van de God die alles te boven gaat. Die God gaat ook vandaag weer met ieder van ons mee als we op pad gaan om onderdrukten te bevrijden, hongerigen te voeden, naakten te kleden en aan de armen het einde van de armoede te verkondigen. Over de hele wereld trekken mensen met ons mee en als iedereen met ons mee gaat dan zal het ook echt gaan gebeuren.

Goddelozen blijven verstoken van het licht

vrijdag, 20 juli, 2007

Job 38:1-15

We keren vanaf vandaag in het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap weer een paar dagen terug naar de lezingen uit het boek Job. Het boek waarin de vraag wordt gesteld waarom ook goede, rechtvaardige, mensen soms moeten lijden en waarom succes niet verzekerd is voor gelovigen. De vrienden van Job hadden hem gezegd dat het lijden van Job zou worden veroorzaakt door fouten die hij had gemaakt en als straf van God moest worden gezien maar daar had Job zich fel tegen verzet. Een liefdevolle God is volgens Job ook bij zijn kinderen als ze lijden en dat lijden is geen straf van die liefdevolle God. De vrienden van Job waren uitgesproken. Dan neemt in het verhaal God zelf het woord, in een storm. De God van Job bedient zich van een storm. De oppergod van de inwoners van Babel, waarheen het volk van Israel in ballingschap zou worden heengevoerd, was zelf een stormgod, de storm als god. De God van Israel heerst over de storm. Dat beeld zullen we veel later ook van Jezus van Nazareth te zien krijgen. Angst is geen drijfveer voor geloof in de God van Israel. De natuurkrachten zijn ondoorgrondelijk voor een eenvoudig mens als Job. Daar kun je als mens niets uit afleiden. Daar kun je geen conclusies over God uit trekken. God kan gebruik maken van de storm maar valt niet samen met de storm. Het God kwalijk nemen dat de natuurkrachten slachtoffers maken heeft geen zin. Die natuurkrachten zijn niet door aanbidding of offers gunstig te stemmen en de God van Israel laat zich niet door mensen sturen. Hij vraagt alleen vertrouwen van mensen zoals we eerder Job hoorden antwoorden aan zijn vrienden. Die God vraagt het vertrouwen dat ook in het ergste lijden die God naast je blijft staan. Zo zijn er mensen die durven zeggen dat die God met zijn kinderen de gaskamers van Auswitz betrad en hen daar niet in de steek liet. Wel, de afwezigheid van die God bij de misdadigers van de Holocaust maakt hen tot goddelozen waar inderdaad geen sprankje licht bij te bekennen was en is. De vraag is dus nooit waarom God dat lijden veroorzaakt maar is altijd wat wij bereid zijn voor onze naasten te doen. Hebben wij oog voor de mensen die lijden, of zijn we alleen bezig met religieuze rituelen of zelfgroei. Het verbond dat deze God met mensen sloot was, dat dit de enige God voor hen moest zijn en dat dienst aan die God dienst aan de mensen zou moeten zijn. Of wij ons dus maar aan onze kant van het verbond willen houden.

