Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor juli, 2007

Wie kwaadspreekt van een ander spreekt kwaad van de wet

dinsdag, 31 juli, 2007

Jakobus 4:11-17

Een uitwerking van het advies van Jezus van Nazareth om niet te oordelen, immers zoals we oordelen zullen we geoordeeld worden. Jacobus trekt dit door. Volgens hem spreek je dan ook kwaad van het gebod om je naaste lief te hebben als je zelf. Wie van ons is trouwens rechter. Wie is aangewezen om goed of kwaad over anderen te oordelen. Een handjevol bij de rechtbank en die moeten zich strikt aan van te voren vastgestelde regels houden. Let trouwens maar eens op die rechtbanken, daar wordt in de eerste plaats over daden geoordeeld. Pas als de maat voor de straf aan de orde komt volgt een oordeel over de persoon in verhouding tot de daad om de juiste straf te bepalen. De rechter zal daarbij zo zorgvuldig mogelijk te werk gaan en eerst rapporten vragen van deskundigen voordat een strafmaat wordt bepaald. Wij zijn nogal eens geneigd om een oordeel over personen te vellen. Dat is een crimineel, dat is een peadofiel, dat is een oplichter. Je hoort en leest deze oordelen vrijwel elke dag. Net als Jezus van Nazareth zet Jacobus zich in deze brief af tegen de zogenaamde nette mensen die het allemaal zo goed weten. Zij houden zich aan de regels, kleden zich keurig en wassen zich op tijd. Zij matigen zich aan een oordeel te mogen geven over iedereen die zich een beetje anders gedraagt, er anders uitziet of andere gewoonten heeft. Voor Jacobus zijn we allemaal maar mensen die moeten afwachten of we morgen nog leven. Of het goed of slecht gaat in het leven en hoe lang het leven duurt hangt immers vaak helemaal niet van onszelf af. Zo zijn we nog gezond, zo zijn we invalide. En hoeveel mensen worden niet in de bloei van hun leven van ons weggerukt. Een hoge toon aanslaan over hoe goed we zelf zijn en hoe slecht de ander komt dus helemaal niet van pas. Dat geldt ook voor oordelen over andere godsdiensten. Elke godsdienst is net zo achterlijk als die van ons, zeker als we geen godsdienst aanhangen. Voor wereldlijke maatstaven is de Christelijke godsdienst zelfs de meest achtelijke. Wie offert nu eigen belangen op om die van de naaste te dienen omdat je nu eenmaal je naaste net zo liefhebt als jezelf. Maar we weten dat, omdat we het weten, er niet naar handelen zonde is. Die zonde wordt ons telkens weer vergeven maar de wetenschap spoort ons ook telkens weer aan de Weg te gaan die Jezus van Nazareth ons wees en waar Jacobus zo treffend over kon schrijven. Elke dag gaan we dus weer die weg, ook vandaag weer.

