Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor de 'Column' categorie

Wij zijn wijzen

zondag, 22 oktober, 2017

Jeremia 8:4-17

4  Zeg tegen hen: Dit zegt de HEER: Als iemand valt, staat hij toch op? Als iemand afdwaalt, keert hij toch terug? 5  Waarom blijft dit volk dan dwalen, waarom blijft Jeruzalem ontrouw, houdt het vast aan bedrog, weigert het terug te keren? 6  Ik heb goed naar hen geluisterd-wat ze zeggen is gelogen. Niemand heeft berouw over het kwaad, niemand zegt: “Hoe kon ik dit ooit doen?” Ze hollen steeds maar door als een paard dat zich in de strijd stort. 7  De ooievaar aan de hemel, de tortelduif en de gierzwaluw kennen de tijd van hun trek, maar mijn volk kent niet de orde van de HEER. 8  Hoe durven jullie te zeggen: “Wij zijn wijzen, wij hebben de wet van de HEER”? De pen van de schrijvers heeft hem vervalst. 9  De wijzen zullen te schande staan, ten einde raad, ze lopen in een val. Ze hebben de woorden van de HEER verworpen, wat voor wijsheid rest hun nog? 10  Daarom geef ik hun vrouwen weg, hun akkers geef ik aan veroveraars. Want iedereen, van groot tot klein, is op eigen voordeel uit, van profeet tot priester, ieder pleegt bedrog. 11  Ze verklaren de wond van mijn volk lichtvaardig voor genezen, ze zeggen: “Alles gaat naar wens.” Nee, niets gaat naar wens! 12  Schamen zij zich voor hun wandaden? Integendeel, ze weten niet wat schaamte is. Daarom komen ze ten val, de een na de ander, op het moment dat ik ze straf komen ze ten val- zegt de HEER. 13 ¶  Als ik wil oogsten-spreekt de HEER zijn er geen druiven aan de wijnstok, geen vijgen aan de vijgenboom, en zijn de bladeren verdord. Mijn geboden overtraden zij steeds.’14  ‘Waarom talmen wij nog langer? Verzamelen! Laten we ons verschansen in de vestingsteden, onze ondergang afwachten, want de HEER, onze God, heeft ons voor de ondergang bestemd. Hij heeft ons giftig water te drinken gegeven, omdat wij gezondigd hebben tegen de HEER. 15  Wij hoopten op vrede, maar vrede bleef uit, wij verwachtten genezing, maar angst overviel ons. 16  De vijand is al in Dan. Wij horen de paarden snuiven, bij het gehinnik van de hengsten beeft het hele land. De vijand is het land binnengevallen. Al wat leeft wordt door hem verslonden, elke stad en ieder die daar woont.’17  ‘Giftige slangen stuur ik op jullie af, waartegen geen bezwering helpt; dodelijk is hun beet-spreekt de HEER.’ (NBV)

Jeremia begon te spreken onder Koning Josia van Juda. Die Koning had de opdracht gegeven de Tempel in Jeruzalem te restaureren. Door de nadruk die het volk was gaan leggen op de aanbidding van de goden van de buurvolken was ook het Tempelgebouw verwaarloosd. Maar de Tempel trok nog steeds volk naar Jeruzalem en dat was voordelig. Tijdens die restauratie was er iets wonderlijks gebeurd. De priesters van de Tempel hadden in de muur van de Tempel een rol gevonden die daarin was ingemetseld. Zo’n rol zouden wij tegenwoordig een boek noemen maar toen schreven ze op perkament dat opgerold werd als men er niet uit las. Josia had samen met de priesters de rol gelezen en ontdekt dat daar de richtlijnen van God voor een menselijke samenleving stond. Die richtlijnen zouden voortaan moeten worden gevolgd had Josia bevolen. Maar hielp dat ook echt? Kwam het volk op haar kwade wegen terug?

