Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor de 'Column' categorie

Heeft de regen een vader?

maandag, 25 juni, 2018

Job 38:16-30

16  Betrad jij ooit de plaats waar de zee opwelt, heb jij over haar diepste bodem gewandeld? 17  Zijn de poorten van de dood aan jou getoond, de deuren van het diepste donker-heb je die gezien? 18  Kun jij de aarde in haar volle uitgestrektheid bevatten? Vertel het, als je het allemaal weet! 19  Waar is de weg naar de oorsprong van het licht, en de plaats van het donker-is die jou bekend, 20  zodat je het naar zijn gebied kunt voeren en het pad naar zijn huis kunt vinden? 21  Jij weet dat vast, want jij werd toen geboren, zoveel jaren liggen achter je! 22  Ken je de voorraadkamers van de sneeuw, heb je de voorraadkamers van de hagel gezien, 23  die ik heb aangelegd voor tijden van nood, voor dagen van oorlog en strijd? 24  Hoe kom je op de plaats van waar het licht verspreid wordt, van waar de oostenwind over de aarde uitwaait? 25 Wie heeft de geulen gekliefd voor de stromen, de weg voor donder en bliksem gebaand, 26  zodat de regen neervalt op de onbewoonde aarde, op de woestijn waar geen mensen leven, 27  en wildernis en woestenij doordrenkt raken en er overal jong gras opschiet? 28  Heeft de regen een vader? Wie brengt de dauwdruppels voort? 29  Uit welke schoot wordt het ijs geboren, wie baart de rijp van de hemel,30  wanneer de wateren stollen, hard als steen, wanneer het oppervlak van de zee bevroren raakt? (NBV)

Heel lang is er gezegd dat God te ontmoeten zou zijn in de ontzagwekkendheid van de natuur. In dit stuk uit het boek Job leren we eigenlijk dat dat niet kan. Voor gewone eenvoudige mensen is de natuur wel indrukwekkend maar bij alles wat je ziet moet je bedenken dat God het alles te boven gaat. Misschien is het tegenwoordige wel eenvoudiger te begrijpen. Veel van wat hier als wonderbaarlijk wordt opgenoemd is immers door mensen wetenschappelijk verklaarbaar en zelfs gedeeltelijk voorspelbaar. We weten best hoe hagel en sneeuw ontstaan en waar het licht van de zon vandaan komt, waar dat licht uit bestaat en zelfs hoe de zon dat licht naar ons toe zendt. Maar God gaat dat te boven. God gaat ook ruimte en tijd te boven. God is het gans andere, voor mensen niet te vatten.

Daarom is het ook niet toegestaan een beeld van God te maken. De oude man op een wolk die door Michael Angelo werd geschilderd in de Sixtijnse Kapel in Rome mag dan wel een mooi beeld zijn, het is geen beeld van God, het schilderij waarbij de oude man de hand uitsteekt naar de naakte mens heeft met de God van Israel, de God uit het boek Job, niets maar dan ook helemaal niets te maken. Ongelovigen lachen gelovigen wel eens uit omdat er in de ruimte geen plaats gevonden is voor God. Bijgelovigen wijzen planeten aan waar God op zou wonen. Voor beiden geldt dat ze de God van Israel niet hebben begrepen. God openbaarde zich in het verhaal over Israel. Daar gaat het over een God die meetrok met het volk en dat volk uit de slavernij door de woestijn heen naar een land voerde dat overvloeide van melk en honing. Dat volk moest maar één ding doen en dat was de naaste liefhebben als zichzelf. In de loop van de geschiedenis bleek dat steeds weer te moeilijk, maar telkens opnieuw begon die God opnieuw met dat volk.

Dat verhaal ging voor Christenen over in het verhaal over Jezus van Nazareth die het gebod van die God van Israel door de dood heen doortrok voor alle mensen op aarde. Iedereen kan daarin meedoen en de naaste liefhebben als zichzelf. En als dat te moeilijk is kun je er elke dag, elk moment, opnieuw mee beginnen. Dat is het geheim van de God die alles te boven gaat. Die God gaat ook vandaag weer met ieder van ons mee als we op pad gaan om onderdrukten te bevrijden, hongerigen te voeden, naakten te kleden en aan de armen het einde van de armoede te verkondigen. Over de hele wereld trekken mensen met ons mee en als iedereen met ons mee gaat dan zal het ook echt gaan gebeuren.

Vanuit een storm.

zondag, 24 juni, 2018

Job 38:1-15

1 En de HEER antwoordde Job vanuit een storm. Hij zei: 2  ‘Wie is het die mijn besluit bedekt onder woorden vol onverstand? 3  Sta op, Job, wapen je; ik zal je ondervragen, zeg mij wat je weet. 4 Waar was jij toen ik de aarde grondvestte? Vertel het me, als je zoveel weet. 5  Wie stelde haar grenzen vast? Jij weet dat toch? Wie strekte het meetlint over haar uit? 6  Waar zijn haar sokkels verankerd, wie heeft haar hoeksteen gelegd, 7  terwijl de morgensterren samen jubelden en Gods zonen het uitschreeuwden van vreugde? 8  En wie sloot de zee af met een deur, toen ze uit de schoot van de aarde brak? 9  Ik hulde haar in een gewaad van wolken en omwond haar met donkere nevels. 10  Ik legde haar mijn grenzen op en sloot haar af met deur en grendelbalk, 11  en zei: “Tot hiertoe en niet verder, dit is de grens die ik je trotse golven stel.” 12 Heb jij ooit de morgen ontboden, de dageraad zijn plaats gewezen, 13  om de uiteinden van de aarde te pakken en de goddelozen van haar af te schudden? 14  Als klei waarin een zegel wordt gedrukt, zo krijgt de aarde vorm, haar oppervlak wordt gedrapeerd als een kleed. 15  Alleen de goddelozen blijven verstoken van het licht, hun opgeheven arm wordt gebroken. (NBV)

Wie elke dag het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap volgt, waar de dagelijkse column op is gebaseerd zal het opvallen dat ineens een aantal hoofdstukken uit het boek worden overgeslagen. Het maakt de discussie tussen Job en zijn God duidelijker.  Het boek Job is het boek waarin de vraag wordt gesteld waarom ook goede, rechtvaardige, mensen soms moeten lijden en waarom succes niet verzekerd is voor gelovigen. De vrienden van Job hadden hem gezegd dat het lijden van Job zou worden veroorzaakt door fouten die hij had gemaakt en als straf van God moest worden gezien maar daar had Job zich fel tegen verzet. Een liefdevolle God is volgens Job ook bij zijn kinderen als ze lijden en dat lijden is geen straf van die liefdevolle God. De vrienden van Job waren uitgesproken. Job had uiteindelijk zijn God ter verantwoording geroepen. Hij begon een rechtszaak tegen God. Zijn pleidooi kwam er op neer dat hem niets te verwijten viel. Hij had de armen te eten gegeven en de vreemdelingen onderdak.