Onderwerp u dus aan God

maandag, 30 juli, 2007

Jakobus 4:1-10

Er wordt wel eens gedaan of het Christelijk geloof een levenshouding is waarbij niks mag en van alles moet. Niets is minder waar. Paulus wees ons er al op dat vrijheid het hoogste goed is voor een Christen en wie de brief van Jacobus goed leest zal het opvallen dat er veel vermaningen in staan maar geen geboden of verboden. De oproep om je te onderwerpen aan God is nog het meest vergaande uit de hele brief. En wat betekent het. Kennelijk schrijft Jacobus in een tijd dat overal in de gemeenten die zich in het Romeinse Rijk hebben gevormd oorlogjes uitgebroken zijn over de macht en het aanzien van de nieuwe leden. Wie heeft de leiding, wie heeft het voor het zeggen en vooral wie mag zeggen wat de nieuwe godsdienst is tot welke men zich heeft bekeerd. Ook in de brieven van Paulus komen we sporen van deze strijd wel tegen. Het is de kerk in alle eeuwen nooit vreemd geweest dat macht en aanzien bepalen wie het er voor het zeggen heeft. Centraal in dit gedeelte van de brief staat de tegenstelling tussen hoogmoedigen en nederigen. De onderwerping aan God betekent het jezelf wegcijferen voor de liefde. Al eerder lazen we de oproep van Jacobus om de naaste actief te blijven liefhebben. Geloof zonder werken is voor Jacobus dood geloof, wie gelooft kan worden opgemaakt uit hoe het met de naasten uit de omgeving van de gelovigen gaat. Jezus van Nazareth gaf zijn volgelingen de opdracht het Evangelie te verkondigen. In zijn dagen was dat de armen bevrijding verkondigen, de gevangenen bevrijden, de hongerigen voeden en de naakten kleden. De volgelingen die dat gedaan hadden rapporteerden bij terugkomst enthousiast dat al het kwade wel op de loop leek te gaan. Jacobus zegt hier het zelfde. Zo lang er nog mensen vernederd worden is er geen rede voor feestvieren. Zo lang er nog oorlog in de wereld is kunnen we niet rusten in vrede. Zo lang er nog gehongerd wordt zijn we niet verzadigd. Wij zitten gevangen achter de onrechtvaardige tolmuren die onze broeders en zusters in de armste landen van de wereld afhouden van een eerlijk inkomen. Wie zich dag in dag uit realiseert dat de inrichting van onze eigen samenleving leidt tot honger, oorlog en gezinsdrama’s in eigen land heeft geen ogenblik rust meer. Maar wie de uitweg ziet in de Liefde, zoals het volk Israel in God heeft ontmoet en de volgelingen van Jezus van Nazareth die over de wereld hebben gebracht, weet dat die ellende niet blijvend zal zijn en dat de verandering vandaag nog kan beginnen.

Niets is geheim

zondag, 29 juli, 2007

Lucas 12:1-12

Alles komt uit. De renners in de Tour de France zijn er de afgelopen drie weken soms op hardhandige manier achter gekomen. Waar ze zijn en wat ze doen, het wordt zo veel gecontroleerd dat het binnen enkele uren uitkomt. Natuurlijk, er zijn moorden en andere misdaden die niet worden opgelost. Er zijn boeven die niet worden gevangen. Er zijn ook sportmensen die de regels overtreden en die niet betrapt worden. Maar toch is er niets geheim. Dat geld ook in de religie. Soms hoor je priesters of dominees wel eens zeggen dat ze een geheim hebben. Het geheim van de eucharistie, of het avondmaal. Het geheim van het geloven zelf. Maar wees gerust, in het verhaal van Jezus van Nazareth is niets geheim. Het gaat juist om het openbaren van het geheim. De eucharistie of het avondmaal is een godsdienstoefening bij uitstek. Als je de God van Jezus van Nazareth wil dienen dan moet je bereid zijn alles te delen met een ander, desnoods jezelf. Dat doe je niet zomaar, dat is geen lolletje, dat is niet vrijblijvend. Jezus van Nazareth heeft het er over dat zijn volgelingen voor de kerkelijke en wereldlijke autoriteiten gesleept zullen worden en zich zouden kunnen afvragen wat ze zouden moeten zeggen. Autoriteiten, de kerkelijke en de wereldlijke, houden van geheimen en houden graag ook veel geheim. Wie geheimen kent heeft immers macht. Maar de volgelingen van Jezus van Nazareth houden niets geheim en ontkennen dat er geheimen zijn. Er is over ieder mens dan ook niets meer te weten dan die mens over zichzelf weet. Wie ergens van beschuldigd wordt weet of het waar is of niet. En ten onrechte beschuldigd worden betekent dat het op een eerlijke manier niet te bewijzen is. Wie beter weet wat een mens te doen staat kan altijd op de gevolgen van daden worden gewezen. Worden de armen bevrijdt? Worden de zwakken ondersteund? Wordt er vrede gesticht? Worden de hongerigen gevoed, de naakten gekleed? Gaan de doven horen, de blinden zien en de kreupelen lopen? Zelfs Jezus van Nazareth lukte het niet de mensen de mond te snoeren die door hem genezen werden en weer een plaats in de samenleving kregen, zou het effect van overheidsmaatregelen dan geheim blijven en onzichtbaar zijn voor de mensen om wie het gaat? Laat U niets wijsmaken, geheimen zijn er niet. Het enige wat we moeten weten is wat er aan de minsten onder ons gedaan moet worden. Wat we tegen de geheimhouders moeten zeggen is dus alleen dit, heb Uw naaste lief als Uzelf.

