Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor de 'Column' categorie

De HEER riep Mozes

maandag, 18 maart, 2019

Leviticus 1:1-9

1 De HEER riep Mozes en zei vanuit de ontmoetingstent tegen hem: 2 ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Als iemand van jullie de HEER een offer uit de veestapel wil aanbieden, moet dat een rund, een schaap of een geit zijn. 3 Wie een brandoffer wil aanbieden en daarvoor een rund neemt, moet een mannelijk dier nemen zonder enig gebrek. Hij moet het naar de ingang van de ontmoetingstent brengen, waar de HEER het zal aanvaarden. 4 Hij moet zijn hand op de kop van het offerdier leggen, dan zal zijn offer worden aanvaard als verzoening. 5 Hij moet de stier slachten ten overstaan van de HEER, en de priesters, de zonen van Aäron, moeten het bloed naar het altaar brengen dat bij de ingang van de ontmoetingstent staat en het tegen de zijkanten ervan gieten. 6 Het offerdier moet worden gevild en in stukken gesneden, 7 en de zonen van Aäron, de priester, moeten een vuur op het altaar aansteken en er hout op leggen. 8 De priesters moeten de stukken vlees van het offerdier met de kop en het vet op het houtvuur op het altaar leggen. 9 De ingewanden en de poten van het offerdier moeten met water gewassen worden, en de priester moet alles op het altaar verbranden. Zo is het geschikt als brandoffer, als geurige gave die de HEER behaagt.(NBV)

Vandaag beginnen we in het boek Leviticus te lezen. Eigenlijk heet dit boek Hij Roept, zo heet dat ook in het Hebreeuws, zo staat het in de Hebreeuwse Bijbel. Maar toen dat boek voor het eerst in het Grieks werd vertaald wilde men ook graag uitleggen waar dat boek over gaat. Nu gaat dat boek niet over de Levieten die in de Tent van Ontmoeting de Priesters, de zonen van Aäron, hielpen maar over de taak van die Priesters als dienaren van God en het volk Israël. Het boek gaat over de rol die Priesters spelen in de verhouding God en mens. De Nieuwe Bijbelvertaling laat een aantal begrippen buiten beschouwing en dat is jammer. Dat “iemand van jullie” heet in het Hebreeuws “Adam” de mens. En die mens wil de God van Israël ontmoeten. In het boek Exodus hebben we kunnen lezen dat daarvoor de Tent van de Ontmoeting was gegeven waar God zelf zich had getoond aan het volk.

Maar de mens kan niet zo maar zijn God ontmoeten. Dat was nog wel zo in het Paradijs toen Adam en Eva met God wandelden en dat was misschien ook wel zo geweest met Henoch. Maar Adam, de mens, had gelijk willen worden met God door het eten van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad. Dat door God gegeven Paradijs was gesloten en de mens had de opdracht gekregen zelf de aarde om te vormen tot een tuin van leven, een land dat zou kunnen overvloeien van melk en honing. Dat was te moeilijk. De mens wordt in zijn arbeid en zwoegen tot in haar voortplanting toe er voortdurend aan herinnerd dat de mens God niet is en eigenlijk de richtlijnen van God nodig heeft om een beetje leven te krijgen. Wij hebben ook vandaag de dag de neiging om de aarde weer terug te brengen tot een plaats van wanorde en woestenij.

Voor dat de mens zijn God kan ontmoeten dient er eerst verzoening plaats te vinden. God is God en de mens blijft mens. De God van Israël hoeft niet gevoed te worden door de mens. In tegenstelling tot de goden van de Heidenen is de mens niet een dienaar van God zodat God kan blijven bestaan. De mens heeft alles gekregen van God en mag alles delen. Om dat te laten weten aan God worden er offers gebracht. Nauwkeurig staat hier beschreven hoe en waarom het offer wordt gebracht. Alles wordt verbrand en de geur van verbrand vlees stijgt op naar God. Daar is het teken dat Adam zich wil verzoenen met God door weer mens te worden en God God te laten. Alles is gekregen van God om te delen en om te laten weten dat de mens niet gehecht is aan bezit maar bezit wil gebruiken om God te eren wordt er geofferd. De priesters zorgen er voor dat het zo gebeurd dat God en mens het er uit kunnen horen. God roept en wij antwoorden.

Wat prijs je het kwade aan!

zondag, 17 maart, 2019

Psalm 52

1 Voor de koorleider. Een kunstig lied van David, 2 toen de Edomiet Doëg naar Saul was gegaan en hem had meegedeeld: ‘David bevindt zich in het huis van Achimelech.’ 3 Wat prijs je het kwade aan, jij held, en smaal je voortdurend op God! 4 Je zint op ongeluk, je tong is het scherpe mes van een bedrieger. 5 Je hebt het kwade lief, meer dan het goede, de leugen meer dan de waarheid. sela 6 Je houdt van woorden die pijn doen, van een tong die bedriegt. 7 God zelf zal je breken, voorgoed, hij zal je grijpen en meesleuren uit je tent, je wegrukken uit het land van de levenden. sela 8 De rechtvaardigen zullen het zien, vol ontzag, en zij lachen hem uit: 9 ‘Kijk die held, die zijn toevlucht niet zocht bij God, maar vertrouwde op zijn rijkdom-zijn toevlucht werd zijn ongeluk.’ 10 Maar ik ben als een groene olijfboom in het huis van God, ik vertrouw op de liefde van God voor eeuwig en altijd. 11 Ik zal u eeuwig loven om wat u hebt gedaan, ik blijf hopen op uw naam, die goed is, in de kring van wie u lief zijn.

Vandaag een lied over een belangrijke gebeurtenis in de verhalen over het leven van koning David. Op de vlucht voor Koning Saul, die jaloers was geworden op David door de militaire successen van David, ging David naar de tent van de samenkomst, de Tabernakel, de voorloper van de Tempel. Daar was de priester Abimelech de baas. In de Tent van de Samenkomst stond een tafel met brood. Aan de God van Israël werd zo getoond dat het volk bereid was haar brood te delen, eigenlijk met de armsten, met de weduwe en de wees. Maar David en zijn mannen hadden op dat moment nog maar één ding, dat was honger. David vroeg daarom om het brood van de tafel met toonbroden. Na enige aandringen geeft Abimelech die. Dat wordt gezien door de Edomiet Doëg die het prompt aan Saul ging vertellen. Het kostte de priesters van de Tent van de Samenkomst het leven.