Dan neemt in het verhaal God zelf het woord, in een storm. De God van Job bedient zich van een storm. De oppergod van de inwoners van Babel, waarheen het volk van Israel in ballingschap zou worden heengevoerd, was zelf een stormgod, de storm als god. De God van Israel heerst over de storm. Dat beeld zullen we veel later ook van Jezus van Nazareth te zien krijgen. Angst is geen drijfveer voor geloof in de God van Israel. De natuurkrachten zijn ondoorgrondelijk voor een eenvoudig mens als Job. Daar kun je als mens niets uit afleiden. Daar kun je geen conclusies over God uit trekken. God kan gebruik maken van de storm maar valt niet samen met de storm. Het God kwalijk nemen dat de natuurkrachten slachtoffers maken heeft geen zin. Die natuurkrachten zijn niet door aanbidding of offers gunstig te stemmen en de God van Israel laat zich niet door mensen sturen. Hij vraagt alleen vertrouwen van mensen zoals we eerder Job hoorden antwoorden aan zijn vrienden.

Die God vraagt het vertrouwen dat ook in het ergste lijden die God naast je blijft staan. Zo zijn er mensen die durven zeggen dat die God met zijn kinderen de gaskamers van Auswitz betrad en hen daar niet in de steek liet. Wel, de afwezigheid van die God bij de misdadigers van de Holocaust maakt hen tot goddelozen waar inderdaad geen sprankje licht bij te bekennen was en is. De vraag is dus nooit waarom God dat lijden veroorzaakt maar de vraag is altijd wat wij bereid zijn voor onze naasten te doen. Hebben wij oog voor de mensen die lijden, of zijn we alleen bezig met religieuze rituelen of zelfgroei. Het verbond dat deze God met mensen sloot was, dat dit de enige God voor hen moest zijn en dat dienst aan die God dienst aan de mensen zou moeten zijn. Of wij ons dus maar aan onze kant van het verbond willen houden.

At ik mijn brood alleen?

zaterdag, 23 juni, 2018

Job 31:16-40

16 Onthield ik aan de armen ooit waar ze om vroegen, liet ik de ogen van weduwen versmachten? 17  At ik mijn brood alleen, deelde ik het niet met wezen? 18  Hadden zij van kindsbeen geen vader in mij, stond ik weduwen niet van jongs af bij? 19  Als ik een zwerver zag die geen kleren had, een verschoppeling die zich met niets kon bedekken, 20  zegende hij mij dan niet met heel zijn hart, wanneer hij zich warmde met de wol van mijn schapen? 21  Als ik mijn vuisten tegen wezen heb gebald, omdat de rechters in de poort mijn vrienden waren, 22  mogen mijn schouders dan ontwricht worden en mijn arm doormidden breken bij de elleboog- 23  want één ding vrees ik: een door God gezonden ramp- tegen zijn oppermacht ben ik niet opgewassen. 24 Heb ik mijn hoop gevestigd op goud, van het fijnste goud gezegd: “Daarop vertrouw ik”? 25  Heb ik mij verheugd over mijn vermogen, omdat ik eigenhandig zoveel had verworven? 26  Keek ik ooit naar de zon, haar stralende licht, naar de maan in haar wassende pracht, 27  terwijl mijn hart zich heimelijk liet lokken en ik in verering mijn mond op mijn hand drukte? 28  Ook dat zou een misdrijf zijn dat bestraft moet worden, want dan zou ik God daar boven verloochend hebben. 29  Verheugde ik mij over de ondergang van mijn vijand, juichte ik wanneer hij door het kwaad getroffen werd? 30  Nooit heb ik mijn mond laten zondigen door met een vloek zijn leven te verlangen. 31  Zullen mijn verwanten niet getuigen: “Ieder deed zich te goed aan het vlees van zijn kudden”? 32  Geen vreemdeling liet ik buiten overnachten, voor elke reiziger opende ik mijn deuren. 33 Heb ik als anderen mijn overtredingen verhuld en mijn zonden weggeborgen in mijn binnenste, 34  omdat ik in angst en beven voor de menigte verkeerde en de verachting van anderen mij angst aanjoeg, zodat ik mij stilhield en geen stap naar buiten deed? 35  O, wilde er maar iemand luisteren! Ik sta in voor wat ik heb gezegd. Laat nu de Ontzagwekkende antwoord geven, laat mijn tegenstander zijn klacht boekstaven! 36  Dan zou ik die op mijn schouders dragen, als een krans zou ik hem om mijn hoofd vlechten. 37  Ik kan van al mijn gangen rekenschap afleggen, fier als een vorst treed ik hem tegemoet. 38  Als mijn akkers ooit geroepen hebben om vergelding, als uit hun voren een jammerklacht is opgestegen, 39  als ik hun vruchten heb verteerd zonder te betalen en de boeren tot wanhoop heb gebracht- 40  mogen er dan dorens opschieten in plaats van tarwe en woekerkruid in plaats van gerst.’  Hier eindigen de woorden van Job. (NBV)

Vandaag geeft Job ons een lesje in het houden van je naaste. Job heeft slaven en slavinnen. Daar begint het mee. Maar aan slaven en slavinnen het recht op een eigen mening toekennen? Dat spoort niet met wat wij gewend zijn uit onze geschiedenis over slavernij. Job kende kennelijk geen werknemers. De eerste boeken van de Bijbel, daar waar de wetten van het volk Israel staan opgeschreven, suggereren dat arme Israëlieten zich gedwongen zagen zich als slaaf te verhuren. Het lijkt er soms op dat loondienst gelijk staat aan slavernij. Dat zal vele werknemers ook in de huidige samenleving niet verbazen. Job beschouwt deze slaven als gelijken, ze zijn immers allemaal op dezelfde manier ter wereld gekomen als hij. Armen iets geven, weduwen steunen, brood delen met wezen, zwervers kleden, geen partij trekken voor de machtigen tegen de zwakken we kennen het allemaal. Job voert het aan als rechtvaardiging voor zijn verzet tegen de rampen die hem hebben getroffen. Houden van je naaste is dus wat je hebt in dienst stellen van mensen die het niet hebben en zonder dat niet kunnen.