Het een doen zonder het andere te laten

zaterdag, 28 juli, 2007

Lucas 11:37-53

Farizeën en wetgeleerden. We kennen ze en ze staan in onze taal in een kwade reuk. Ze krijgen in dit schriftgedeelte van Jezus van Nazareth ongezouten de waarheid gezegd. Maar mogen wij blij zijn geen farizeën of wetgeleerden te zijn? Dat is nog maar de vraag. Farizeën probeerden de leer van het volk Israel ook onder het hele volk levend te houden. Zij waren de uitvinders van de Synagogen waar Jezus van Nazareth zo vaak kwam om uit de boeken van Mozes en de Profeten voor te lezen en er uitleg over te geven. En dan de wetgeleerden. De Wet van de Woestijn is toch het hart van het verhaal van Israel en gaat het ons ook niet om het houden van die wet, de wet van delen, van houden van je naaste als van jezelf. Jezus van Nazareth verwijt de Farizeën dat ze alleen letten op uiterlijkheden. Als hij vermoeid en uitgeput aan tafel gaat liggen, en iedereen lag in die tijd aan tafel, dan is er geen vraag naar het waarom, geen belangstelling voor zijn persoon, maar alleen een verwijt dat hij zich niet aan de regels houdt. De wetgeleerden moeten het op dezelfde manier ontgelden, wel praten over normen en waarden, wel roepen dat de wet gehouden moet worden, maar steun aan de armen ho maar. Is er dan veel veranderd? Heeft de discussie over normen en waarden van het zich zo christelijk noemende CDA iets opgeleverd voor bijstandsmoeders, hun kinderen, voor de armen in onze samenleving? Zijn er schulden kwijtgescholden, onrechtvaardige tolmuren gesloopt? Hebben producten uit arme landen betere kansen gekregen op onze binnendlandse markten, is de concurentie met boeren in arme landen gestopt? Is onze samenleving rechtvaardiger geworden als het gaat om de armen in de wereld? Letten onze militairen inmiddels als eerste op de slachtoffers die er in de oorlog vallen en staan zij naast die slachtoffers, vriend of vijand? Misschien zouden we wat meer Farizeën en Wetgeleerden moeten worden en dan ook doen wat ze zouden zeggen en wat er in het verhaal van Israel staat. Niet de nette pakken en de mooie jurken, niet de fraaie hoeden en de uniformen bepalen of normen en waarden gehaald moeten worden. Ook niet de mooie woorden die machtigen en rijken kunnen spreken, maar de Liefde voor de minsten in onze samenleving bepaalt de juiste normen en waarden. Netjes doen, je fatsoen houden, is niet verkeerd, maar zonder rechtvaardigheid voor de armen betekent het niets, is het zelfs antichristelijk.