Er is maar één ding noodzakelijk

donderdag, 19 juli, 2007

Lucas 10:38-42

Als je het Bijbelgedeelte van vandaag leest dan is het toch wel heel erg verbazend dat de rol van vrouwen in de Kerk zo lang de rol van Martha was en in somige kerkgenootschappen de Maria’s nog steeds niet de erkenning krijgen die Jezus van Nazareth in zijn dagen aan Maria gaf.  Dat zorgen van die Martha is natuurlijk niet geheel verkeerd, maar er waren ongetwijfeld ook mannen in de buurt die hadden kunnen helpen. Het belangrijkste op dat moment was het leren dat Maria deed. Horen hoe je je naaste lief kunt hebben als jezelf, weten wie je naaste is. Martha moet ook leren dat bedienen toch heel iets anders is dan dienen. Dat houden van je naaste als van jezelf ook kan betekenen dat je kiest voor jezelf ook al is dat voor de ander vervelend. Maria kiest voor zichzelf en geeft daarmee Martha de kans dat ook te doen. Waren ze allebei aan het bedienen van al die mannen geslagen dan had zich de vraag naar de eerlijke taakverdeling nooit voorgedaan en hadden we er ook vandaag nog steeds niks van kunnen leren. Dat is nu anders. We weten dat de Maria uit dit verhaal niet anders werd behandeld dan de apostelen en de leerlingen van Jezus van Nazareth. Zonder er veel woorden aan vuil te maken maakt het Evangelie van Lucas duidelijk dat er geen onderscheid is op het moment dat je met het Evangelie van Jezus van Nazareth bezig bent. Vrouwen die theologie hebben gestudeerd, vrouwen die ouderling of diaken willen worden, vrouwen die willen preken en de eucharistie bedienen hebben daar dus net zo veel recht op als mannen. Sterker nog, als vrouwen zich aandienen dan is dat anders dan in de wereld. In de wereld verdienen vrouwen in dezelfde functie minder dan mannen, in de wereld mogen de vrouwen de koffie schenken terwijl de mannen vergaderen, in de wereld mogen de vrouwen de toiletten schoonmaken voor de managers met topinkomens en extra bonussen, in een echte christelijke kerk wordt er geen onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Door het verhaal van Jezus van Nazareth met Maria en Martha worden vrouwen bevrijd van hun bedienende rol die hen in de wereld maar al te vaak, en tot schade van die samenleving, wordt opgedrongen. Er is maar één ding noodzakelijk en dat is dat je jezelf leert waarderen zodat je je naaste nog meer kunt liefhebben. Dat is pas dienen en daar houdt het bedienen helemaal op om nooit meer terug te keren.
 

Wie is mijn naaste?

woensdag, 18 juli, 2007

Lucas 10:25-37

Vandaag lezen we het overbekende verhaal over de Barmhartige Samaritaan. De man met zijn ezel en zijn denarieën maakten zoveel indruk dat je je afvraagt wat daar nu meer aan toe te voegen is dan weer een hartstochtelijk verhaal om je naaste lief te hebben als jezelf. Toch kan de Nieuwe Vertaling een aanleiding zijn om het verhaal ook weer eens als nieuw te lezen. Want wat gebeurd er. Natuurlijk er is een geleerde die de wet goed kent. En er is Jezus van Nazareth die zegt dat je je niet alleen aan de wet moet houden maar in dit geval deze bijzondere wet ook gewoon elke dag moet doen. Maar wie is dan die naaste die je lief moet hebben als jezelf? De Samararitaan zijn we gewend te zeggen, die stopt, neemt het slachtoffer op zijn ezel en betaalt de verzorging in het hotel. Maar Jezus vraagt wie de naaste is van het slachtoffer. Is dat een wedervraag op de vraag wie mijn naaste is? Is die geleerde dan soms het slachtoffer? Moeten we ons leren te verplaatsen in de positie van slachtoffers om te begrijpen wat het is om je naaste lief te hebben als jezelf? De bekende anti-apartheidsstrijder Ds.Alan Boesak heeft in de jaren 70 in Kampen theologie gestudeerd. Toen hij met zijn gezin terugkeerde naar Zuid-Afrika hield iedereen z’n hart vast, zou dat goed gaan. Hij heeft inderdaad zijn portie ellende gehad. Maar in Nederland was hij al met de strijd tegen apartheid begonnen. Nederlanders die Zuid-Afrikaanse sinasappelen kochten hield hij voor dat zij Zuid-Afrikanen uitpersten.  Niet in droge artikelen, nee Boesak kon onverwacht op een markt opduiken en dan rechtstreeks de kopers van de sinasappels aanspreken en hen confronteren met wat ze deden. Hun koopgedrag hield de blanke rijken rijk en daardoor de armen arm. De boycot die ontstond hielp uiteindelijk mee het apartheidsregiem af te schaffen. Maar vragen wij ons vandaag nog af wie heeft geleden voor de goedkope producten die wij kopen? Welke kinderen onze schoenen hebben gemaakt en welke vingers tot bloedens toe werden geprikt om onze T-shirts te maken? Of zijn wij als de leviet en de priester op weg om onze taak goed te vervullen zonder op of omkijken naar de slachtoffers langs de weg. Zolang we onze stem niet verheffen tegen de onrechtvaardige handelsverhoudingen zijn we nog niet in de positie van het slachtoffer en kunnen we ons nog steeds afvragen wie onze naaste is. Pas als we weet hebben van de slachtoffers weten we ook van onze naaste. We zullen moeten gaan doen als de man die medelijden toonde met de naaste, want die zouden we zelf ook willen ontmoeten als het nodig is.
 