In het slot van het gedeelte van vandaag gaat Job nog een keer na wat hij toch fout zou kunnen hebben gedaan en waarvoor hij gestraft had moeten worden. Hij had zich niet beroepen op zijn rijkdom, noch zijn rijkdom tot zijn God gemaakt. Een fout die ons allemaal bekend is. Dure merkkleding, het fijn goud, of brokaat zoals de Naardense Bijbel het vertaalt, Job maalde er niet om. Hij waant zich niet de baas van zon en maan. Ook zijn vijanden liet hij in hun waarde. En zijn gezin was er getuige van dat hij de vruchten van zijn akkers altijd wist te delen. Ja, geen vreemdeling liet hij buiten overnachten. Gelovigen zijn in de geschiedenis nog wel eens voor streng uitgemaakt. Je moet zo veel hoor je tot op de dag van vandaag. Nou dat moeten valt wel mee. Voor gelovigen is het vanzelfsprekend. Je deelt wat je hebt met hen die het nodig hebben om zelf weer op de been te kunnen komen. En voor vreemdelingen doe je wat extra’s. Je deur open zetten voor vreemdelingen maakt dat je zelf niet in een vreemde omgeving komt te wonen. Veel mensen zijn bang voor die rare vreemdelingen die naast hen zijn komen wonen.

Nou vallen naaste buren vaak nog wel mee, maar die rare overburen uit weer een ander land met weer een andere taal, die dat rare Islam geloof weer op een andere manier beleven zijn natuurlijk eng. En dan zijn er ook vreemdelingen die nog meer aan de gewoonten uit hun eigen land gaan hangen dan ze in dat land zelf doen. Dat vreemdelingen bang kunnen zijn voor de rare gewoonten die wij er op na houden ontgaat ons vaak. Dat wij onze christelijke godsdienst op tenminste 275 verschillende manieren beleven ontgaat ons ook, maar zoveel christelijke kerkgenootschappen waren er een paar jaar geleden ingeschreven. Alleen de deuren voor elkaar openzetten kan ons van onze angst afhelpen. En als je met elkaar vertrouwt raakt woon je weer in een vertrouwde omgeving. Doen, en betrek iedereen er maar bij, want iedereen mag deel hebben aan dat Koninkrijk waar ook Job zich toe rekende.

Laat mijn vrouw dan koren malen voor een vreemde.

vrijdag, 22 juni, 2018

Job 31:1-15

1 Ik heb een verbond gesloten met mijn ogen: nooit zal ik naar jonge vrouwen kijken. 2  Wat heb ik van God in de hemel te verwachten, wat valt mij ten deel van de Ontzagwekkende daar boven? 3  Wacht de boosdoener geen rampspoed, treft het ongeluk niet hen die onrecht doen? 4  Ziet hij niet de wegen die ik ga, telt hij niet al mijn stappen? 5  Heb ik het pad van het bedrog bewandeld, vluchtte ik ooit in de leugen? 6  Laat hij mij op een eerlijke weegschaal wegen, dan zal hij zien dat ik onschuldig ben. 7  Als mijn voet is afgeweken van de goede weg, als mijn hart heeft toegegeven aan mijn oog, als er aan mijn hand een smet is blijven kleven, 8  dan zal ik zaaien, maar anderen zullen eten, en wat ik voortbreng zal verdelgd worden. 9 Als mijn hart zich door een vrouw heeft laten lokken en ik geloerd heb bij mijn buurmans deur, 10  laat mijn vrouw dan koren malen voor een vreemde, laat anderen maar bij haar liggen, 11  want het zou een schanddaad zijn, een misdrijf dat bestraft moet worden, 12  een vuur dat een mens de afgrond in drijft, dat de oogst verdelgt tot aan de wortels. 13  Als ik mijn slaaf of slavin ooit hun recht ontzegd heb wanneer wij van mening verschilden, 14  wat zal ik dan beginnen als God voor mij oprijst, en als hij mij ondervraagt-wat kan ik dan antwoorden? 15  Maakte hij hen in de moederschoot niet net als mij, vormde een en dezelfde ons niet eender in de moederbuik?

Job is een man. In de Bijbel gaat het vaak over mannen. Net als het in de wereld vaak over mannen gaat. Mannen eigenen zich macht en bezit toe. Ze eigenen zich zelfs de taal toe. Probeer maar eens een dag te spreken zonder te doen of er alleen mannen bestaan, probeer maar eens alles te zeggen zo dat vrouwen en mannen beiden inbegrepen zijn in de taal die je spreekt. Dat is moeilijk. Mannen zijn een gevaar voor vrouwen. Er worden meer vrouwen door mannen verkracht dat mannen door vrouwen. Seriemoordenaars die meerdere vrouwen vermoorden zijn vaker mannen dan dat er vrouwen zijn die meerdere mannen vermoorden. Als vrouwen over straat gaan worden ze nagefloten, soms nageroepen maar vaak genoeg ook nagestaard. Begerige blikken worden op haar geworden heet het dan.

Omgekeerd hebben mannen daar toch veel minder last van. De Bijbel leert ons dat mannen vrouwen en vrouwen mannen niet als object, als voorwerp moeten zien maar als elkaars gelijke. Als Job gevraagd wordt naar de zonden die hij begaan zou kunnen hebben en die zouden kunnen hebben geleid naar zijn ellende dan antwoord hij dat hij zelfs nooit begerige blikken op een andere vrouw heeft geworpen. Het partnerschap dat hij is aangegaan met de vrouw die hem haar man kan noemen is hem heilig. Zo zouden alle mannen moeten kunnen spreken. En omdat het voor de hand ligt dat ze dat niet kunnen zijn er vrouwen die zich onttrekken aan die begerige blikken, die sluiers dragen of in het ergste geval boerka’s.