Het oog is de lamp van het lichaam

vrijdag, 27 juli, 2007

Lucas 11:29-36

Wie oren heeft om te horen, die hore. We kennen de uitspraak wel. Maar luisteren we er ook naar. In dit gedeelte besluit Jezus van Nazareth met het beeld van het oog. Het oog is de lamp van het lichaam klinkt het hier. Wij beschouwen onze ogen vaak als ramen naar de buitenwereld. Daarmee moeten we immers alles waarnemen en beschouwen. Maar het oog dat kijkt in de Geest van Jezus van Nazareth ziet ook naar binnen. Schijnt het licht van het goede wel in ons, en door ons. Zijn we helder genoeg van Geest om de naaste waar te nemen. Zijn we niet verduisterd door angst, durven we ons te verplaatsen in de positie van de slachtoffers. Hebben we echt wel genoeg aan het brood dat we vandaag nodig hebben of zijn onze ogen verblind door glitter en schitter van mooi en kostbaar. Zien we de ander wel als gelijke of trekken we de wenkbrauwen op uit arrogantie en hoogmoed. Kijken we omhoog ons verplaatsend in de positie van de minste, of kijken we omlaag om te zien over wie we nog macht kunnen uitoefenen. In dit Bijbelgedeelte wordt Jona genoemd. Wij kennen Jona van de grote vis die hem verzwolg toen hij vluchtte voor de opdracht van God. Maar het verhaal van Jona gaat over een God die steeds opnieuw met mensen wil beginnen. Jona werd opnieuw op pad gestuurd en de inwoners van de stad die hij de ondergang moest aanzeggen besloten voortaan op een nieuwe manier met elkaar om te gaan waardoor de stad niet ten onder ging. Als we het nog niet snappen moeten we het zelf maar weten zegt Jezus van Nazareth. Elk moment kunnen we opnieuw beginnen. Voor ons is het niet ver reizen, zoals voor die Koningin die uit donker Afrika naar Salomo kwam om van hem de wet te leren dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Voor ons is die wet vlak bij, voor het grijpen. Er zijn geen ingewikkelde rituelen voor nodig om er mee te beginnen. Een helder oog. een open oor, een uitgestoken hand zijn genoeg. We hebben Fair Trade en wereldwinkels om boodschappen te doen, wie nog een vakantie moet plannen kan vrijwilligersorganisaties vinden die handen zoeken om enkele weken of een enkele week te helpen. Kinderen zwerven over straat en zoeken opvang in timmerdorpen of speeltuinen vol vrijwilligers. Overal zijn mensen nodig die het goede willen doen en niet dan het goede. Zorg dus dat het licht gaat schijnen in je omgeving. Het duister van de wereld gaat dan tenminste een beetje weg, maar als we met genoeg zijn verdwijnt het duister voorgoed.

Wie niet met mij is, is tegen mij

donderdag, 26 juli, 2007

Lucas 11:14-28

We hebben het al vaker gezegd, van het goede kan alleen het goede komen, van het kwade komt het kwade. Wij geloven in het goede, in de God van Liefde en in Jezus van Nazareth die dat goede heeft volgehouden zelfs door de dood heen. In de duivel, of het kwade, of de Beëlzebub, zoals de bijgelovigen de heerser van de duivels en demonen noemden, geloven we dus niet. In sommige discussies lijkt het er op dat je niet in de God van Liefde en in Jezus van Nazareth kunt geloven als je niet in de duivel of diens trawanten gelooft. Maar zo is het natuurlijk niet. Er is één God, de God die in mensen gelooft en met de minsten onder ons meetrekt. Daar komt het goede vandaan en aan ons het goede te doen en niet dan het goede. Wie dus niet de weg wil volgen die Jezus van Nazareth heeft gewezen gaat dus de weg van het kwade, houdt het kwade in deze wereld in leven, houdt het kwade in stand. Zelf zegt Jezus van Nazareth in dit verhaal uit het Evangelie van Lucas dat wie niet samenbrengt uiteen drijft. Die uiteendrijvers kennen we in onze dagen maar al te goed. Vreemdelingen zijn onder ons gaan wonen die een sterk geloof hebben in wat zij zien als de God van Abraham. De God die aan Abraham beloofde dat die de vader van vele volken zou worden. Volgens het verhaal van Israel werd ook de andere zoon van Abraham, Ismael uitdrukkelijk in deze belofte betrokken. En de Moslims geloven dat, via de afstamming van Ismael, ook zij hebben kennis gemaakt met de God van Abraham. In ons parlement wordt dat geloof afgedaan als een achterlijk geloof. Elke poging van weldenkende en christelijke mensen een brug te slaan tussen onze traditie en het nieuwe geloof dat onder ons is gekomen wordt aangevallen en weggehoond. Wie wil weten wat uiteendrijven betekent, kan betekenen, hoeft niet meer de geschiedenisboeken over de jaren 30 en 40 in de vorige eeuw op te slaan en te lezen wat er, te beginnen in Duitsland, uiteindelijk in Europa gebeurde, maar die kan in de Handelingen van de Tweede Kamer tegenwoordig heel goed nalezen wat uiteendrijven betekent. Het is maar te hopen dat de gevolgen die het in de vorige eeuw heeft gehad in deze eeuw niet vergeten zullen worden. Het is in elk geval duidelijk dat die manier van uiteendrijven niet past in de Joods-Christelijke-Humanistische traditie waar onze samenleving op gebouwd zou zijn. Het is er fundamenteel mee in strijd. Daarom aan ons elke dag weer de vraag welke kant wij kiezen, de goede of de kwade kant.