Jeremia houdt zijn volk voor dat het opvalt dat niemand berouw heeft van het kwaad dat werd bedreven. Integendeel men blijft gewoon doen wat men deed. De dienst in en aan de Tempel was wel wat beter geworden maar gebeurde gewoon naast de gebruikelijke afgodendienst. Men had nu immers “de Wet” de richtlijnen van de God van Israël en de offers die daarin stonden werden ook gebracht, de Priesters hadden weer hun mooie gewaden en de Levieten mochten weer prachtige muziek maken en hun psalmen zingen. Dat moet toch goed zijn? Natuurlijk werk je op de Sabbat gewoon door. Natuurlijk moeten schuldenaren hun schulden betalen en de inners van vorderingen moeten ook leven dus die mogen best het tienvoudige van de schuld aan de schuldenaren in rekening brengen. Natuurlijk moeten de weduwen werken en bedelen en niet altijd voor hun kinderen zorgen. Op straat is voor de kinderen wel wat te vinden.

Jeremia stelt tot zijn schrik vast dat de voorspoed die het volk heeft aan de afgoden wordt toegeschreven en dat het leed dat het volk bedreigt aan de God van Israël wordt toegeschreven. Terecht roept Jeremia uit, jullie luisteren op geen enkele manier naar wat de God van Israël van jullie wil. Gerechtigheid voor de armen is ver te zoeken, de weduwen worden onderdrukt en de vreemdelingen uitgebuit. Maar je kunt nu wel flink zijn en je muren versterken maar je angst is terecht. Jullie hebben je zover van God afgekeerd dat er geen enkele reden meer is voor de God van Israël om jullie als zijn volk te zien en te beschermen. Die God is eerder op de hand van volken en legers die het volk kunnen straffen, zo straffen dat alleen de mensen overblijven die zijn blijven vasthouden aan de richtlijnen van die God. Ook wij hebben wel eens het gevoel dat onze identiteit bedreigd wordt. Een samenleving gebouwd op liefde en respect, zeker voor de minsten en de vreemdelingen, kan ons pas echt beschermen.

Ik heb dat nooit geboden

zaterdag, 21 oktober, 2017

Jeremia 7:29–8:3

29 ¶  Scheer je hoofdhaar af, werp het weg, hef op de kale heuvels een klaaglied aan. De HEER verwerpt en verstoot je, jullie generatie treft hij met zijn toorn.30  De Judeeërs hebben immers gedaan wat slecht is in mijn ogen-spreekt de HEER. Ze hebben de tempel waaraan mijn naam verbonden is, met gruwelijke afgodsbeelden ontwijd, 31  en in het Hinnomdal de offerplaats Tofet gebouwd om er hun zonen en dochters te verbranden. Ik heb dat nooit geboden, ik heb dat nooit gewild. 32  Daarom-spreekt de HEER -,de dag zal komen dat er niet meer gesproken wordt over Tofet of het Hinnomdal, maar over het Moorddal. Men zal de doden in Tofet begraven tot er geen plaats meer is. 33  Dan vallen de lijken van dit volk ten prooi aan roofvogels en wilde dieren, en niemand die ze verjaagt. 34  Ik zal in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem de vreugdezangen laten verstommen; bruid en bruidegom zullen niet langer van blijdschap zingen, want heel het land wordt een woestenij. 1 ¶  In die tijd-spreekt de HEER zal men de beenderen van de koningen van Juda, van de raadsheren, de priesters, de profeten en de inwoners van Jeruzalem uit hun graven halen 2  en ze uitspreiden voor de zon, de maan en het sterrenleger aan de hemel. Die vereerden ze met zoveel overgave en die volgden ze, die vroegen ze om raad en daarvoor knielden ze. De beenderen zullen niet worden verzameld en begraven, maar als mest op de akkers blijven liggen. 3  En wat er overblijft van dit verdorven volk zal de dood verkiezen boven het leven, op elke plaats waarheen ik hen verdreven heb-spreekt de HEER van de hemelse machten. (NBV)