Slechte mannen als Geert Wilders willen dat verbieden, met mooie praatjes verdedigen zij hun recht hun begerige blikken te mogen blijven werpen op wie ze willen. Vrouwen als gelijke beschouwen is er niet bij. Hoewel blijkt dat vrouwen tegenwoordig zelfs gemiddeld hoger opgeleid zijn dan mannen is het loon dat vrouwen krijgen voor hetzelfde werk over het algemeen nog lager. En de helft van onze regering, en de helft van ons parlement, en de helft van de binnenkort opnieuw te kiezen provinciale staten bestaan nog steeds niet uit vrouwen. Er zijn zelfs Nederlandse politieke partijen die vrouwen het recht ontzeggen zich met politiek en openbaar bestuur bezig te houden. Voor mannen van die partij, juist voor die mannen die Job vandaag wel kunnen lezen maar niet in de ikvorm kunnen nazeggen. Er is nog een wereld te winnen.

Ik hoopte op het goede

donderdag, 21 juni, 2018

Job 30:20-31

20  Ik roep u om hulp, maar u antwoordt niet; ik sta voor u, maar u wilt mij niet zien. 21  U bent wreed voor mij geworden, met al uw kracht hebt u zich tegen mij gekeerd. 22  U tilt me op en laat me rijden op de wind, uw woedende storm schudt mij heen en weer. 23  Ja, ik weet dat u mij naar de dood drijft, naar het huis van samenkomst voor alle levenden. 24  Maar keert men zich tegen een mens in nood, wanneer hij, de ondergang nabij, om hulp roept? 25  Heb ik niet gehuild om wie in nood verkeerde? Had ik geen medelijden met de behoeftige? 26  Ik hoopte op het goede, maar het kwade kwam, het licht verwachtte ik, maar de duisternis brak aan. 27  Heel mijn binnenste is in beroering, ik ken geen rust; ik zie slechts dagen van ellende naderen. 28  In het zwart gehuld dool ik rond, van licht verstoken, ik sta op in de vergadering en roep om hulp. 29  Een broeder van de jakhals ben ik geworden, een metgezel van de struisvogels. 30  Mijn huid is verschroeid en schilfert, koorts verteert mijn gebeente. 31  Mijn lier is geworden tot rouwinstrument, mijn fluit tot de stem van de treurenden. (NBV)

Ik hoopte op het goede, verzucht Job “maar het kwade kwam” staat er. Job houdt het niet uit. Zijn lijden doet hem alleen nog roepen om hulp. Een broer van de jakhals lijkt hij geworden, een metgezel van de dochters van uilen. Dat Job in Australië geweest zou zijn en daar vogels gezien had die hun kop in het zand staken moet toch op een misverstand van vertalers berusten. De vogels die in de oorspronkelijke tekst staan kennen we niet, “dochters van uilen” komt er als vertaling nog het dichtste bij, we weten dat ze bij de onreine dieren horen die je niet mag eten. Het leed en verdriet van Job kennen we wel. Overal op de wereld roepen mensen ons toe die geen raad meer weten en geen kant meer op kunnen. Slachtoffers van nieuwe aardbevingen, slachtoffers van overstromingen, slachtoffers van hongersnoden en oorlogen in Afrika, boeren in Afghanistan die hun opiumvelden zien opgeruimd en daarmee hun enige bron van bestaan.

Om maar een paar van de vele groepen verdrukten te noemen. Want Amnesty International heeft nog een hele lijst gevangenen over de hele wereld die hun fundamentele rechten zijn onthouden en vaak alleen gevangen zitten vanwege hun geloof of hun mening. En Fair Trade en Max Havelaar hebben een hele lijst met producten waar de makers of verbouwers niet het loon voor krijgen dat hen toekomt door belastingmaatregelen in de rijke landen. Vergeet ook niet al die kleermakers, mannen en vrouwen, jongens en meisjes, van groot maar ook van klein die in slavernij onze kleren maken. En in ons land hebben we de zieken en gehandicapten die mee moeten betalen voor de medicijnen die ze niet kunnen laten staan zonder dood te gaan en aan de behandelingen die hen in leven houden. Ze dreigen nu ook de hulpmiddelen kwijt te raken die hen in staat stellen nog een beetje deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer.

In ons land worden nog steeds kinderen in gevangenissen opgesloten, en bij hun ouders weggehaald en in kinderhuizen opgeborgen omdat hulpverleners niet weten hoe ze hulp moeten verlenen. Mijn luit is geworden tot rouwinstrument en mijn fluit tot de stem van de treurenden verzucht Job, bij ons is de politieke discussie verworden tot een discussie over dubbele paspoorten in plaats van over mensen die mee moeten doen. Met Job kunnen we meetreuren over die politieke discussies. Maar vandaag kunnen we ook opstaan en onze stem laten horen, opstaan en roepen om hulp, een stem laten horen voor recht en rechtvaardigheid, voor een samenleving waar het weer om mensen gaat.