Het brood dat wij nodig hebben

woensdag, 25 juli, 2007

Lucas 11:1-13

Vandaag vragen wij ons af hoe je moet bidden. Jezus van Nazareth gaf daarin volgens het Evangelie van Lucas les op verzoek van zijn leerlingen. Het gedeelte dat we uit de Bijbel lezen vandaag eindigt niet met het beroemde Onze Vader in de versie van het Evangelie van Lucas. Het leert ons ook wat bidden eigenlijk is. Bidden is vragen, maar dan vragen naar wat je echt nodig hebt. Voor eten hebben we eigenlijk niet meer nodig dan brood. En om een beetje vrede te hebben weten we eigenlijk best dat we mensen om ons heen de fouten moeten vergeven waarvan we willen dat zij ze ons ook zouden vergeven. Natuurlijk mag je dat noemen. Maar je mag ook aan die mensen om je heen die vergeving vragen. Want meestal weten mensen hun eigen fouten het eerst, en de eerste zijn die om vergeving vraagt maakt dat mensen mild gestemd worden en ontvankelijker worden voor het noemen van hun eigen fouten, zeker als die vergeven worden. Vergeving is dan ook niet zoiets als “zand erover”, maar veel meer “we beginnen opnieuw maar dan op andere manier”. Van vergeving groei je zeiden ze vroeger wel eens, maar Paulus waarschuwde in een van zijn brieven dat je er niet maar op los moet leven zodat je veel meer vergeving krijgt voor alles wat je verkeerd doet. Het goede brengt het goede voort leren we. Natuurlijk, een vader die zijn kinderen liefheeft geeft ze geen oneetbare dingen als maaltijd. Wie dit leest en een vader, moeder of verzorger heeft en wel geslagen en vernederd wordt en dat niet durft te zeggen moet echt de kindertelefoon bellen., of er met iemand over praten. Ook die vader, moeder of verzorger kan vergeven worden voor de fouten die ze maken maar dat opnieuw beginnen kan alleen als iemand er over durft te spreken. Als iedereen snapt dat je kinderen het goede moet geven hoeveel meer kan het goede zelf dan voortbrengen. Daarom moet je ook niet je mond houden bij het kindergehuil bij de buren, daarom moet je ook spreken over de blauwe plekken bij de buurvrouw of buurman, daarom moet je iets zeggen als de vrienden en vriendinnen van je eigen kinderen weer eens dronken zijn. Vergeven kan alleen beginnen als duidelijk is wat er vergeven moet worden, als we bereid zijn om het samen anders te gaan doen, het kwade te gaan weren en het goede toe te laten in ons leven. Dat is pas bidden en dan geldt zeker dat, als je bidt, je ook gegeven zal worden. Niet om rijkdom en aanzien valt er te bidden, niet om te zeggen hoe goed we wel niet zijn, maar om de Geest van God, want in die geest willen we werken en leven, niet voor onszelf maar voor onze naaste. Wij hebben aan brood genoeg.