Je zult over dit gedeelte uit het boek van de profeet Jeremia maar zelden horen preken. Het is een afschuwelijk en gruwelijk stuk. Jeremia maakt nog eens duidelijk hoe nodig die ballingschap wel niet geworden was. Afgoden aanbidden is slecht, beelden van die afgoden zetten in de Tempel van de God van Israël zetten is nog slechter, maar kinderen offeren aan een afgod is meer dan het aller slechtste. Zeker de God van Israël kan dat niet accepteren. En waarom het dan wel gebeurd? Kan die God dit soort wreedheden dan niet tegenhouden? We geloven over het algemeen dat die God dat wel zou kunnen. Maar telkens als er onschuldigen worden vermoord lijkt die God afwezig. Jezus van Nazareth zou dit uitleggen door te zeggen dat wat je aan de minsten hebt aangedaan je aan God hebt aangedaan.

Hij zelf riep aan het kruis dat zijn God hem had verlaten, een citaat uit Psalm 22. Maar ook al grijpt die God niet met bliksem en donder of door de aarde te laten beven het kwaad zal niet blijven, het kwaad zal nooit en te nimmer de aarde overheersen. Daarom is dit stuk Jeremia niet alleen een gruwelverhaal, passend bij het eind van oktober, maar is het ook een verhaal van hoop. De gruwelijkheden waaraan de zwaksten van het volk zijn blootgesteld gebeuren niet in het verborgen. De God van Israël heeft er weet van, de God van Israël kiest hun kant. Wat wij vergeten is dat die God meetrekt met de slachtoffers. Dat was begonnen met een slavenvolk dat ontsnapte aan hun overheersers en door de Woestijn op weg ging naar een land dat zou overvloeien van melk en honing. Die God vaart vandaag mee met de rubberbootjes over de Middellandse Zee. Hij vraagt ons wat wij doen tegen het verdrinken van zijn kinderen.

De gruwelijkheden zelf doen mensen daarmee niet ophouden. In onze dagen hebben we tribunalen en een strafhof maar van de vonnissen en veroordelingen lijken we nog maar weinig te leren. In de dagen van Jeremia maakte God uiteindelijk maar gebruik van Heidense legers om de gruwelijkheden te stoppen. In het Babel waar het volk heen werd gevoerd was geen plaats voor kinderoffers, daar werden die grote mensen met hun bruiloftsfeesten en vreugdezangen zelf als offer gebruikt. Maar ook de ballingschap zou niet het einde zijn. Daar kregen de overlevenden de kans om zich weer te herinneren waar het allemaal ook al weer over ging. Dat ging niet om offers, dat ging niet om vrolijke erediensten met leuke bands, dat ging niet om leuke kleding of prachtige verhalen. Maar in de godsdienst voor de God van Israël gaat het om recht en gerechtigheid. Daar gaat het om zorg voor die kinderen, om zorg voor de weduwen en de wezen, voor de ouderen, de zieken en gehandicapten. Elke dag mogen ook wij ons dat weer in herinnering brengen.