Het onderwerp van hun spotlied

woensdag, 20 juni, 2018

Job 29:21–30:19

21  Zij luisterden vol verwachting naar mij, ze zwegen om te horen wat ik hun zou raden. 22  Wanneer ik had gesproken waren ze stil, mijn woorden daalden zacht op hen neer. 23  En ze keken naar mij uit als naar de regen, ze openden hun mond als voor de lentedruppels. 24  Ik lachte hun toe-zij waren verrast, en deden alles om mij niet te misnoegen. 25  Ik wees hun de weg en nam plaats als hun leider, zoals een koning bij zijn legers woont, ik was de trooster van de treurenden. 1 Maar nu bespotten ze mij, mannen die minder jaren tellen dan ik, zonen van vaders die zelfs de honden van mijn kudden onwaardig waren! 2  Wat baat mij de kracht van hun handen, als al hun levenssap is weggevloeid? 3  Onmachtig door gebrek en honger stropen ze de woestijn af, in een donker vol onheil en troosteloosheid. 4  Ze plukken melde en bladeren van struiken, de wortels van de brem zijn hun voedsel. 5  Ze worden uit de gemeenschap gestoten, nagejouwd als dieven, 6  en moeten wonen op de hellingen van het dal, in holen in de grond en tussen de rotsen. 7  Ze kermen in het struikgewas, kruipen onder de distels bij elkaar, 8  mannen zonder verstand en zonder aanzien, weggeslagen uit het land. 9  En nu ben ik het onderwerp van hun spotlied, het mikpunt van hun lasterpraat. 10  Van afschuw deinzen ze terug voor mij en niets weerhoudt hen mij in het gezicht te spuwen. 11  God rukt mijn tentkoord los, hij vernedert mij, en zij overschrijden alle grenzen. 12  Het gespuis aan mijn rechterhand dringt op, ze dwingen mij te vluchten, zetten de aanval in, tot mijn vernietiging. 13  Mijn weg is versperd-de ondergang komt nader, en er is niemand die te hulp schiet. 14  Aanstormend in een woeste golf slaan ze een brede bres in mij. 15 Verschrikkingen storten zich over me uit, mijn eer wordt weggevaagd als door de wind, als een wolk vervliegt mijn aanzien. 16  Nu stroomt het leven uit mij weg, ik ontsnap niet meer aan mijn ellende. 17  ‘s Nachts jaagt hij helse pijnen door mijn botten, het bloed in mijn aderen komt niet tot rust. 18  Hij rukt met geweld aan mijn kleed, omklemt mij met de kraag van mijn mantel. 19  Hij heeft me neergesmeten in het slijk en ik ben als stof, als as geworden. (NBV)

Job kan een verwant genoemd worden van de moderne oprechte gelovige. Want wie geloofd er nu nog. Ja een handje vol lieden die actief zijn in de ChristenUnie misschien, en wat bejaarden die op zondag uit gewoonte naar een kerk gaan. Maar zelfs leidende politici uit het CDA geven toe dat ze eigenlijk niet meer geloven maar in het CDA het fatsoen terugvinden waar ze hun hele leven vergeefs naar op zoek waren. Gelovigen worden dezer dagen beschimpt en bespot net als Job. Probeer maar eens een kruisje te dragen, of als je moslima bent een hoofddoek. Je loopt zelfs de kans je baan kwijt te raken, in elk geval loop je een grote kans met de nek te worden aangekeken. Is dat de ongelovigen aan te rekenen? Job geeft de schuld aan God. En in onze dagen hebben zogenaamde Christenen daar misschien ook wel mede schuld aan.

We hebben immers een geschiedenis waarin rijkdom, uitbuiting, slavernij en vrouwenonderdrukking op zogenaamde Bijbelse gronden werden goedgepraat. De gelovigen die op grond van de Bijbel het delen van rijkdom, het verwerpen van uitbuiting, de afschaffing van slavernij en vrouwenonderdrukking bepleitten werden in het rijtje van ongelovigen en domoren gezet. De geschiedenis van het Christendom is niet altijd iets om trots op te zijn en is in elk geval geen reclame voor het Christendom. En ook vandaag de dag zijn het Christenen die de vrijheid van mensen eerder willen inperken dan vergroten. Het zijn Christenen die net als in de middeleeuwen hun eigen interpretatie van de Bijbel boven wetenschappelijk onderzoek willen stellen. Het zijn Christenen die hun manier van leven met militaire middelen aan andere volken willen opleggen.

En ook al is Geert Wilders en is zijn partij zo antichristelijk als de Bijbel maar kan beschrijven, hij beroept zich zonder tegenspraak op de Christelijk-Humanistische wortels van onze samenleving. De spot waarmee Christenen worden bejegend hebben ze dus vaak aan zichzelf te danken. In plaats van voor het recht van rechtelozen op te komen, de hongerigen te voeden, de naakten te kleden, de gevangenen te bezoeken en de zieken te verzorgen zijn het betweterige schreeuwers geworden. Gelovigen zijn daarom niet meer aan hun woorden te herkennen maar aan hun daden. De vrijwilligers in de voedselbanken, bij Amnesty International, in de vluchtelingencentra, in de Fair Trade winkels en al die andere organisaties waar mensen zonder beloning en zonder eer zorg dragen voor medemensen zijn de christenen van vandaag, ook al willen ze zelf niet meer zo worden genoemd.

Was alles maar als in de dagen van weleer!

dinsdag, 19 juni, 2018

Job 29:1-20

1 Job zette zijn betoog voort: 2  ‘Was alles maar als in de dagen van weleer, als in de dagen dat God over mij waakte, 3  in de tijd dat zijn lamp boven mij scheen en mijn weg door het donker verlichtte, 4  in de tijd dat ik de kracht van de jeugd bezat, met het vertrouwde gezelschap van God in mijn huis, 5  toen de Ontzagwekkende met mij verkeerde en mijn kinderen bij mij waren, 6  toen ik mijn voeten in room liet baden en voor mij een stroom van olie uit de rots opwelde. 7 Wanneer ik naar de stadspoort ging  om mijn plaats op het plein in te nemen, 8  trokken de jongeren zich terug zodra ze me zagen, en stonden de ouderen op om mij te begroeten. 9  De aanzienlijken staakten hun gesprekken en legden eerbiedig een hand op hun mond, 10  de stemmen van de edelen verstomden en hun tong kleefde aan hun gehemelte. 11  Ieder die mij hoorde prees mijn woorden,  ieder die mij zag had niets dan lof, 12  omdat ik de arme redde die om hulp riep, en de wees die in de steek gelaten was. 13  Ik werd gezegend door de stervende,  in het hart van de weduwe bracht ik de vreugde terug. 14  Ik kleedde mij in gerechtigheid en deze kleedde mij, het recht was mij een mantel en een tulband. 15  Ogen was ik voor de blinde, voeten was ik voor de lamme. 16  Voor de behoeftigen was ik een vader, ik verdedigde de zaak van vreemdelingen. 17  Ik brak de kaken van de boosdoener en ontrukte de prooi aan zijn tanden. 18 En ik zei bij mezelf: Ik zal sterven in mijn nest, als een feniks zal ik mijn dagen vermenigvuldigen, 19  met mijn wortels gestrekt naar het water en de dauw van de nacht op mijn takken, 20  met mijn eer die nooit zal verbleken, de boog in mijn hand steeds weer gespannen. (NBV)