 

Door wijze zachtmoedigheid

dinsdag, 17 juli, 2007

Jakobus 3:13-18
 
“Waar in vrede wordt gezaaid, brengt gerechtigheid haar vruchten voort voor hen die vrede stichten”, zo besluit het Bijbelgedeelte dat we vandaag uit de brief van Jacobus lezen. Echte wijsheid, zo stelt Jacobus, is voor alles zuiver, vredelievend en meegaand, onpartijdig en oprecht en rijk aan ontferming. We nemen de mensen om ons heen dus hun kleine hebbelijkheden en foutjes niet kwalijk. Dat wil niet zeggen dat je moet zwijgen. Maar wel dat het opsteken van een middelvinger in het verkeer, knipperen met de koplampen, of luid toeteren, als er weer eens iemand de weg kwijt is, of niet helemaal meer weet hoe met het drukke verkeer van vandaag om te gaan, uit den boze is. Jacobus noemt egoïsme als bron van wanorde en kwaad. Als de wereld er dus alleen maar voor jou is, dan wordt de wereld er niet beter op. Dat wil nog steeds niet zeggen dat je een ander niet op fouten en irritaties moet wijzen. Je kunt iemand helpen door de fouten die worden gemaakt te benoemen. Je kunt iemand helpen door zelf ook open te staan voor het benoemen van dingen die jij doet en die een ander onhebbelijk vindt. Echte Liefde voor de naaste betekent dat je de naaste helpt een beter mens te worden, niet dat jij weet wat dat is, niet dat jij de wijsheid in pacht hebt, maar wel dat je die ander liefhebt als jezelf. Dus als jij zou willen dat iemand het maar tegen je gezegd had, dan is dat genoeg om het in elk geval tegen je naaste te zeggen. Vrede komt altijd van twee of meer partijen, daar moeten twee of meer partijen aan meedoen. Vrede stichten betekent dus een beroep doen op alle partijen om het kwaad te laten varen en het goede te gaan doen. Dat doet ook recht aan mensen. Neem de ander serieus, die kan echt ook het goede doen en het kwade laten. Zelfs God gelooft in mensen dat kun jij dus ook, zegt Jacobus dus eigenlijk dit Bijbelgedeelte. We hadden al gezien dat de brief van Jacobus gaat over het doen van geloven. We weten al dat het begin van de wijsheid de vreze van de Heer is. We weten nu dus ook hoe we dat moeten doen. In zachtmoedigheid de ander aanspreken op het goede. Niet de ander veroordelen, niet de ander in een kwaad daglicht stellen, niet aankomen met de irritatie, maar de ander de kans geven als een goed lid van de samenleving de plaats in te nemen die ieder mens toekomt. Dat is de Wijsheid van boven, dat is het geloven als werkwoord, elke dag opnieuw.

 

 