Bid niet voor dit volk

vrijdag, 20 oktober, 2017

Jeremia 7:16-28

16 ¶  En jij, bid niet voor dit volk, kom niet langer met smeekbeden, dring niet bij me aan, want ik zal niet naar je luisteren. 17  Zie je niet wat er in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem gebeurt? 18  De kinderen sprokkelen hout, de vaders stoken het vuur en de vrouwen kneden deeg om koeken voor de koningin van de hemel te bakken. Ook krenken ze mij door wijnoffers aan andere goden te brengen. 19  Maar treffen ze mij daarmee? spreekt de HEER. Treffen ze niet eerder zichzelf, tot hun eigen schande? 20  Daarom, dit zegt God, de HEER: Ik stort over dit land, over de mensen, de dieren, de bomen en gewassen op het veld mijn grote woede uit. Alles zal branden, en niets zal worden geblust. 21 ¶  Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Maak van je brandoffers maar vredeoffers: eet zelf het vlees maar op! 22  Toen ik jullie voorouders uit Egypte leidde, heb ik hun nooit iets gezegd of voorgeschreven over brand- en vredeoffers. 23  Wat ik hun geboden heb, is dit: “Wees mij gehoorzaam, dan zal ik jullie God zijn en zullen jullie mijn volk zijn. Volg steeds de weg die ik jullie wijs, daar zullen jullie wél bij varen.” 24  Maar ze luisterden niet naar mij, ze hebben mij niet gehoorzaamd. Ze volgden hun eigen plannen en lieten zich leiden door hun koppig en boosaardig hart. In plaats van mij te volgen, keerden ze zich van mij af. 25  Vanaf de dag dat jullie voorouders uit Egypte wegtrokken tot op de dag van vandaag heb ik telkens weer mijn dienaren, de profeten, naar jullie gezonden. 26  Maar niemand die naar mij luisterde, niemand die mij gehoorzaamde. Jullie zijn nog halsstarriger dan jullie voorouders. 27  Als je dit alles tegen hen zegt, zullen ze niet naar je luisteren; als je hen roept, zullen ze niet antwoorden. 28  Zeg dan tegen hen: Hier is nu een volk dat niet heeft geluisterd naar de HEER, zijn God, en dat zich niet heeft laten terechtwijzen. Oprechte woorden komen niet meer over hun lippen. 29 ¶  Scheer je hoofdhaar af, werp het weg, hef op de kale heuvels een klaaglied aan. De HEER verwerpt en verstoot je, jullie generatie treft hij met zijn toorn. (NBV)

Er wordt over de God van het Oude Testament nog wel eens als over een wreed en wraakzuchtig God gesproken. Deze teksten uit het boek van de profeet Jeremia lijken dat beeld te bevestigen. Nu komt dat ook omdat we de beelden die er in staan niet direct herkennen. De Koningin van de Hemel is de maan en aanbidding van de maan was bij veel volken in de Oudheid een zeer gewilde godsdienst die in hoog aanzien stond. De Maan zou vruchtbaarheid brengen, daarom stookten de vaders het vuur, waren de vrouwen aan het kneden, koeken in de vorm van kinderen. Daarnaast werd er dan op het land, of op de drempels van huizen plechtig wijn geschonken alsof je de godheid te drinken gaf. Mensen die zo doen vernietigen eigenlijk zichzelf.

Die mensen kennen niet meer de Wet die zegt dat je moet houden van je naaste als van jezelf. En als je in donkere tijden niet op elkaar kunt rekenen, onvoorwaardelijk op elkaar kunt bouwen, dan ga je ten onder. Daarom staat er dat ze zichzelf treffen. Daarom staat er dat alles zal branden en niets zal worden geblust. Voor de uitvinding van de pomp was men bij het blussen afhankelijk van emmers water die vanaf de bron werden doorgegeven. In een stad konden daar lange rijen voor worden gevormd. Maar als het ieder voor zich is en men naar de Maan roept om hulp in plaats van elkaar te helpen dan komt er van redding en van blussen niks terecht. In onze dagen hebben we soms ook zo’n afgod. Die noemen we dan de overheid. Daar wordt alle redding en hulp van verwacht. Elk probleem dat we tegenkomen wordt aan de vage, anonieme, overheid gegeven om opgelost te worden.

In plaats van dat we zelf de handen uit de mouwen steken en zorgen dat de wegen leger worden en de treinen voller, dat we geen goederen meer weggooien maar delen, zelf in gesprek gaan met vreemdelingen om hen hier in te laten burgeren, laten we alles aan de overheid. Die overheid moet zelfs voor een absolute veiligheid zorgen. Nooit mag ons iets overkomen. Zo werden in de dagen van Jeremia ook de goden aanbeden.  In onze dagen doen mensen niet meer aan godsdienst. Dat is achterhaald zo klinkt het. Wie gelooft er nu nog in een God die je niet kunt zien?  Maar offers brengen we wel. Belastingen noemen we die en die moeten niet besteed worden aan zorg voor ouderen of onderwijs voor kinderen maar aan absolute veiligheid. Elke burger moet voortdurend gecontroleerd worden. De God van Israël wil zulke offers niet. Liefde voor mensen, zorg voor de ouderen, bekommernis met de kinderen. Ook in onze samenleving  moeten we het vertrouwen op afgoden opgeven, vandaag nog.