In de Bijbel staat heel vaak het individu voor het algemene. Zo is het ook Doëg vergaan. In de verhalen die de ronde doen over David en Saul, over goed en kwaad, is Doëg de Edomiet het symbool geworden voor verraders en leugenaars, moordenaars ook die ondanks dat ze zich bewust zijn van hun kwaad doorgaan met moorden. Wat dat was volgens de Bijbel het handelen van Doëg. Hij kreeg de opdracht de helpers van David bij de Tent van de Samenkomst te doden maar de soldaten die hij daarvoor meekreeg weigerden dat te doen. Toen deed hij het zelf maar, hij roeide ze allemaal uit en de bewoners van de stad Nob, waar de Tent stond, er bij. Alleen de Priester Abjatar ontkwam aan de moordpartij en sloot zich bij David aan.

Doëg betekent “bezorgd” en Edom was het volk dat afstamde van Esau, de broer van Jacob die Israël zou worden. Het was dus een broedervolk en Doëg zou zijn broeders van Israël dus moeten hoeden in plaats van uitmoorden, hij valt samen met Kaïn die zijn broer doodsloeg. Volgens de buiten Bijbelse verhalen namen twee Engelen hem zijn verstand af toen hij 34 was geworden , werd zijn ziel verbrand en de as verstrooid. Hij was dus een verrader, een koelbloedig moordenaar en door de Psalmist beantwoord met een ronduit cynisme, een “held” die zijn toevlucht niet bij God had gezocht. Gelovigen worden nog al eens gemaand om netjes te blijven tegen spotters, het lezen van deze Psalm helpt daartegen, je mag gerust terug spotten, de afgodendienaars van het vergoddelijkte menselijk verstand bespotten zoals die de vereerders van het hogere bespotten. Soms is dat nodig om het goede te kunnen blijven doen, want elke dag gaat het toch eigenlijk om het goede te doen en niet dan het goede, ook vandaag weer.

Als wij met hem gestorven zijn

zaterdag, 16 maart, 2019

2 Timoteüs 2:1-13

1 Mijn kind, wees sterk door de genade van Christus Jezus. 2 Geef wat je in aanwezigheid van velen van mij hebt gehoord, door aan betrouwbare mensen die geschikt zijn om anderen te onderwijzen. 3 Deel in het lijden als een goed soldaat van Christus Jezus. 4 Iemand die in krijgsdienst is, laat zich niet afleiden door het leven daarbuiten, want zijn bevelhebber moet tevreden over hem zijn. 5 Een atleet wordt niet gelauwerd als hij zich niet aan de regels houdt. 6 De boer die het zware werk doet, heeft als eerste recht op de oogst. 7 Denk na over wat ik je heb gezegd; de Heer zal ervoor zorgen dat je dit alles ook begrijpt.
8 ¶ Houd Jezus Christus in gedachten, uit het nageslacht van David, die uit de dood is opgewekt. Dit heb ik verkondigd,
9 daarom heb ik veel te verduren en ben ik zelfs als een misdadiger gevangengezet. Maar het woord van God laat zich niet gevangenzetten; 10 daarom verdraag ik alles omwille van de uitverkorenen, opdat ook zij in Christus Jezus gered worden en eeuwige luister ontvangen. 11 Deze boodschap is betrouwbaar: Als wij met hem gestorven zijn, zullen we ook met hem leven;
12 als wij volharden, zullen we ook met hem heersen; als wij hem verloochenen, zal hij ons ook verloochenen; 13 als wij hem ontrouw zijn, blijft hij ons trouw, want zichzelf verloochenen kan hij niet. (NBV)

Moeten we zelfmoord plegen om met Jezus van Nazareth te kunnen leven? Een idiote vraag natuurlijk. Alleen in sommige zeer gesloten sectes wordt de Bijbel soms op deze vreemde manier gelezen. Met alle verschrikkelijke gevolgen van dien. Waar het wel om gaat is dat we onze gebruikelijke manier van leven opgeven. Niet langer is onze carrière belangrijk, niet langer telt de hoogte van ons inkomen of de omvang van onze pensioenvoorziening. Niet het Zwitser leven gevoel is onze maatstaf maar het leven van Jezus van Nazareth. Volgens Paulus moeten we ons dat voorstellen inclusief de kruisdood van Jezus van Nazareth. Pas als we die onderdeel maken van ons leven zullen we leven met Jezus van Nazareth. Paulus wijst er op dat het hem een aantal keren gevangenschap heeft opgeleverd. De boodschap dat de Romeinen er niet in geslaagd waren Jezus van Nazareth dood te maken maar dat hij na drie dagen voort bleek te leven en inmiddels bij zijn God is maakte hen steeds zeer kwaad. Die boodschap taste de kern van de samenleving aan. De Keizer van Rome was immers de God die over de wereld heerste, niet de God van de Joden, die heerste alleen over de rare volkje in Palestina.

Maar juist vanwege die boodschap van Paulus zijn onze ogen gericht op de minsten op de aarde, op de slaven, de zwakken, de zieken en gehandicapten, de gevangenen. En het is niet eenvoudig dat vol te houden in een wereld die op tegengestelde doelen is gericht. Het is in de eerste plaats niet de bedoeling de boodschap zelf door te geven aan mensen die niet geschikt zijn om anderen de boodschap te onderwijzen. Mensen moeten je de ruimte geven om je verhaal te vertellen en bereid zijn er naar te luisteren. Zomaar in het openbaar over dit rare verhaal te gaan vertellen heeft geen zin. Bij het volhouden van het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf kun je volgens Paulus beter denken aan de regels die bij besloten gemeenschappen gelden. Hij wijst op de regels in het leger waar de gehoorzaamheid de ziel van de krijgsdienst is, op de atlethiek waar, net als bij alle sporten, de spelregels alles bepalend zijn en op de landbouw waar de boer die verbouwd heeft in elk geval zelf mag meeëten van de oogst en zijn eigen oogst mag gebruiken voor de verbouw op de akker in het volgend jaar.