Geef jij het paard zijn kracht?

dinsdag, 24 juli, 2007

Job 39:13-30

Ook vandaag zijn de gevolgen van de hernummering van teksten in de Nieuwe Bijbelvertaling te merken. Het gedeelte dat we vandaag lezen is in andere vertalingen genummerd als hoofdstuk 39:16-33. Dit laatste deel van hoofdstuk 39 gaat over de onzekerheden in de oorlog. In de tijd dat het boek Job werd geschreven was de snelheid van paarden en de beweeglijkheid van de ruiterij bepalend voor overwinning of nederlaag. Een charge te paard is immers bijna niet te stuiten. Ook al worden de ruiters van de paarden afgeschoten de paarden zelf blijven voortdraven tot de vijandelijke linies bereikt zijn. Niets houdt ze tegen. En aan het eind van de slag zijn het de gieren die de slachtoffers komen eten. Overwinnaars noch overwonnenen kunnen op een open slagveld daar iets aan veranderen. Het onmenselijke van de oorlog wordt hier zeer poëtisch onder woorden gebracht. Maar duidelijk wordt dat God de partijen in een oorlog te boven gaat. Geen van beide oorlogvoerende partijen kan zeggen dat ze God aan hun kant hebben. God staat aan de kant van de gevallenen zegt het laatste vers van dit hoofdstuk. Daar waar de jongen van de gieren het bloed slurpen is hij. Een gruwelijk beeld, maar het maakt ons steeds weer bewust waar het in een oorlog om moet gaan, om de slachtoffers namelijk. De president van Afghanistan vraagt niet voor niets steeds opnieuw aandacht voor de burgerslachtoffers die de publieke opninie in de richting van de verliezende partij duwen. Als er een famillielid omgekomen is als bijkomende schade in een oorlog, die dat famillielid niet gezocht of gevoerd heeft, dan is de bereidheid om wraak te nemen op oorlogvoerenden die vlak bij je zijn groter, iedereen kan dat meevoelen. De discussie in Nederland gaat over langer er blijven en over de mogelijkheden van wederopbouw. De discussie gaat niet over uiterste maatregelen om slachtoffers van die oorlog te voorkomen. Krijgsgevangenen maken is kennelijk niet het doel, slachtoffers maken wel. Natuurlijk slachtoffers bij de vijand, maar daar worden ook burgers het slachtoffer van. En ook die vijanden zijn onze broeders en zusters. Ook die vijanden horen we lief te hebben. We hadden toch geleerd dat alleen de Liefde die vijanden kon veranderen in vrienden? Dit poëtische gedicht uit het boek Job roept ons dus vandaag op de discussie op te starten over de manier waarop in onze naam oorlog wordt gevoerd, God staat naast de slachtoffers van die oorlog.

Dat een voet het kan breken

maandag, 23 juli, 2007

Job 39:1-12

Ook vandaag moeten we even waarschuwen voor de nieuwe tekstnummering die in deze hoofdstukken van het boek Job heeft plaatsgevonden in de Nieuwe Bijbelvertaling. In andere vertalingen is het Job 39:4-15. Maar de hier gehanteerde bijbelvertaling is nu eenmaal de nieuwste van het Nederlands Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting, de Nieuwe Bijbel Vertaling. En vandaag lezen we over wilde dieren en tamme dieren die wilde dieren zijn geworden. De natuur is ontzagwekkend maar de God van Israel gaat de natuur te boven. Wij mensen kunnen veel van de natuur te weten komen. We kunnen de natuur naar onze hand zetten. Dat zou ons al moeten waarschuwen voor het feit dat in de natuur geen goddelijke krachten te vinden zijn. Maar in dit hoofdstuk uit het boek Job wordt er nog een hoofdstuk aan toegevoegd. We kunnen denken dat we dieren kunnen temmen maar als die dieren weer verwilderen dan zijn het ook weer echte wilde dieren. Verwilderde ezels luisteren echt niet naar ezeldrijvers. En dieren die lijken op dieren waar je wat aan zou kunnen hebben zijn het nog niet als zij niet hetzelfde doen. Ooievaars maken hun nest op hoge plekken. Als er dan onraad is vliegen ze op en daarmee zijn het waarschuwers voor dorpsbewoners. Omdat ooievaars opvliegen als ze kindergehuil horen waren ze ooit het teken dat de geboorte van een nieuw kind voorspoedig was verlopen. Struisvogels leggen hun eieren op de grond. Zij kijken dus niet verder dan de dorpeling en hun eieren worden gemakkelijk onder de voet gelopen. Dat de mens gebruik kan maken van de natuur, dieren kan temmen en zo, maar dat geen mens de verwildering in de hand heeft maakt veel mensen tegenwoordig huiverig voor genetische manipulatie. Door veranderingen aan genen in een laboratorium worden nieuwe bacterieën, nieuwe dieren en planten gemaakt. Van die nieuwe schepselen weten we niet wat die gaan doen als ze verwilderd raken. Ze loslaten in de vrije natuur, ze los laten lopen of telen op open akkers is een risico dat we niet kunnen overzien. Ook het eten ervan kan op de lange duur gevaarlijk zijn. Er is geen ervaring mee. De Bijbel waarschuwt ons voor de struisvogel die ooievaar wil zijn. Het kan er op lijken maar het is het nog niet. Datzelfde kan gelden voor genetisch gemanipuleerd leven. Job en de schrijver van het boek Job kende die wetenschap nog niet. De waarschuwing niet als God tegenover de natuur te willen staan is er niet minder om. Laten we dus bescheiden blijven en voorzichtig zijn. Eén onbezonnen voet kan ons leven breken.