Vreemdelingen, wezen en weduwen niet onderdrukken

donderdag, 19 oktober, 2017

Jeremia 7:1-15

1 ¶  De HEER richtte zich tot Jeremia: 2  ‘Ga in de tempelpoort staan en verkondig deze boodschap: Luister naar de woorden van de HEER, Judeeërs; luister, jullie die door deze poorten naar binnen gaan om de HEER te vereren. 3  Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Beter je leven, dan mogen jullie in dit land blijven wonen. 4  Vertrouw niet op die bedrieglijke leus: “Dit is de tempel van de HEER ! De tempel van de HEER ! De tempel van de HEER !” 5  Als jullie je leven werkelijk beteren, als jullie elkaar rechtvaardig behandelen,6  vreemdelingen, wezen en weduwen niet onderdrukken, in dit land geen onschuldig bloed vergieten en niet achter andere goden aanlopen, jullie onheil tegemoet, 7  dan mogen jullie hier blijven wonen, in dit land dat ik jullie voorouders gegeven heb. Zo is het altijd geweest, zo zal het dan altijd zijn. 8  Maar jullie vertrouwen op die bedrieglijke leus, en dat zal je niet baten. 9  Jullie stelen, moorden, plegen overspel en meineed, branden wierook voor Baäl en lopen achter andere goden aan, die jullie eerst niet kenden. 10  En toch durven jullie, terwijl jullie al die gruweldaden plegen, voor mij te verschijnen in deze tempel, het huis waaraan mijn naam verbonden is, met de gedachte: Ons kan niets gebeuren! 11  Denken jullie soms dat het huis dat mijn naam draagt een rovershol is? Ik zie wel degelijk wat jullie doen-spreekt de HEER. 12  Ga maar eens naar het heiligdom in Silo, waar ik mijn naam vroeger liet wonen, en zie wat ik er vanwege de wandaden van mijn volk Israël mee heb gedaan. 13  Nu dan-spreekt de HEER -,omdat jullie al die gruweldaden plegen en ik telkens weer tot jullie gesproken heb maar jullie niet hebben geluisterd, omdat ik geroepen heb maar jullie niet hebben geantwoord, 14  zal ik met deze tempel, waaraan mijn naam verbonden is en waarin jullie je vertrouwen stellen, en met heel het land dat ik jullie voorouders gegeven heb, hetzelfde doen als met Silo. 15  Ik zal jullie verstoten, zoals ik jullie broedervolk, het nageslacht van Efraïm, verstoten heb. (NBV)

Je hoort toch nog maar al te vaak. We zijn toch fatsoenlijk, we houden ons aan de Joods Christelijke traditie en verdedigen die tegen ongerechtvaardigde aanvallen, dan horen we er toch gewoon bij ? Zeker als men ook naar een zogenaamde Christelijke kerk gaat dan moet het toch wel goed komen? In de tijd van Jeremia was dat ook zo. Maar hij ging in de poort van de Tempel staan en sprak daar de mensen aan die naar binnen gingen. Dat moesten toch wel de voorbeelden voor het volk geweest zijn. Fatsoenlijke mensen die nog de offers gingen brengen in de Tempel. Mensen die bij de God van Jeremia hoorden. Niets is minder waar. Jeremia roept ze op anders te gaan leven. Dat versje van “Dit is de Tempel van de Heer” wordt net zo vals gezongen als het versje van de Joods Christelijke traditie in onze dagen. Dat soort versjes blijkt een alibi voor het uitsluiten van vreemdelingen van de samenleving, voor het onderdrukken van de weduwen en de wezen.