Als je de regels toepast die bij het Christelijk geloof horen dan hou je het vol. De eerste regel is kennelijk die navolging van Jezus van Nazareth als Heer van de wereld. Die koninklijke gestalte, komend uit het nageslacht van Koning David, leeft als Heer van de wereld. Dat was de boodschap van Paulus en dat maakte de Romeinen zo kwaad. Die boodschap betekent voor ons dat er geen andere Heren van de wereld zijn. Alleen zij die zorgen voor de armen, voor de zwaksten, die hongerigen te eten geven, die vrede stichten, die zorgen voor gezondheidszorg voor allen en die de weduwe en de wees beschermen zijn onze bondgenoten. Zij die oproepen tot meer wapens, die weigeren de rijken mee te laten delen ten gunste van de armen, de de individuele carrière stellen boven het delen met elkaar, die groepen mensen uitsluiten uit de samenleving, horen bij de anderen die nog bekeerd moeten worden tot de Weg van Jezus van Nazareth. Want alleen die Weg voert tot een ideale samenleving, een samenleving waarin de Liefde heerst en alle tranen gedroogd zullen zijn. Laten we daar vandaag dan maar weer aan werken.

Daarom bleven de regens uit

vrijdag, 15 maart, 2019

Jeremia 3:1-11

1 De HEER sprak: ‘Als een man van zijn vrouw scheidt en zij bij hem weggaat en de vrouw van een ander wordt, kan hij haar dan terugnemen? Wordt er dan geen smet op het land geworpen? Maar jij hebt met talloze minnaars overspel gepleegd, en je wilt toch weer bij me terugkomen? spreekt de HEER. 2 Kijk naar de kale heuvels, waar ben je níet beslapen? Je wachtte je minnaars op langs de weg, zoals een rover wacht in de woestijn. Je hebt dit land besmeurd met je overspel, je schandelijk gedrag. 3 Daarom bleven de regens uit, is de lenteregen niet gekomen. Toch hield je de brutale blik van een hoer, je toonde geen enkele schaamte. 4 Maar nú roep je mij aan. Je zegt “vader” tegen mij, en zegt: “U bent de geliefde van mijn jeugd, 5 uw woede gaat voorbij, niet eeuwig duurt uw toorn.” Zo spreek je, maar onverdroten ga je voort, je blijft je schanddaden begaan.’ 6 Tijdens de regering van koning Josia zei de HEER tegen mij: ‘Heb je gezien hoe ontrouw Israël mij geworden is? Ze pleegde overspel op elke hoge berg en onder elke bladerrijke boom. 7 Ik dacht: Als ze van dat alles genoeg heeft, komt ze wel bij me terug. Maar ze kwam niet terug. Haar afvallige zuster Juda zag 8 dat ik ontrouw Israël verstoten had en haar een scheidingsbrief gegeven had, juist omdat ze overspel had gepleegd. Maar toch liet afvallig Juda zich daardoor niet afschrikken, ze pleegde zelf ook overspel. 9 En door haar lichtzinnig overspel met goden van steen en hout wierp ze een smet op dit land. 10 Daarna kwam Israëls afvallige zuster Juda wel bij me terug, maar ze was niet oprecht, ze kwam met loze woorden-spreekt de HEER.’ 11 De HEER vervolgde: ‘Ontrouw Israël is nog rechtvaardig in vergelijking met afvallig Juda. (NBV)

Het gaat hier niet om een willekeurige straf voor de zonden die het volk begaan zou hebben. Nee het gaat hier om de tegenstelling tussen de God van Israël en de vruchtbaarheidsgoden die door dat volk werden nagelopen. Die afgoden werden vereerd met de meest absurde riten. Seksuele uitspattingen, tempelprostitutie, maar ook zelfverminking tot bloedens toe. Dat alles om vruchtbaarheid af te smeken. En voor vruchtbaarheid was lenteregen nodig. Hoe meer men die vreemde goden bad om lenteregen, hoe intensiever de riten werden beoefend voor die vreemde goden hoe minder lenteregen er kwam. En zo af en toe werd ook de God van Israël aangeroepen, met die was het volk immers begonnen en je kon nooit weten, maar de profeet wijst er fijntjes op dat de godsdienst van de vreemde goden nooit helemaal werd uitgeroeid in het volk. Zelfs in Juda, waar toch de Tempel van de God van Israël stond in hun hoofdstad Jeruzalem, werden vreemde goden meer vereerd dan de God van Israël.

Daar werd dan wel weer de eredienst van de God van Israël opnieuw ingevoerd maar ook in Juda bleef de afgodendienst bestaan. In het Noordelijk koninkrijk Israël werden de twee godsdiensten tenminste nog als gelijkwaardig naast elkaar gezet. In Juda bleef het oude bestaan en werd de godsdienst van de God van Israël als nieuwe mode ingevoerd. De twee koninkrijken worden hier afgeschilderd als twee zusters, Afvallig Juda en Ontrouw Israël, in de vertaling gaat dat beeld gedeeltelijk verloren. Ook in onze dagen merken we dat soms de godsdienst van het Christendom als een nieuw ontdekte mode wordt gepresenteerd. Vroeger waren we immers allemaal Christelijk en zou het ook nu niet ons van een groot aantal problemen verlossen als we weer een beetje meer Christelijk zouden worden heet het dan. Niet dat we het najagen van carrières en rijkdom moeten opgeven. Het superidool geloof zit immers vast gebakken in onze cultuur. Maar meditatie, gymnastiek met een goddelijk tintje en vooral het fatsoen en het zich afzetten tegen andere godsdiensten dan het christendom maken dat we weer netjes en te waarderen worden.

De werkelijke Christelijke principes, die van de God van Israël en van Jezus van Nazareth komen niet meer ter sprake. Natuurlijk leeft er bij een groot deel van het volk nog de notie dat je een ander moet helpen als die in nood zit. Bij een aardbeving wordt het chequeboek getrokken en ruimhartig ingevuld. Maar is er al een debat geweest over de oorzaak van de armoede in de zogenaamde arme landen? Zijn er al handelsbepalingen veranderd die de arme landen kunnen helpen om straks zoveel geld te verdienen dat ze op eigen benen kunnen staan? En het is niet één volk dat smeekt om gerechtigheid, om een rechtvaardige behandeling in plaats van hulp en aalmoezen. Onze economie bloeit weer op omdat er op nieuwe afzetmarkten in India en China weer te verdienen valt. Stel je nu eens voor dat ook de miljoenen hongerenden in Afrika zoveel zouden verdienen dat ze een afzetmarkt voor ons zouden vormen. Pas eerlijk delen kan ons echt rijk maken. Het klatergoud van de race om de best presterende te zijn kan daar nooit tegenop. Laten we ons dus ook vandaag richten op de Fair Trade en zorgen voor eerlijk delen in de wereld.