Het is een verzuchting die veel mensen slaken. Was het maar als in de tijd toen de wereld nog eenvoudig was. Toen je je niet hoefde afvragen waar je buren vandaan kwamen en wie er bij je op school zaten. Toen je de mensen bij de supermarkt nog kon verstaan en toen je werk nog een bestaan voor het leven garandeerde. De dagen dat huwelijken nog werden gesloten tot de dood er op volgde en mannen bij vrouwen en de vrouwen bij de kinderen hoorden. Die dagen zijn voorbij, ze zijn voorgoed voorbij en zullen niet meer terugkeren. Politici die dan roepen dat we onze samenleving opofferen aan nieuwe, gevaarlijke en onbekende levensbeschouwingen en godsdiensten hebben ongelijk. Mensen blijven mensen en zullen altijd en overal nieuwe manieren moeten vinden om samen vorm te geven aan de veranderende tijd. Ooit waren wij van Duitsen bloed en hoewel we een prins van het Franse Orange zeer waardeerden eerden we de koning van Spanje.

Ooit was iedereen hier van hetzelfde Christelijke geloof, tot daar scheidingen ontstonden en later na de Franse revolutie er mensen kwamen die elke vorm van religie overboord zetten. Wie door onze straten trekt zal de geschiedenis zien van mensen die uit verre landen kwamen en uit landen dichtbij. We hebben Joden uit Oost en Zuid Europa opgevangen, Hugenoten uit Frankrijk en voormalige slaven uit onze koloniën in Suriname en Indonesië. We gaven soldaten uit alle landen van Europa een nieuw tehuis als ze uitgevochten waren en onze landgenoten zwermden uit over Afrika, Azië, Australië en de Amerika’s en lieten sporen achter die ook de geschiedenis van die continenten mee hebben bepaald. Voor Job betekent het verlangen naar het verleden iets heel anders dan het verlangen naar de eenvoudige en eenduidige samenleving.

Hij wil terug naar de tijd dat hij mee vorm gaf aan het recht dat in de stadspoort werd gesproken, toen hij opkwam voor de arme, de weduwe, de stervende. Hij wil terug naar de dagen toen hij ogen was voor de blinde en voeten voor de lamme. Naar de dagen dat hij de zaak van vreemdelingen verdedigde. Voor ons is dat niet terug naar het verleden maar op weg naar een samenleving waar we kunnen zeggen dat wij ons kleden in gerechtigheid en het recht ons een mantel en hoofdbedekking is voor ons toekomst. Voor dat we daarop mogen terugkijken moet er nog heel wat gebeuren. Vandaag kunnen we die nieuwe kleren aantrekken. Om dan aan het werk gaan voor gerechtigheid en vrede, bij Fair Trade winkels, bij Vluchtelingenwerk of Gered Gereedschap, bij Amnesty of Kerk in Actie, of gewoon in de eigen buurt. Elke dag kan het opnieuw.

Hij keert de bergen om vanaf hun voet.

maandag, 18 juni, 2018

Job 28:1-28

1 Er is een plaats waar zilver wordt gewonnen, een plaats waar goud gewassen wordt. 2  IJzer wordt uit de aarde opgedolven en koper wordt uit erts gesmolten. 3  De mens verdrijft de duisternis, hij dringt door tot in het binnenste der aarde, tot aan de steen van diepst verborgen donkerte. 4  Hij hakt een schacht, daalt af in de verlatenheid, tot waar zijn voet geen steun meer vindt en hij verloren in de leegte hangt. 5  Op de aarde schiet het koren op, maar diep in haar woelt een vuur. 6  Daar zijn de stenen van saffier, daar is het stof van gouden korrels. 7  De roofvogel kent niet het pad daarheen, het haviksoog ontdekt het niet. 8  De trotse dieren zullen het nooit betreden, ook de leeuw waagt zich er niet. 9  De mens zet het houweel in het gesteente, hij keert de bergen om vanaf hun voet. 10  In de rotsen hakt hij tunnels uit en zijn oog ontdekt hun kostbaarheden. 11  Hij damt de ondergrondse stromen in en brengt naar het licht wat diep verborgen is. 12  Maar de wijsheid-waar moet je haar zoeken, en het inzicht-waar is het te vinden? 13  Geen sterveling kent de weg erheen, de wijsheid is niet in het land der levenden. 14 De oervloed zegt: ‘Ze is niet bij mij, ‘de diepste zee: ‘Bij mij evenmin.’ 15  De wijsheid is niet te koop voor enig goud, noch kan ze in zilver worden afgewogen. 16  Kostbaarder is ze dan het goud van Ofir, dan de duurste onyx of saffier. 17  Ze wordt niet geëvenaard door goud of glas, niet verworven voor schalen van het fijnste goud. 18  Vergelijk haar niet met robijnen of kristallen, een buidel wijsheid is meer waard dan parels. 19  Topaas uit Nubië kan haar niet evenaren, ze is kostbaarder dan zuiver goud. 20 Maar van waar stamt de wijsheid dan, en het inzicht-waar is het te vinden? 21  De wijsheid is verborgen voor de blik der levenden, ook aan de vogels in de lucht laat ze zich niet zien. 22  De afgrond en de dood, ze zeggen beide: ‘Onze oren kennen haar slechts bij geruchte.’ 23  Maar God kent haar wegen en hij weet waar ze verblijft. 24  Want hij ziet tot aan de randen van de aarde, onder heel de hemel ontsnapt niets aan zijn blik. 25  Toen hij de kracht schiep van de winden en de wateren omgrensde, 26  toen hij zijn wet oplegde aan de regen en de wegen van de donderwolken baande, 27  zag hij de wijsheid en hij toetste haar, hij peilde en doorgrondde haar. 28  En hij sprak tot de mens: ‘Ontzag voor de Heer-dat is wijsheid; het kwaad mijden-dat is inzicht.’ (NBV)