En weduwen en wezen staan in de Bijbel voor de allerarmsten, in onze dagen praten we over de minima en de armen in Afrika. Het verbiedt mensen aandacht te vragen voor de gevolgen van de slavernij die zij meedragen ook nog in het derde en vierde geslacht. Zwarte Pieten bevestigen voor hen het beeld dat ze moeten bewijzen tot deze samenleving te horen ook al wonen ze al generaties lang in dit land en hebben ze al van ouds mee vormgegeven aan onze samenleving. Steeds weer worden ze aangesproken als komend uit een vreemd land, uit Spanje of God weet waar. Steeds weer moeten ze zich bewijzen, moeten ze meer aangepast zijn als zij die de aanpassing van hen vragen. Als ze aandacht vragen voor het foute beeld dat de “Zwarte Piet” bij hen oproept en het verkeerde gedrag dat daardoor van hen gevraagd wordt dan is onze wereld te klein.

Dan regent het klachtentelefoontjes bij een museum dat er een tentoonstelling voor inruimt en klinkt het applaus voor een goedkoop scorende populistische politica. Fatsoen dat moeten we wel hebben, tenminste dat moeten de anderen hebben. Belasting betalen dat moeten die anderen ook. Wij gaan voor de goden van winst en profijt. Jeremia voorspelde zijn tijdgenoten dat ze daardoor hun land uiteindelijk zouden gaan verliezen. Wie zo hoog opgeeft van zichzelf wekt alleen jaloezie op. Hier is het kennelijk te halen want wij zijn beter dan de rest van de wereld. Wie niet wil delen heeft kennelijk wel heel veel te beschermen en wordt gemakkelijk een prooi voor dieven en rovers. Er is sinds de dagen van Jeremia veel veranderd in de wereld, maar niet in het gedrag van mensen. Ook nu heeft de oproep om heel anders te gaan leven en anders om te gaan met de minsten in onze samenleving een hoogst actuele klank. Laten we er naar luisteren dus.

De HEER heeft Jakob uitgekozen

woensdag, 18 oktober, 2017

Psalm 135

1 ¶  Halleluja! Loof de naam van de HEER, loof hem, dienaren van de HEER, 2  u die staat in het huis van de HEER, in de voorhoven van het huis van onze God. 3 Loof de HEER, want hij is goed, bezing zijn naam, zo lieflijk van klank. 4  De HEER heeft Jakob uitgekozen, Israël als zijn kostbaar bezit. 5 ¶  Ik weet het: groot is de HEER, onze Heer overtreft alle goden. 6  De HEER maakt alles wat hij wil in de hemel en op de aarde en in de diepten van de oceanen. 7  Wolken wekt hij aan de einder der aarde, bliksems maakt hij en de regen valt, de wind laat hij los uit zijn schatkamers. 8  Hij trof de eerstgeborenen van Egypte, van mens en van dier, 9  en deed wonderen en tekenen- in je midden, Egypte-voor de farao en al zijn dienaren. 10  Hij trof vele volken en doodde machtige koningen:11  Sichon, koning van de Amorieten, en Og, koning van Basan, en alle koningen van Kanaän. 12  Hun land gaf hij in bezit, in bezit aan Israël, zijn volk. 13  Uw naam, HEER, blijft in eeuwigheid, van u, HEER, zal men spreken, van geslacht op geslacht. 14  Want de HEER doet recht aan zijn volk en ontfermt zich over zijn dienaren. 15 ¶  Goden van andere volken zijn van zilver en goud, gemaakt door mensenhanden. 16  Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken, ze hebben ogen, maar kunnen niet zien, 17  ze hebben oren, maar kunnen niet horen; er komt geen adem uit hun mond. 18  Zoals zij, zo worden ook hun makers, en ieder die op hen vertrouwt. 19  Huis van Israël, prijs de HEER, huis van Aäron, prijs de HEER,  20  huis van Levi, prijs de HEER, wie de HEER vrezen, prijs de HEER. 21  Geprezen zij de HEER op de Sion, hij die zijn woning heeft in Jeruzalem. Halleluja! (NBV)