Een geest van kracht, liefde en bezonnenheid.

donderdag, 14 maart, 2019

2 Timoteüs 1:1-10

1 Van Paulus, apostel van Christus Jezus door de wil van God, gezonden om de belofte te verkondigen van het leven in eenheid met Christus Jezus. 2 Aan Timoteüs, mijn geliefd kind. Genade, barmhartigheid en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Heer! 3 Telkens als ik je in mijn gebeden noem, elke dag en elke nacht, dank ik God, die ik net als mijn voorouders met een zuiver geweten dien. 4 Als ik aan je tranen denk, verlang ik ernaar je terug te zien; dat zal me met vreugde vervullen. 5 Ik denk vaak aan het oprechte geloof dat je grootmoeder Loïs en je moeder Eunike hadden en dat-daarvan ben ik overtuigd-jij nu ook hebt. 6 Daarom spoor ik je aan het vuur brandend te houden van de gave die God je schonk toen ik je de handen oplegde. 7 God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid. 8 Schaam je er dus niet voor om van onze Heer te getuigen; schaam je ook niet voor mij, die omwille van hem gevangen zit, maar deel in het lijden voor het evangelie, met de kracht die God je geeft. 9 Hij heeft ons gered en ons geroepen tot een heilige taak, niet op grond van onze daden, maar omdat hij daartoe uit genade besloten had. Deze genade was ons al vóór alle tijden gegeven in Christus Jezus, 10 maar nu is ze bekend geworden doordat onze redder Christus Jezus is verschenen, die de dood heeft vernietigd en onvergankelijk leven heeft doen oplichten door het evangelie. (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in de tweede brief van Paulus aan Timoteüs. Paulus had Timotheüs ontmoet op de tweede zendingsreis die in het boek Handelingen staat beschreven. Zijn moeder en grootmoeder hadden zich tot het Christendom laten bekeren en Timotheüs had hen gevolgd. Zijn moeder was Joods maar zijn vader was Grieks. Later zou er nog een kwestie ontstaan rond de vraag of Timotheüs eigenlijk wel besneden was zoals de zoon van een Joodse moeder betaamde. Timotheüs sloot zich aan bij het gezelschap van Paulus en heeft heel lang met hem rondgereisd. Tussendoor functioneerde hij ook als gezant voor Paulus, ging naar gemeenten om problemen op te lossen of het Evangelie te verduidelijken. In het begin van deze brief schrijft Paulus dat hij gevangen is in Rome. Ook in het boek Handelingen wordt verteld over de gevangenschap van Paulus in Rome. Je moet overigens voorzichtig zijn met het vergelijken van de gegevens uit de brieven van Paulus met de gegevens uit het boek Handelingen. De schrijver van het boek Handelingen heeft lang niet alles verteld.

Uit een latere brief van de eerste bisschop van Rome, Clemens, zou bijvoorbeeld ook blijken dat Paulus wel zeven keer geboeid gevangen heeft gezeten in Rome en uiteindelijk een reis heeft gemaakt naar Spanje waar hij ook gestorven zou zijn. In dit eerste deel van deze brief aan Timoteüs gaat het over de roeping die Paulus en Timoteüs hebben gekregen om het Evangelie te verkondigen. De brieven aan Timoteüs worden samen met de brief aan Titus ook wel de herderlijke, pastorale, brieven genoemd. Ze laten zien hoe Paulus met zijn volgelingen omging. In dit gedeelte gaat het bijvoorbeeld ook over de moeder en grootmoeder van Timoteüs. Maar die worden genoemd in het verband met de tranen van Timoteüs. Die Timoteüs was nog een jonge knaap en het laat zich raden dat die reizen op last van Paulus niet altijd even eenvoudig waren. De aansporing om het vuur brandende te houden dat was ontstoken toen hij door Paulus de handen opgelegd kreeg, een manier om iemand te zegenen of te dopen met de Heilige Geest, staat er niet voor niets. En in een dergelijke aanmoediging herkennen wij soms ook onszelf. Want wordt je er niet moe van dat al dat roepen om gerechtigheid soms op niks uitloopt?

Natuurlijk, de vreedzame demonstraties in de DDR liepen op een goed moment uit op de val van de muur en de eenwording van Duitsland. Maar is er gerechtigheid geschied aan de burgers van de DDR? Hun economische positie was lang veel slechter dan hun landgenoten in het Westen. De archieven van de Stasi zijn nog steeds niet helemaal geopend zodat ze nog altijd niet weten wie er wel en niet te vertrouwen is. Ook al keert een geschiedenis zich ten goede, de ideale samenleving waarover de Bijbel spreekt is nog steeds niet aangebroken. Daarom is de geest van kracht nodig, kracht om onvermoeibaar door te gaan. Want zo lang aan mensen geen recht is gedaan moet onze liefde voor onze broeders en zusters zo groot zijn dat we door willen gaan. En dan is bezonnenheid nodig, bezonnenheid om ons niet te vroeg neer te leggen bij successen of ons te laten verblinden door tegenvallers. Het verhaal over Jezus van Nazareth werd al verteld ver voor wij geboren waren. In dat verhaal werd ook verteld dat wij geroepen zouden worden om het door te vertellen en hem na te volgen in daden. Elke dag mogen we daarmee dus opnieuw beginnen, en het doorgeven aan na ons komende generaties. Net als Paulus en Timotheüs deden.

Vergeefs is het dat je vroeg opstaat

woensdag, 13 maart, 2019

Psalm 127

1 Een pelgrimslied van Salomo. Als de HEER het huis niet bouwt, vergeefs zwoegen de bouwers; als de HEER de stad niet bewaakt, vergeefs doet de wachter zijn ronde. 2 Vergeefs is het dat je vroeg opstaat, je laat te ruste legt, je aftobt voor wat brood-hij geeft het zijn lieveling in de slaap. 3 Kinderen zijn een geschenk van de HEER, de vrucht van de schoot is een beloning van God.4 Als pijlen in de hand van een schutter, zo zijn kinderen, verwekt in je jeugd. 5 Gelukkig de man wiens koker is gevuld met pijlen zoals zij. Hij staat niet te schande als hij zijn vijanden aanklaagt in de poort. (NBV)

Vandaag zingen we met de Kerk een lied van twee coupletten mee dat wordt toegeschreven aan Koning Salomo. Niet dat Salomo dit gedicht ook echt zelf geschreven hoeft te hebben maar de inhoud van de Psalm verwijst naar de wijsheid van Salomo zoals die is vastgelegd in de boeken Spreuken en Prediker. De Wijsheid die daar beschreven wordt is ook in een aantal Psalmen te vinden. Vooral het idee dat alles wat je toevalt van God afkomstig is, en dat je je dus niet hoeft bezig te houden met het najagen van winst en profijt want dat najagen is als het vangen van de wind, het is lucht en levert niet op vind je terug in deze Psalm. Dat is ook de reden dat de protestantse kerken zo bij het begin van de lente Gods zegen vragen over de oogst en de arbeid. Alle vrucht die wij ontvangen ontvangen we immers van God.