Mensen zijn tot zeer veel in staat, zegt Job. Hij is met name onder de indruk van de mijnwerkers die kostbare delfstoffen naar boven brengen. In een agrarische samenleving, Job was een zeer rijke boer, moet dat ook wel veel indruk maken. Mijnwerkers zijn immers niet afhankelijk van de seizoenen en het weer. Zon, regen en wind maken hen niet uit. Zij graven gangen, smelten ertsen en produceren op die manier kostbare stoffen van goud, zilver en edelstenen. Op de aarde schiet het koren op maar diep in de aarde is een vuur en daar komen die kostbaarheden vandaan. Ook vulkanen maken diepe indruk. Maar kan de mens die tot zoveel instaat is ook een ideale samenleving tot stand brengen?  We kunnen de armoede bestrijden, mensen die kunnen werken ook aan werk helpen, mensen die niet meer kunnen werken daar ook echt vrij van stellen, mensen die ziek zijn de kansen die er zijn op genezing laten krijgen, de dagloners in de arme landen een eerlijk loon voor hun arbeid garanderen, onze kinderen een veilig leven en een voor hen passende opleiding geven en een uitzicht op een leven van nuttig werk en alle mensen in ons land een passende en betaalbare huisvesting en het gevoel bij onze samenleving te horen en daarin volop mee te mogen doen. Het is nogal wat. Voorlopig worden de mijnwerkers die het metaal delven dat nodig is voor onze mobiele telefoons als slaven behandeld, zijn er oorlogen over diamanten en andere kostbare gesteenten.

Als we een betere samenleving willen scheppen moeten we dat samen willen doen, want alleen samen kunnen we veel. Een enkele mijnwerker kan een klompje goud uit een rivier wassen maar zal nooit een mijn kunnen uitgraven en exploiteren. Daar is een gemeenschap van mijnwerkers van nodig die niet alleen bereid zijn Samen te werken en Samen te leven maar bovenal bereid zijn Samen te delen. Al die knappe mijnwerkers  hebben  niet de wijsheid en het verstand, of het inzicht, kunnen vinden. En met al die kostbaarheden, goud, zilver en edelstenen, zijn wijsheid en verstand ook niet te koop. Waar is dan het inzicht dat ons handelen bepaald, waar is de wijsheid die ons oordeel dient te kleuren? Waar haal je het vandaan?  Wij zeggen gemakkelijk dat de wijsheid en het inzicht van God komt. Het lijkt er op dat het ook in het laatste vers van dit hoofdstuk staat. Ontzag voor de Heer is immers wijsheid en het kwaad mijden is inzicht staat er. Nu zijn er mensen die zeggen dat ze voor het goede geen God nodig hebben. Liefde voor de mensen en een dosis gezond verstand, de rede en de redelijkheid, zouden genoeg moeten zijn. Dat zou natuurlijk ook wel genoeg moeten zijn maar dat is het meestal niet. Ook redelijke en liefhebbende mensen zitten met het feit dat er soms meerdere keuzes mogelijk zijn, dat er meerdere belangen spelen.

Soms ook dat er geen tijd is om verstandige afwegingen te maken. Dat je maar op je gevoel moet handelen. De Bijbel spreekt dat niet tegen. Als er staat dat het ontzag voor de Heer wijsheid is dan zijn ook redelijk denkende en liefhebbende mensen het daar mee eens. Je handelen baseren op Liefde en niet op wie de baas zegt de zijn of op het recht van de sterkste is precies wat de Bijbel vraagt. Ook het kwaad mijden en, zoals elders gezegd wordt, het goede doen en niet dan het goede, is wat redelijk denkende mensen zullen omhelzen. En dan komt het verhaal over die God van Israel en van Jezus van Nazareth voor ons om de hoek. In elk stukje van dat verhaal, in elk hoofdstuk van de Bijbel staat iets dat ons bepaald bij het goede en niets dan het goede. We zien dat we vele “heren” in het dagelijks leven dienen en macht toekennen. We voelen ons gedwongen mee te doen met het minst kwade van twee kwaden in plaats van het kwaad te mijden en niets dan het goede te doen. Maar in dit verhaal weten we ook dat we elke moment opnieuw mogen beginnen NEE te zeggen tegen het kwade, Nee te zeggen tegen al die andere “heren” dan de ene God.

Dat een rechtvaardige ten val komt

zondag, 17 juni, 2018

Psalm 55:13-24

13 Zou een vijand mij grieven, ik zou het verdragen, zou hij mij haten en zich tegen mij keren, ik zou me voor hem verschuilen. 14 Maar jij, die dacht en deed als ik, mijn hartsvriend, mijn vertrouwde! 15 Wat genoten wij als wij samen waren bij het feestgedrang in Gods huis. 16 Laat de dood hen onverhoeds treffen, laat hen levend neerdalen in het dodenrijk, want bij hen huist het kwaad, het heerst in hun hart. 17 En ik? Ik roep tot God, de HEER zal mij redden. 18 In de avond, in de morgen, in de middag klaag ik en zucht ik, en hij hoort mijn stem. 19 Hij zal mij verlossen en in veiligheid brengen, mijn vijanden zal hij afweren, al zijn ze met velen tegen mij. 20 God hoort mij en vernedert hen. Hij troont van voor onze dagen, sela in hem is geen verandering, maar zij hebben voor hem geen ontzag. 21 Zo iemand verraadt zijn vrienden en verbreekt de broederband. 22 Zijn mond is glad als boter, maar vijandig is zijn hart, zijn woorden, zachter dan olie, zijn een getrokken dolk. 23 Leg uw last op de HEER en hij zal u steunen, nooit zal hij dulden dat een rechtvaardige ten val komt. 24 Maar hen, God, doet u neerdalen in de kuil der ontbinding. Die mannen van bloed en bedrog- zij zullen hun leven niet half voltooien, maar ik, ik vestig mijn hoop op u. (NBV)

Je kunt uit de lezing van het boek Job leren dat het niet vanzelfsprekend is dat het met een rechtvaardige altijd goed gaat in het leven. Predikers en Priesters die beloven dat er vrede in je hart komt en dat het succes in je leven aanbreekt als je in God gaat geloven en Jezus in je leven toelaat hebben de Bijbel niet goed gelezen, niet goed begrepen, of ze houden bewust de boel voor de gek. Het spreekt mensen nu eenmaal meer aan succes en voorspoed te beloven dan de blues te zingen over vijanden die eerst afgemaakt en bedwongen moeten worden. Wie denkt dat de Koran er wat van kan in het oproepen om vijanden te bestrijden moet deze Psalm nog maar eens zorgvuldig doorlezen. De mannen van bloed en bedrog moeten neerdalen in een kuil van ontbinding, zij zullen hun leven niet half voltooien. Ga er maar aanstaan.