Vandaag zingen we een lofpsalm. Een vrolijk lied op de Uittocht van Israël uit Egypte en de verovering van het beloofde land Kanaän. Niet een machtig volk als Egypte was gekozen maar een klein, zwak slavenvolk als Israël. Voor dat volk waren al die wonderen gedaan, waren al die plagen op Egypte afgestuurd en waren uiteindelijk alle eerstgeborenen gedood. Die waren door de Egyptenaren aan hun eigen goden opgedragen, de eerstgeborenen van Israël waren als offer in de Nijl geworpen, maar de God van Israël had de rollen omgedraaid en laten zien wie de machtigste was, wie de Heer van hemel en van de aarde was. Als je de Hebreeuwse tekst van deze psalm leest valt het op dat het taalgebruik heel veel lijkt op dat van het boek Deuteronomium en veel minder op het taalgebruik van het boek Exodus. Zoals we de psalm nu in de Bijbel aantreffen komt die naar alle waarschijnlijkheid uit een latere tijd, wellicht zelfs uit de tijd van de ballingschap.

En dan wordt de nadruk uit de psalm op al die natuurgebeurtenissen die door God worden veroorzaakt ook duidelijk. Veel van de plagen van Egypte hadden immers te maken met de natuur en de relatie die in de godsdienst van Egypte werd gelegd tussen zogenaamde goden en de loop van de natuur. Het volk Israël had altijd al de neiging om godsdiensten na te lopen die de goden vroegen om de loop van de natuur te beïnvloeden. De God van Israël had dat altijd verboden. Profeten en Priesters waren er tegen opgestaan en telkens weer was het volk opgeroepen om van die weg af te keren. De enige manier om vruchtbaar te zijn en een vruchtbaar jaar te krijgen was delen. Sparen in tijden van overvloed en samen delen in tijden van schaarste. Dat zou het volk pas sterk en welvarend maken. Als je je daar aan zou houden dan zou de God van Israël dat belonen. Dan hoef je overigens nooit bang te worden dat je te kort zou komen. Al die griezelige offerrituelen die de vreemde godsdiensten meebrachten, tot tempelprostitutie en tempelhomoseksualiteit toe, waren dan niet nodig.

Seksualiteit was niet langer gericht op de vruchtbaarheidsriten voor vreemde goden maar op de liefde voor je partner. En als je niet bang hoeft te zijn voor goden dan ontstaat er ook ruimte voor humor. Dan zie je dat de beelden van die goden die zo plechtig worden aanboden van zilver en goud zijn, dat ze stommetje spelen en dat uiteindelijk de aanbidders van die goden er net zo uit gaan zien, het worden de mummies van Egypte, ook die zwijgen. Alleen de God die een Tempel heeft in Jeruzalem valt te vertrouwen. Als je de regels van die God navolgt, en dat navolgen is ook het aanbidden van die God, dan kom je niks te kort. Je moet dan wel zorgen dat je dat als volk doet. Pas als een volk samen deelt en samen spaart dan kan iedereen de slechte tijden door komen, dan is iedereen bevrijd van de angst voor het weer, de angst voor de toekomst, de angst voor de dood. Dan hebben ook de weduwen en de wezen een toekomst. En als je ook nog de vreemdelingen er bij weet te betrekken dan wordt het volk pas echt gelukkig. In de Tempel worden die regels bewaard en daar wijst het slot van de Psalm ook heen, daar mogen wel elke dag weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag.

Zodat jullie smelten.