De Psalm wordt een Pelgrimslied genoemd. En in het Oude Testament gaan de Pelgrims op naar de Tempel, de Tempel van Salomo. Ze brengen daar de eerstelingen van de oogst, met Pesach de gersteoogst en met het Wekenfeest, ons Pinksteren, de tarweoogst. In het najaar dan nog de oogst van vruchten en noten. Die feesten zijn ook herdenkingen, met Pesach worde bevrijding van de slavernij herdacht, met het Wekenfeest de ontvangst van de richtlijnen voor de menselijke samenleving, de Tora en met het najaarsfeest, het Loofhuttenfeest, de tocht door de woestijn toen er geen huizen waren maar slechts tenten. Nu woont het volk in huizen en in steden. Maar die stenen beschermen je niet tegen onheil. Ook daar is de God van Israël voor nodig. De God die oproept om te delen van wat je uit zijn hand ontvangt. En het graan groeit echt ook als je slaapt, daar hoef je niks voor te doen.

Het tweede couplet gaat over kinderen. Kinderen zijn een zegen, maar ook kinderen zijn een geschenk van God. Die kinderen zul je dus bij moeten brengen waar het de God van Israël om gaat. Niet alleen je eigen kinderen of je kleinkinderen maar alle kinderen die je zo tegenkomt. Ook al heb je zelf geen kinderen God geeft je altijd kinderen in je buurt die je mag vertellen over wat hij van mensen verwacht, gerechtigheid, barmhartigheid, liefde en vrede. Doe eens lief is dan ook bijna een Bijbelse uitspraak. Als het echt Bijbels zou zijn dan is de oproep: doe altijd lief! Dat doe je overigens ook door te vertellen wat er verkeerd is, maar dan zo dat iemand die verkeerd handelt daar mee kan stoppen en een nieuwe weg kan inslaan. Als je dat verhaal weet over te brengen dan mag je ook om recht en gerechtigheid vragen. In de poort van de stad werd immers het recht gesproken door de oudsten van de stad. Soms moet je voor de armen pleiten, soms tegen onrecht ook kinderen aangedaan, soms ook voor de toegang tot het recht voor de armsten zoals vandaag zeer nodig is.

Dat doen wij niet.

dinsdag, 12 maart, 2019

Jeremia 6:16-30

16 Dit zegt de HEER: Ga op de kruispunten staan, denk na, kijk naar de oude wegen. Welke weg leidt naar het goede? Sla die in, en vind rust. Maar zij zeggen: “Dat doen wij niet.” 17 Ik stel wachters over jullie aan, let op het geluid van hun ramshoorn. Zij zeggen: “Dat doen wij niet.” 18 Daarom, volken, luister! Kom samen en besef wat daar gebeurt. 19 Aarde, luister, ik breng onheil over dat volk. Dat is de vrucht van hun bedenksels, omdat zij niet naar mijn woorden hebben geluisterd, mijn wet hebben verworpen. 20 Wat heb ik aan wierook, uit Seba gehaald, aan kalmoes uit een ver land? Jullie brandoffers aanvaard ik niet, jullie vredeoffers behagen mij niet. 21 Daarom-dit zegt de HEER: Ik leg voor dit volk een struikelblok neer, waarover het ten val komt. Zowel vaders als zonen komen om, zowel buren als vrienden. 22 Dit zegt de HEER: Er komt een volk uit het noorden, een grote overmacht. Ze komen van de einden der aarde, worden aangevuurd tot de strijd. 23 Ze houden boog en zwaard gereed, wreed zijn ze, meedogenloos. Hun krijgsrumoer klinkt als een bulderende zee, ze komen op paarden aangestormd. Hun leger staat in slagorde, als één man gereed voor de strijd. Het richt zich, vrouwe Sion, tegen jou!’ 24 ‘Wij horen van hun komst, onze handen beginnen te trillen. Angst en paniek overweldigen ons, zoals weeën een barende vrouw. 25 Waag je niet buiten de stad, ga niet op reis, want daar heerst het zwaard van de vijand, het zaait overal paniek!’26 ‘Hul je in het zwart, mijn volk, wentel je in het stof. Rouw als om een enig kind, klaag met bitter rouwbeklag. De verwoester overvalt je, onverhoeds. 27 Ik maak jou tot een keurmeester, je toetst de handelwijze van mijn volk. 28 Zij allen zijn rebels en opstandig, kwaadsprekers, waardeloos koper en ijzer, zij allen zijn door en door slecht. 29 Het vuur verschroeit zelfs de blaasbalg, maar het lood levert geen zilver. Vergeefs zuivert de smelter, het goede en het slechte worden niet gescheiden. 30 Verworpen zilver worden ze genoemd, want ze zijn verworpen door de HEER.’ (NBV)

Jeremia begint met een eigen ervaring. Als hij Jeruzalem verlaat en terugkeert naar Anatoth kan hij twee wegen kiezen, de korste weg maar die gaat over een aantal bergen, of de gemakkelijkste weg maar dan duurt de reis langer. Wat maar zeggen wil dat de oude paden niet altijd de beste zijn. Telkens opnieuw moet je kiezen welke weg je wil gaan, de Bijbel roept ons op de weg van het goede te kiezen en de richtlijnen volgen die uitgezet zijn door de God van Israël zijn altijd de beste. Eén van de bergen die op de kortste weg van Jeruzalem naar de thuisstad van Jeremia, Anatoth ligt is de “berg van de wachters”. De Wachters die op de berg uitzien naar een mogelijke vijand hebben de ramshoorn. De hoorn met de zeer doordringende toon die je zelfs in de stad hoort en nu nog klinkt in de synagoge op de grote verzoendag. Naar die ramshoorn moet je luisteren wil je gewaarschuwd zijn voor het onheil. Maar het kiezen van de goede weg, het geluid van de ramshoorn zijn oproepen die tevergeefs klinken, ze doen het niet.