Heeft de regen een vader?

zondag, 22 juli, 2007

Job 38:28-41

Wie een andere vertaling leest dan de Nieuwe Bijbelvertaling kan met dit gedeelte in verwarring raken. In sommige vertalingen zijn de verzen 39, 40 en 41 genummerd als hoofdstuk 39 de verzen 1,2 en 3. Vertalingen zijn namelijk altijd keuzes van mensen. Geen vertaling is voor eeuwig. De taal waarin vertaald wordt is de taal van de vertaler en die taal veranderd. Wij spreken de taal van de zeventiende eeuw niet meer, we lezen die zelfs niet. En de meeste mensen lezen ook niet het Hebreeuws of het Grieks waarin de Bijbel oorspronkelijk is geschreven. De oorspronkelijke handschriften zijn er zelfs niet meer. Geleerden doen er al eeuwen over om een zo betrouwbaar mogelijke tekst te reconstrueren. Gelukkig zijn het onafhankelijke geleerden die er openlijk en controleerbaar over discusiëren. Particuliere geloofsopvattingen blijven daardoor zo veel mogelijk buiten de weergave waarin de Bijbel tot ons komt. En dat is maar goed ook. Zo zullen in een aantal kerkgenootschappen veel predikanten nauwelijks over het bijbelgedeelte van vandaag durven preken. Dat gaat namelijk over sex. Al die natuurverschijnselen die hier worden genoemd, net als de hemelverschijnselen trouwens, werden door de volkeren rond Israel, soms ook door de inwoners van Israel, toegeschreven aan sexuele activiteiten van Goden en Godinnen. Die moest je gunstig stemmen en prikkelen om ze optijd hun voortplantingsdaden te laten verrichten. Soms moest je het hen voordoen in hun tempels, mannen met mannen en vrouwen met vrouwen. Het is daarom te snappen waarom een dergelijk religieus vertoon van sexualiteit in de Bijbel een gruwel wordt genoemd. God staat boven al die natuur en hemelverschijnselen en heeft mensen lief. Zijn gebod is dat die mensen elkaar lief hebben. Of dat nu vrouwen met mannen zijn, mannen met mannen, vrouwen met vrouwen, dat maakt niet uit. Als het maar niet om religieuze redenen is. Alleen de liefde, die zichzelf niet zoekt maar de ander eert en verheft, telt voor deze God. Ook de krachten van de dieren hoeven we niet te bewonderen en te aanbidden. Wie zo sterk als een leeuw is, of listig als de raaf heeft niets voor op mensen die zwak of niet zo slim zijn. Nog steeds worden natuurverschijnselen, dierlijke eigenschappen, uiterlijke schoonheid, de gang van de sterren, door mensen aanbeden. Alsof de waarheid en het leven er van afhankelijk zijn. De enige waarheid die wij kennen is die van God, wordt de armen bevrijding aangezegd, de hongerigen gevoed en de dorstigen de dorst gelest. Daar mogen wij steeds opnieuw aan werken.