Een wereld van onrecht

maandag, 16 juli, 2007

Jakobus 3:1-12

Voor predikanten en priesters is dit Bijbelgedeelte altijd weer schrikken. Ze moeten het woord verkondigen en worden als dank extra zwaar beoordeeld. Paulus schrijft ergens dat het geloof uit het gehoor is. Pas als we er geestdriftig over horen vertellen dan laten we ons verleiden om vertrouwen te stellen in de komst van dat Koninkrijk van Jezus van Nazareth. Maar owee, dat vertellen gaat gepaard met een wereld van onrecht. We spreken immers zo gemakkelijk kwaad over mensen. Wie hoort spreken over vreemdelingen, of wie hoort spreken over mensen die vertellen over de problemen die ze met vreemdelingen hebben, weet dat het veroordelen van mensen zo gemakkelijk is en zo snel als waarheid kan klinken. Maar het is een wereld van onrecht zegt Jacobus. Voordat je kunt spreken over zaken zonder mensen te raken, zonder mensen te veroordelen gaat er een heleboel voorbij. Tijd en inspanning, jezelf bewust maken van wat je eigenlijk zegt en vooral studeren op de Liefde, je naaste liefhebben als jezelf en alle mensen, zelfs je vijanden, een echte plaats geven in de nieuwe samenleving die zich met dat Koninkrijk zal aandienen. We zegenen en vervloeken mensen zegt Jacobus. We moeten ons dus bewust zijn dat we van mensen het goede mogen verwachten, dat ze tot zegen zijn, maar dat we bijna op hetzelfde moment van mensen zeggen dat we het kwade moeten verwachten, ze vervloeken. Dat kan niet allebei tegelijk. Paulus waarschuwde ons al het goede te doen en niet dan het goede. Zo gaat het ook met het over mensen spreken, verwacht het goede en niet dan het goede. Daden kunnen verkeerd zijn maar mensen zijn dat niet, daden kunnen illegaal zijn, mensen zijn dat niet. Je kunt wat mensen doen veroordelen, en het zelf dus voortaan laten, maar weet dat alle mensen geschapen zijn naar Gods beeld en gelijkenis, dat alle mensen broeders en zusters zijn en dat jij daar bij hoort. De vraag blijft dan hoe je mensen lief kunt hebben die het kwade doen en niets dan het kwade. Die mensen moeten we dus extra liefhebben, die hebben de liefde meer nodig dan wie ook. Niet hun daden moeten we liefhebben, daar moeten we ze van afbrengen en die daden verdienen veroordeling, luid en duidelijk. Maar de mensen horen in de samenleving van het goede. Daar moeten ze weer naar toe. Wie anderen afschrijft en veroordeeld maakt het onmogelijk die anderen de plaats te geven die ze toekomt, die doet mensen dus geen recht. En daar gaat het deze week om, mensen recht doen.

 

De een gelooft, de ander doet

zondag, 15 juli, 2007

Jakobus 2:14-26

Geloven is een werkwoord. En het werk dat je doet met geloven doe je dus niet me je hoofd of je mond, dat doe je met je handen. Zonder daden is er geen geloof. Je kunt prachtige verhalen ophangen, Jacobus noemt de uitspraak dat er maar één God is zo’n mooi verhaal, maar zonder de bijbehorende daden is dat geloof nutteloos. Nu staat er in de Evangelieverhalen heel vaak dat het geloof van mensen hen heeft behouden. Behouden willen we allemaal wel worden. De Roomse zogenaamde kerk heeft dan ook in haar geschiedenis bedacht dat hoe meer je aan goede werken doet hoe beter je behouden wordt. In de dagen van de Reformatie waren die goede daden zelfs de financieële bijdragen aan de bouw van de Sint Pieterskerk in Rome. Je kreeg dan van de priester op een briefje dat je behouden zou worden. Het was Maarten Luther die ontdekte dat het zo niet in elkaar zit. Dat “behouden worden” is geen salaris voor de goede werken, het is het gevolg van geloven, het effect als het ware dat met geloven wordt bereikt. Mensen die van Jezus van Nazareth te horen kregen dat hun geloof hen behouden had kregen daardoor eigenlijk ook weer een volwaardige plaats in de samenleving. Paulus schrijft ergens dat geloven je pas echt mens maakt. Dat geloof maakt ook dat je bij het Koninkrijk van God gaat behoren zeggen de Evangelieën. En daar komt Jacobus om de hoek kijken. Want hoe gaat het in het Koninkrijk van God in z’n werk. Niet zoals in de wereld die wij kennen, waar mensen apart gezet worden. Als een minister als Ella Vogelaar ontdekt dat Islamieten ook bij ons volk zijn gaan horen is de wereld voor mensen als Geert Wilders en Mark Rutte te klein. In het Koninkrijk van God gaan mensen pas echt meetellen. Daarom kan het geloof ook niet zonder werken blijven. Pas in de liefde voor de naaste wordt het geloof ook echt geloven, net zoals God in mensen gelooft, geloven wij in onze naasten. Daarin zit ook de rechtvaardigheid die Jacobus noemt, je doet alle mensen recht, alle mensen hebben hun waarde. Daarom is de uitsluiting van Islamieten zoals Geert Wilders en Mark Rutte die plegen de uiting van ongeloof in mensen en eigenlijk godslasterlijk en in elk geval in strijd van de Joods-Christelijke traditie die in Nederland zo diep geworteld is. Daarom kun je van Ella Vogelaar zeggen dat ze iets begrepen heeft van het geloven waar de Bijbel over spreekt, zeker als ze de Joods-Christelijke traditie een kenmerk van onze cultuur noemt. Gelovigen laten de komende week zien dat ze echt mensen willen insluiten in plaats van buitensluiten.
 