Denk niet dat de waarschuwingen voor het volk van Israël uit een ver verleden zijn. Er zijn kerken en voorgangers, zelfs professoren die hun gemeenten voorhouden dat de waarschuwingen van de wetenschap voor de ondergang van onze huidige samenleving geen invloed behoren te hebben op hun gemeenteleven. Wij geloven immers op het heil dat ons na de dood zal toevallen. Nergens spreekt de Bijbel over heil na de dood, zeker hier niet. Jeremia roept heel de aarde op acht te slaan op de waarschuwingen tegen het onheil. Om door te laten dringen wat er met een volk gebeurt dat de waarschuwingen negeert. Dat geld dus ook voor ons. Ook al moeten de besluiten om een andere weg te kiezen dan waarop wij nu nog voortgaan gekozen worden door regering en parlement, de politiek, het bestuur van onze stad, dan nog hebben wij gelovigen de plicht de overheid voor te houden wat het goede is. Daarbij moeten we bedenken dat de wetenschap niet een van de vele meningen die mogelijk zijn vertegenwoordigd, maar dat de wetenschap ons door God is geschonken om te weten wat het goede is, zoals Jeremia wist welke weg de gemakkelijkste en welke weg de kortste was.

Je kunt natuurlijk naar anderen wijzen om het onheil te verklaren. Blijf in je eigen land, sluit je eigen grenzen, houd je vast aan vermeende tradities dan zal het onheil wel langs je heen gaan. In het Jeruzalem van Jeremia probeerden ze dat ook. Niet de stad uitgaan, niet op reis gaan, want buiten de stad heerst het onheil. Maar zo is het niet. De eersten die de andere weg moeten kiezen zijn wij zelf, wij moeten de weg gaan langs de richtlijnen die de God van Israël dat volk in de woestijn heeft gegeven. De aarde is immers aan de mens gegeven en die aarde was goed. Aan de mens er voor te zorgen dat die goed blijft. Aan de mens te zorgen voor de zwaksten, de minsten, die het eerst slachtoffer worden van een veranderend klimaat dat meer mislukte oogsten, honger en meer stormen en overstromingen met zich brengen. Liefde voor de naaste betekent niet alleen liefde voor God maar ook liefde voor dat wat God ons gegeven heeft, de hele aarde te bewerken tot een bloeiende tuin van overvloed. Wij mogen blind zijn als het volk van Jeruzalem maar gehoorzamen aan de wil van God betekent ook dat wij als blinden weer zullen zien wat ons te doen staat, het goede en niet dan het goede.

Laat je terechtwijzen

maandag, 11 maart, 2019

Jeremia 6:1-15

Vlucht, volk van Benjamin, vlucht uit Jeruzalem! Blaas de ramshoorn in Tekoa, geef vuursignalen boven Bet-Hakkerem. Onheil dreigt uit het noorden, alles stort ineen. 2 Die lieflijke en tere vrouw breng ik om, vrouwe Sion zelf. 3 Herders met hun kudden komen op haar af, rondom haar zetten zij hun tenten op, ieder weidt zijn deel af. 4 Ze roepen: “Bereid je voor op de strijd! Nog deze middag vallen we aan. Helaas, de dag loopt ten einde, de schaduwen lengen. 5 We vallen aan in de nacht, dan breken we de burchten af.” 6 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Hak de boomgaarden om, werp een wal op tegen de stad. Jeruzalem wordt overgeleverd, het is een stad vol onderdrukking. 7 Zoals water opwelt uit een bron, zo welt kwaad op uit Jeruzalem. “Ik ben mishandeld en beroofd, ” klinkt het in de stad. Onder mijn ogen wordt geslagen, gemarteld, er komt geen einde aan. 8 Laat je terechtwijzen, Jeruzalem, dan maak ik me niet van je los, maak ik je niet tot een woestenij, een onbewoonbaar land.’9 Dit zei de HEER van de hemelse machten: ‘Zoek goede druiven aan de wijnstok, zoek wat van Israël nog overbleef. Zoek als een wijnboer de ranken na.’ 10 Ik zei: ‘Tegen wie moet ik spreken, wie luistert naar mijn waarschuwing? Hun oren zitten dicht, niets merken ze op. De woorden van de HEER bespotten ze, ze hebben er een afkeer van. 11 Ik ben vol van de toorn van de HEER, ik kan mij niet meer bedwingen.’ ‘Stort mijn woede uit over de kinderen op straat, over alle jonge mannen. Mannen en vrouwen worden gevangengenomen, grijsaards en oude mensen. 12 Hun huizen vallen anderen toe, ook hun akkers en hun vrouwen. Ik treed op tegen de hele bevolking- spreekt de HEER. 13 Want iedereen, van groot tot klein, is op eigen voordeel uit; van profeet tot priester, ieder pleegt bedrog. 14 Ze verklaren de wond van mijn volk lichtvaardig voor genezen, ze zeggen: “Alles gaat naar wens.” Nee, niets gaat naar wens! 15 Schamen zij zich voor hun wandaden? Integendeel, zij weten niet wat schaamte is. Daarom komen ze ten val, als ik ze straf, storten ze allen dood neer- zegt de HEER.(NBV)

Profeten zijn geen toekomstvoorspellers, geen waarzeggers, maar waarheidszeggers. Ze kijken naar het heden en zien dan hoe het zal aflopen met een volk dat blijft doen wat het nu ook al doet. Zoals onze geleerden ons waarschuwen dat ons strand bij Amersfoort komt te liggen als we niet ophouden met het uitstoten van kooldioxide zo waarschuwt Jeremia zijn volk dat het ten onder zal gaan door de vijanden uit het noorden. De plattelandsbewoners uit de omgeving van Jeruzalem, van de stam Benjamin zijn al naar Jeruzalem gevlucht. Dat is immers de sterke stad waar niemand tegenop kan omdat daar de Tempel staat van de God van Israël. Maar het volk heeft die God in de steek gelaten en daarom heeft God de handen van Jeruzalem afgetrokken. Herders met hun kudden helpen niet als bescherming. Je kunt beter de boomgaarden omhakken en op en voor de muur een wal opwerpen. Jeruzalem zal vallen. Het is verworden tot een stad van geweld, er wordt geslagen en gemarteld. Alleen een radicale terugkeer naar de richtlijnen voor de menselijke samenleving die God heeft gegeven zou nog redding kunnen brengen.