Straks komt er nog een ongelovige die de Bijbel wil laten verbieden omdat die oproept tot haat. En er zijn heel wat Nederlanders op de brandstapel terecht gekomen omdat hun geloof wat anders was dan dat van de machthebbers in die tijd. Ons land is zelfs ontstaan uit het verzet tegen die machthebbers en voor het recht op een eigen geloofsovertuiging. De Vader des Vaderlands, Willem de Zwijger, schreef zelfs een pamflet waarin hij oproept het fundamentele recht op gewetensvrijheid te erkennen en te beschermen. Er zijn kennelijk mensen die hem uit onze geschiedenisboekjes willen schrappen. Toch hoeven we voor dit soort Bijbelteksten niet bang te zijn. Ze markeren aan welke kant we willen staan, aan die van de uitbuiters of van degenen die uitgebuit worden. Ze laten zien dat er uiteindelijk, in de toekomst, toch een rechtvaardige samenleving zal komen.

Het Koninkrijk van eerlijk delen komt er echt. De baas van de wereld is God en wie daar op vertrouwt zal deel uit gaan maken van dat Koninkrijk. Uiteindelijk komt het goed. In dat vertrouwen kan de grootste ellende worden verdragen. Het uitzicht op de bevrijding maakt dat de onderdrukking te verdragen blijft. Het maakt het verzet er tegen niet minder. Het dempt de roep om gerechtigheid niet. Maar vrijwillig in een wereldwinkel staan, of tweede hands gereedschap weer bruikbaar maken voor mensen die nieuw gereedschap niet kunnen kopen wordt er wel een stuk plezieriger van. Het helpt, het zal helpen. De mensen in de Hoorn van Afrika die alles zijn kwijtgeraakt door droogte en oorlog en de kans moeten krijgen te overleven en een nieuwe samenleving op te bouwen. Daarvoor gaan ook wij aan het werk. Zulk werk kan elke dag weer opnieuw, ook vandaag.

In de stad zie ik geweld en strijd

zaterdag, 16 juni, 2018

Psalm 55:1-12

1 Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een kunstig lied van David. 2 Luister, God, naar mijn gebed, verberg u niet als ik om hulp smeek, 3 sla acht op mij en geef mij antwoord. Klagend loop ik rond, radeloos 4 door het schreeuwen van de vijand en het tieren van de goddelozen, want zij storten onheil over mij uit en bestoken mij met hun woede. 5 Mijn hart krimpt in mijn binnenste, doodsangst heeft mij bevangen, 6 vrees en beven grijpen mij aan, ik huiver over heel mijn lichaam. 7 Had ik maar vleugels als een duif, ik zou opvliegen en neerstrijken, 8 ver, ver weg zou ik vluchten, overnachten in de woestijn, sela 9 haastig beschutting zoeken tegen de vlagen van de stormwind. 10 Splijt hun tong, Heer, verwar hun spraak, want in de stad zie ik geweld en strijd, 11 dag en nacht gaan die rond op haar muren. In het hart van de stad heerst onheil en leed, 12 in het hart van de stad heerst rampspoed, het plein is in de greep van terreur en bedrog. (NBV)

Vandaag zingen we  mee met de blues van Psalm 55. Een Psalm gedicht bij snarenspel, dat zal toen de luit of een harp geweest zijn, maar tegenwoordig begeleid je zo’n lied met gitaar, dobro of banjo. We lazen deze psalm ook al eens in z’n geheel zodat ook de lichtere kanten van dit lied naar voren konden komen. Vandaag beperken we ons tot het eerste deel, het donkere deel. Vluchten wil de dichter en ver weg. Want in de stad is geweld en strijd. Dat was in de tijd van de dichter, de psalm wordt aan David toegeschreven, niet anders dan vandaag de dag. We horen van steekpartijen en schietpartijen, overvallen en liquidaties, bedreigingen en afpersingen.  Het lijkt er op of het geweld in onze samenleving toeneemt.

Nu lijkt dat meer dan dat het zo is. Uit de cijfers van de politie blijkt  dat de criminaliteit afneemt. Helaas neemt ook de bereidheid van slachtoffers om aangifte te doen af. Maar echt bang hoeven we dus niet te worden. We moeten ons echter wel bezinnen op wat te doen. Daar is immers ook het lezen van deze psalm voor bedoeld. Bezin je op wat er om je heen aan de hand is. De psalmdichter vraagt aan God om de tong van zijn vijanden te splijten, om hun spraak te verwarren. Daar komt kennelijk voor deze dichter de strijd in de stad vandaan. En dat moet ons toch aan het denken zetten. Wat immers zeggen wij tot onze jongeren in de pubertijd? Hoe praten we met ze? Welke helden houden wij ze voor en welke toekomst wordt hen geboden? En wat zeggen wij over de vreemdelingen? En over nieuwe manieren van geloven die we niet gewend zijn?

Is er een toekomst die meer waard is dan huisje en beestje, dan mee kunnen doen met de algemene consumptie? Leren we de jeugd nog wel hoe je kunt genieten van het zorgen voor anderen? En hoe praten we zelf over mensen die anders zijn dan wijzelf? Geven we iedereen wel een plaats in onze eigen samenleving als we daar over spreken? Geldt dat ook voor mensen met een ander geloof, uit een ander land soms ook? Spreken wij daarover met respect of spreken we lachend de zotten na die de Koran willen verbieden? Lachen we met de ongelovigen over hen die vasthouden aan een oud geloof? Of beseffen we dat het niet geloven in een God ook een geloof is, omdat niemand kan bewijzen of er een God is maar dat ook niemand kan bewijzend dat er niet zoiets is als een God. Onze God gaat het er om dat het tussen mensen vrede wordt, dat mensen elkaar respecteren, daarom luistert onze God naar deze blues, als die ons tenminste aan het denken zet. En van denken komt handen uit de mouwen steken, ook vandaag weer.