Heb uw naaste lief als uzelf.

zaterdag, 14 juli, 2007

Jakobus 2:1-13
 
Vandaag is het de Franse Nationale feestdag. Niet een dag om een geweldige overwinning in een oorlog te herdenken. Of het aan de macht komen van een Keizer of een Koning, maar de dag waarop gevierd en herdacht wordt dat het gewone volk de adel, de koning en de machthebbers verjoeg en zelf de macht in handen nam. Als symbool is gekozen voor het moment dat het volk de gevangenis van de machthebbers in Parijs bestormde, de gevangenen vrij liet en het gebouw tot aan de fundamenten toe afbrak. En op die dag lezen wij in de brief van Jacobus dat je niet op het uiterlijk van mensen moet letten. Het zijn niet de rijken die tellen maar de armen volgens Jacobus. In Frankrijk riepen ze de revolutie uit onder het motto Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. De eerste twee idealen hebben wortel geschoten, maar voor de Broederschap moeten we nog steeds heel veel leren. Om te beginnen gaat het natuurlijk niet alleen om de broeders maar ook om de zusters. En de liefde voor elkaar die het woord Broederschap probeert uit te drukken kan alleen slagen als het de liefde voor de naaste is die de Bijbel ons leert en waar in dit gedeelte ook Jacobus ons op wijst. In Frankrijk was het snel afgelopen met die broederschap. Nieuwe machthebbers grepen de macht en naar mate er een nieuwe klasse van rijken opkwam wisten die de macht zo te manipuleren dat tot op de dag van vandaag de rijken worden beschermd en de armen daar het slachtoffer van zijn. Niet alleen de armen in onze samenleving of die van de Fransen maar ook de armen in Afrika en de andere arme landen in de wereld. Wie vandaag de herdenkingen uit Frankrijk volgt ziet dat daar militiare pracht en praal voorop staan en dat er voor het volk het brood en de spelen van de Ronde van Frankrijk zijn. De armen mogen blijven slapen onder de bruggen van Parijs en andere steden, of wonen in de uitgewoonde woonblokken aan de rand van de steden, zonder toekomst, zonder uitzicht op een menswaardig bestaan, zonder kans ooit mee te delen in de rijkdom en de macht van een lid van de Europeese Unie. In Frankrijk heeft dat de afgelopen tijd geleid tot rellen, vernielingen en bijna opstanden. Die onrust is nog niet de voorbode van een nieuwe revolutie. De Franse Revolutie die vandaag wordt herdacht heeft de moed voor een nieuwe revolutie doen verdwijnen. Voor ons is er de weg van Jezus van Nazareth naar de bevrijding van de armen. De naaste liefhebben als jezelf hoe die naaste er ook uitziet. We zullen het moeten blijven proberen.

 