God kan dat zo mooi zeggen, maar Jeremia weet dat het volk niet zal luisteren. Integendeel ze zijn sceptisch voor de woorden van God, ze hebben er een afkeer van, Jeremia moet maar stoppen met zijn hysterie. God wordt steeds kwader over deze dwarsheid, Jeremia waarschuwt, het onheil zal niet alleen de verantwoordelijken treffen maar ook de kinderen op straat, de jeugd, de bejaarden. Hun huizen vallen anderen toe en zoals in elke oorlog worden de vrouwen nog de ergste slachtoffers, zij worden verkracht en als slavinnen verkocht. Niet dat ze dat door hun huidige gedrag niet hebben verdiend. Iedereen van jong tot uit, van profeet tot priester is immers uit op eigen gewin. En dat gewin wordt ook nog verkregen met profijt, met belastingontwijking, met oplichterij, met de verkoop van niet bestaande goederen, met het leveren van diensten tegen woekerprijzen. Fatsoenlijk gaan ze doen en daarmee zou het leed geleden zijn, maar onder het fatsoen woekert het kwaad voort. Niemand erkent de eigen misdaden, die komen altijd van anderen.

Wij kijken terug op een rare geschiedenis. Op standbeelden van goden op de hoeken van de straten, op kinderoffers, op priesters in de meest mooie gewaden die de zorg voor die beelden hebben en je graag helpen bij het brengen van offers. Op profeten die je vertellen wat je graag wilt horen en die wel uitkijken je te waarschuwen tegen het onheil dat je te wachten staat. Maar bij ons is het niet anders. Er zijn politici die alles wat er verkeerd gaat in de samenleving afschuiven op een kleine groet vreemdelingen alsof zelfs alle vreemdelingen criminelen zijn. Er zijn politici die openlijk over klimaathystereci roepen en voortduren drammen op te houden met de aanpassing die het klimaat volgens de wetenschap van ons vraagt. Wij houden nog steeds de onrechtvaardige handelsverhoudingen met arme landen in stand en klagen dan dat de armen en hongerenden hun toevlucht zoeken bij ons overvloed en hier hun werk en de toekomst van hun kinderen zoeken. Wij deporteren nog steeds in ons land geboren kinderen naar landen waar ze geen toekomst hebben en ook geen enkele binding hebben. De waarschuwingen van Jeremia mogen ook wij ter harte nemen anders treft ons het zelfde als eens Jeruzalem.

Mij zal God vrijkopen

zondag, 10 maart, 2019

Psalm 49
1 Voor de koorleider. Van de Korachieten, een psalm. 2 Hoor, alle volken, luister, bewoners van de wereld, 3 mensen, kinderen van Adam, rijk en arm, iedereen. 4 Mijn mond spreekt wijze woorden, diepzinnig is wat mijn hart overpeinst, 5 ik heb een open oor voor raadselspreuken, bij het spel op de lier onthul ik een geheim. 6 Waarom zou ik vrezen in slechte tijden, als ik door uitbuiters word omringd, 7 die vertrouwen op hun vermogen en pronken met hun rijkdom? 8 Geen mens kan een ander vrijkopen, wat God vraagt voor een leven, is niet te betalen. 9 De prijs van het leven is te hoog, in eeuwigheid niet op te brengen. 10 Onmogelijk dat iemand voor altijd zou leven, de kuil van het graf nooit zou zien. 11 Dit zien we: wijze mensen sterven, maar ook dommen en dwazen vergaan en laten hun vermogen achter. 12 Het graf is hun eeuwig thuis, hun woning van geslacht op geslacht, ook al stond er veel land op hun naam. 13 Nee, een mens, hoe rijk ook, ontkomt niet aan het duister, hij is als een dier dat wordt afgemaakt. 14 Dit is het lot van wie op zichzelf vertrouwen, zo vergaat het wie zichzelf graag horen: sela 15 als schapen verblijven zij in het dodenrijk, en de dood is hun herder. In de morgen vertrappen de oprechten hun graf, hun lichaam teert weg in het dodenrijk en vindt geen rust.16 Maar mij zal God vrijkopen uit de macht van het dodenrijk, mij zal hij wegnemen. sela 17 Wees niet bevreesd als iemand rijk wordt, een groter huis heeft en meer weelde. 18 Want bij zijn dood kan hij niets meenemen, zijn weelde volgt hem niet in het graf. 19 Ook al prijst hij zich gelukkig met zijn leven- wie roemt je niet in je voorspoed? -, 20 hij zal zich voegen bij zijn voorgeslacht, bij hen die het licht nooit meer zullen zien. 21 Een mens zonder inzicht, hoe rijk ook, is als een dier dat wordt afgemaakt. (NBV)
Vandaag zingen we een lied dat bijna niet te vertalen was uit het Hebreeuws. Misschien ook wel omdat we de boodschap die er achter ligt bijna niet willen begrijpen. Maar het lied laat een oude wijsheid horen, namelijk dat het geen enkele zin heeft je voor jezelf uit te sloven in het leven. Het is een strijdlied tegen carrière maken, tegen het oppotten van geld en bezit. En dat oppotten, steeds maar en nog meer willen hebben dat komt altijd al overal voor. Want dit lied is al een paar eeuwen oud maar het speelt ook in onze samenleving. We vinden overigens dezelfde gedachte ook in het boek Prediker. Het lied richt zich daarom om te beginnen tot alle mensen op de hele wereld, niet alleen tot de kinderen van het volk Israël maar tot alle kinderen van Adam en dat zijn alle mensen. In het Hebreeuws wordt er nogal met woorden en klanken gespeeld in dit lied, dat is niet weer te geven in een vertaling in het Nederlands. Het was ook in de oude vertaling in het Grieks, de Septuaginta, al weggevallen. Maar de zanger zingt er zelf over, hij heeft wijsheid in raadseltjes verpakt, nu wordt hier ook wel vertaald met “levensraadsel” waarvoor een gelijkenis wordt gezocht..
Het begin van alle wijsheid, dat is dan levenswijsheid, is overigens het volgen van de God van Israël in zijn grondregel van heb Uw naaste lief als Uzelf, dat wordt in deze Psalm als bekend verondersteld. Het eerste raadsel is dat de zanger niet bang is voor slechte tijden ook als alle uitbuiters die hem omringen pronken met hun rijkdom. Daar hoef je dus niet bang voor te worden. Wij zouden misschien zeggen dat je er niet tegenop hoeft te kijken en er ook niet jaloers op hoeft te worden, met minder kan het kennelijk ook. En het einde is altijd gelijk. Ieder mens sterft. En al ben je nog zo rijk je kunt niet naar God gaan met je rijkdom om je te verzekeren van een eeuwig leven, de dood onderga je allemaal, geen mens kan een ander of zichzelf daarvan vrijkopen. Zelfs een groot geloof in de God van Israël bevrijdt je niet van de dood, wijze mensen sterven maar net zo goed dommen en dwazen. Het eeuwige tehuis van elk mens is het graf. Hoe rijk je ook bent, in dat huis kom je uiteindelijk te wonen. En dan komt de regel van de dichter dat God hem zal vrijkopen van de macht van het dodenrijk en hem zal vrijkopen.
Het heeft nogal wat misverstanden opgeleverd. Veel Christenen zien hier een verwijzing naar Jezus van Nazareth in die aan het kruis de mens vrijgekocht zou hebben van de dood. Maar ook na de opstanding van Jezus van Nazareth sterven mensen. Sterker nog, Jezus van Nazareth waarschuwde er zelf voor dat het geen zin had schuren te bouwen voor je eigen oogst want als je die schuren klaar hebt kun je ook dezelfde dag sterven in plaats van er lang en gelukkig van te leven. Dat rijk willen worden brengt uiteindelijk helemaal niks. Je kunt dus beter leven alsof je elk moment kunt sterven. Als je dan alles wat je bezit deelt wordt je veel gelukkiger want dan volg je de richtlijn van de God van Israël dat Jezus van Nazareth zou uitleggen dat als je twee mantels hebt je er beter één kunt weggeven aan iemand die er geen heeft. Zo ben je bevrijd van de macht van de dood, die heeft geen effect meer op je leven, die bepaalt niet meer wat je doet en wat je laat. Zo leven levert een betere wereld op, daar heb je zelf plezier van en je nazaten ook. Die rijkdom stelt niks voor, het leven samen met iedereen op aarde is pas rijkdom, daar mogen we ook vandaag van genieten.

De Wijsheid is in het gelijk gesteld

zaterdag, 9 maart, 2019

Lucas 7:29-35

29 Alle mensen die dit hoorden, ook de tollenaars, brachten hulde aan God en zijn gerechtigheid: zij hadden zich immers door Johannes laten dopen. 30 Maar de Farizeeën en wetgeleerden verwierpen het plan van God: zij hadden zich immers niet door hem laten dopen. 31 ‘Waarmee zal ik dan de mensen van deze generatie vergelijken, waarop lijken ze? 32 Ze lijken op kinderen die op het marktplein zitten en elkaar toeroepen: “Toen we voor jullie op de fluit speelden, wilden jullie niet dansen, toen we een klaaglied zongen, wilden jullie niet treuren.” 33 Want Johannes de Doper is gekomen, hij eet geen brood en drinkt geen wijn, en jullie zeggen: “Hij is door een demon bezeten.” 34 De Mensenzoon is gekomen, hij eet en drinkt wel, en jullie zeggen: “Kijk, wat een veelvraat, wat een dronkaard, die vriend van tollenaars en zondaars.” 35 En toch is de Wijsheid door al haar kinderen in het gelijk gesteld.’ (NBV)

Het is niet goed of het deugt niet. Jezus van Nazareth wordt er kennelijk wanhopig van. Als je beantwoordt aan de ouderwetse opvatting van Profeet, de man uit de woestijn, die roept aan de rand van de rivier dat alles anders moet en zich voedt met wat hij onderweg vindt, dan spoor je niet. Als je gewoon met iedereen om wil gaan en iedereen bij de samenleving wil betrekken, dan ben je een veelvraat en ga je met de verkeerde mensen om. Er is wat dat betreft nog niet veel veranderd. Als je probeert wat goeds voor de mensen te bereiken dan zijn er snel allerlei redenen waarom dat niet deugt. Of je maakt mensen afhankelijk door ze een goede uitkering te geven, of je buit ze uit door ze voor een veel te laag loon alvast werkervaring op te laten doen zodat ze beter kunnen doorstromen zonder in een armoedeval te hoeven trappen.

Volgens Jezus van Nazareth was de Wijsheid in het gelijk gesteld. Een op het oog merkwaardig zinnetje na zijn verzuchtingen. Maar het begin van de Wijsheid is het ontzag voor God, is het je laten leiden door de Liefde. En dat gebeurt op de manier van Johannes de Doper en ook op de manier van Jezus van Nazareth. Hoe je het doet maakt dus kennelijk niet veel uit als je het maar doet. In het gedeelte dat we vandaag lezen gebruikt Jezus van Nazareth een kinderspelletje als voorbeeld. Kinderen spelen op de markt en spelen begrafenisje. Maar een gedeelte van de kinderen willen niet mee doen. Ze spelen fluit en de andere kinderen blijven stil staan kijken, ze zongen een klaaglied en weer bleven de andere kinderen staan. Wat willen die kinderen dan? De vergelijking met een kinderspelletje klinkt wel mooi maar het leven is geen kinderspel.

Het gaat om mensen in een harde werkelijkheid. Mensen die te maken hebben met onderdrukking en uitbuiting. Daar ging het Johannes de Doper om, daar gaan het Jezus van Nazareth om. De Farizeën en de Saducceën willen hun eigen bevoorrechte positie behouden. Zij hadden een akkoord met de Romeinse bezetters gesloten om het volk rustig te houden. Daarom is de omgang van Jezus met de Tollenaars zo bedreigend en wordt die zo scherp afgekeurd. Want als Jezus de tollenaars zo ver zou krijgen dat ze het uitbuiten zouden opgeven en niet meer tol zouden heffen als nodig is dan kan niet alleen de economie opbloeien maar dan zou ook blijken dat een volk zonder overeenkomst met de bezetters beter af was. Het conflict tussen Jezus en de religieuze autoriteiten is een politiek conflict. Daarom doet Jezus een beroep op de Wijsheid. Van de Wijsheid zegt de Bijbel dat ze roept op de hoeken van de straten, net als de kinderen dus en de Wijsheid roept wat God had gezegd, heb uw naaste lief als uzelf. Maar dus ook van de armen bevoorrechten, zij moeten allereerst geholpen worden. Dat is ook vandaag nog zo, blijf dus niet aan de kant staan maar ga aan het werk.