Zich haasten om te luisteren, maar traag zijn om te spreken

vrijdag, 13 juli, 2007

Jakobus 1:19-27

Zoals je moeder vroeger al zei: “Eerst tot 10 tellen, en dan nog een keer, en dan pas boos worden”. Het is de uitwerking die Jacobus vandaag geeft van de raad van Jezus van Nazareth om niet te oordelen. Want er is toch wel het een en ander om te oordelen en te veroordelen. Gisteren kondigde Geert Wilders aan een wet in te gaan dienen die het dragen van een Boerka strafbaar stelt. De eerste reactie die daarop kwam was de vraag of er niet een wet ingediend kan worden om Geert Wilders strafbaar te stellen. Het zaaien van haat en het tegen elkaar opzetten van bevolkingsgroepen is immers al strafbaar en wat moet je anders met dit verbod. Het is een verbod van angst en vooroordelen. VVD en CDA willen een verbod op alle gezichtsbedekkende kleding. Ook Sint Nicolaas mag straks van hen niet meer het land binnen komen en met gejuich binnen worden gehaald. Gelukkig maar dat zijn Moorse, dus Islamitische, knechten hun gezicht niet bedekken. Angst regeert, want als je iemand niet kunt herkennen kun je die ook niet identificeren. Gewoon naar een identiteitsbewijs vragen is er niet meer bij. Vroeger hadden boeven een maskertje voor hun ogen, dus wie nu het gezicht bedekt is vast ook een boef. Geert Wilders gaat nog verder. Voor hem is het een teken van achterstelling van vrouwen. Nu zetten een aantal Islamitische voorschriften vrouwen inderdaad apart, al is het voorschrift om een boerka te dragen niet direct een religieus voorschrift. Het gebod voor vrouwen om het hoofd bedekt te houden vinden we in een van de brieven van Paulus terug. Daarom zie je op zondag bij sommige kerkgenootschappen alle vrouwen een hoed of een muts dragen. Maar dat apart zetten is niet om vrouwen achter te stellen of te onderdrukken maar juist om ze te respecteren. Het zijn mannen die vrouwen uitkleden met hun ogen, die vrouwen bekijken of het schilderijen in plaats van mensen zijn, die genot putten aan het zien van een vrouw, zonder zich te hoeven verdiepen in haar persoonlijkheid. De bedoeling van  Boerka en Niquaab is mannen te dwingen vrouwen meer te respecteren. Een verbod, afgedwongen door een man, is daarom de ultieme vernedering. Jacobus pleit voor vrijheid en zegt dat de zuivere godsdienst te vinden is in het bijstaan van de weduwen en de wezen. Daar moeten wij het maar bij houden. Mensen een plaats geven in onze samenleving, mee laten doen, moet daarom gepaard gaan met respect. Als we dat kunnen opbrengen is er geen enkel verbod meer nodig.

 

Laat de rijke trots zijn op zijn nederige staat

donderdag, 12 juli, 2007

Jakobus 1:1-18

Vandaag beginnen we te lezen in de Brief van Jacobus. Een brief geschreven aan het hele volk overal ter wereld. Geleerden zeggen wel dat die Jacobus een broer was van Jezus van Nazareth. Volgens het boek van de Handelingen zou hij dan de eerste leider zijn geweest van de gemeente in Jeruzalem. Het zou zomaar kunnen want deze brief gaat over hoe het goede te doen en het kwade te laten. Twijfel is er voor Jacobus niet bij, het goede is goed, niet nu en dan goed, of misschien goed maar soms niet, nee het goede is goed. Voor ons rijken is nederigheid het devies. Rijkdom en aanzien tellen in het Koninkrijk van God niet mee. Ook de rijke sterft en is als een bloem in het veld, die bloeit en daarna kent men zelfs de plaats van de bloem niet meer. Jacobus begint ook met een stuk over reclame. Het is dus niet de reclame die ons doet consumeren, het is ook niet de maatschappelijke consumptiedwang die ons steeds meer doet willen hebben. Het is onze eigen begeerte, onze eigen hebzucht en natuurlijk ons eigen verlangen mee te tellen in de wereld om ons heen. Als we aan die begeerte toegeven dan leidt dat volgens Jacobus tot zonde. Dan letten we dus meer op ons bezit en op hoe dat er uitziet in de ogen van anderen dan juist op de onaanzienlijken, op de armen, op de hongerenden. De kerken, en dan niet de Roomse zogenaamde kerk, hebben een aantal jaren geleden in Accra een verklaring opgesteld waarin de verhouding tussen rijke en arme landen, tussen rijken en armen, in onze wereld in het licht van de Bijbel wordt gesteld. Wie de brief van Jacobus leest wordt aan die verklaring herinnert. In die verklaring wordt nogal hard tegen de rijken tekeer gegaan. Zoals we hier al eerder hebben ontdekt zijn het de rijken die de armoede in de wereld in stand houden. Maar wat doen wij rijken daar nu mee. Wat kunnen we meer doen dan op partijen stemmen die rechtvaardiger verhoudingen voorstaan en zelf steun geven aan organisaties en bewegingen als Fair Trade, Amnesty, Kerkinactie en het ICCO. Om te beginnen kunnen we er anderen in mee proberen te krijgen. Spreek je eigen kerkgemeenschap er op aan, juist deze waarheid komt van God lezen we in de brief van Jacobus. Het zijn de armen in de wereld die onze stem en onze daadkracht meer nodig hebben dan ooit. De wereldsamenleving die in dienst is gesteld van winst en profijt schreeuwt om mensen die de wereldsamenleving in dienst willen stellen van Samen Delen, in dienst van de God van Israel, de God uit de brief van Jacobus.