dinsdag, 17 oktober, 2017

Ezechiël 22:17-31

17 ¶  De HEER richtte zich tot mij: 18  ‘Mensenkind, het volk van Israël is mij niet meer waard dan de slakken die overblijven wanneer koper en tin, ijzer en lood samen in een oven worden gesmolten; niets dan schuim is ervan over. 19  Daarom-dit zegt God, de HEER: Omdat jullie nu niet meer dan schuim zijn, breng ik jullie in Jeruzalem bijeen. 20  Zilver, koper, ijzer, lood, tin: het gaat allemaal de oven in, en het vuur wordt aangeblazen om het te laten smelten. Net zo zal ik jullie in mijn hevige woede bijeenbrengen en jullie laten smelten in het vuur; 21  ik zal jullie in Jeruzalem samenbrengen, ik zal het vuur van mijn woede over je heen blazen zodat jullie smelten. 22  Zoals zilver wordt gesmolten in een oven, zo zullen jullie smelten in de stad, en jullie zullen weten dat ik, de HEER, mijn toorn over jullie heb uitgestort.’ 23 ¶  De HEER richtte zich tot mij: 24  ‘Mensenkind, zeg tegen Jeruzalem: “Je bent als een land dat niet is gereinigd; toen ik je vervloekte, bleef de regen uit. 25  De vorsten in de stad waren als leeuwen die grommend hun prooi verscheuren: ze verslonden mensen, ze roofden schatten en kostbaarheden, veel vrouwen maakten ze tot weduwen. 26  De priesters deden mijn wetten geweld aan, wat aan mij was gewijd ontheiligden ze, ze maakten geen onderscheid tussen wat heilig is en wat niet, ze leerden niemand het verschil tussen rein en onrein en de sabbat hielden ze niet in ere. Zo werd mijn naam door hen ontwijd. 27  De leiders in de stad waren als wolven die hun prooi verscheuren. Door bloed te vergieten, door mensen te gronde te richten, joegen ze hun eigen gewin na. 28  De profeten pleisterden alles met hun witkalk dicht, hun visioenen waren bedrieglijk en hun voorspellingen vals, ze zeiden: ‘Dit zegt God, de HEER  … ’-terwijl de HEER niet had gesproken. 29  Het volk gaf zich over aan uitbuiting en diefstal, het onderdrukte de machtelozen en de armen, het buitte de vreemdelingen uit en deed hun geen recht. 30  Ik heb gezocht naar iemand die een muur om de stad kon bouwen, die voor het land in de bres wilde springen opdat het niet zou worden vernietigd-maar zo iemand heb ik niet gevonden. 31  Dus vervloekte ik hen, met het vuur van mijn toorn vernietigde ik hen, ik liet hun daden op hun eigen hoofd neerkomen-zo spreekt God, de HEER.”’ (NBV)

Die arme vertegenwoordigers van de ballingen die naar Ezechiël gekomen zijn om te horen waarom Jeruzalem en de Tempel helemaal verwoest zijn en hoe het nu verder moet met de mensen die in de God van Israël zijn blijven geloven als hun God. Ze kregen uitgebreid te horen hoe slecht hun volk wel niet had gehandeld. Als oudsten in het volk hadden ze zich daartegen niet verzet. Alle volken deden immers zo en waarom het volk van Israël dan niet? Maar in tegenstelling tot al die andere volken had het volk Israël ook nog een heel bijzondere God. Dat was een God die niet aan het land was gebonden, maar het land en alles wat er werd geoogst aan het volk had gegeven. Hij immers had de hemel en aarde gemaakt hadden ze geloofd. Maar met die God hadden ze afgesproken geen andere goden te aanbidden. Met die God hadden ze afgesproken gerechtigheid en recht te betrachten. Met die God hadden ze afgesproken de weduwen en de wezen eerlijk te behandelen, net als de minsten, net als de vreemdelingen die niet mochten worden uitgebuit.

Die God had met ze afgesproken dat ze geen slaven meer hoefden te zijn. Eén dag in de week hield alle werk op, alle werk voor de mensen, dus ook voor de meiden en de knechten, dus ook voor de slaven, dus ook voor de vreemdelingen, zelfs voor de dieren die voor hen een deel van het werk uitvoerden. Die ene dag hadden ze afgeschaft. Het was een mooie dag om te gaan kopen en als je koopt dan heb je verkopenden nodig, die moeten werken en als die werken dan kunnen de anderen ook werken. Zo waren ze weer slaven gemaakt van het werk. Dat hun God een volk had bevrijd van slavernij bleek nergens meer uit. Het werd een samenleving van de sterken, die roofden wat ze konden en omdat ze leken op de welvarende volken in de wereld waren er profeten die de oude woorden in een nieuw jasje herhaalden, de rijken moesten rijk worden, dan konden armen meer aalmoezen krijgen. Mooie beelden en mooie altaren bewezen de schoonheid die God had gegeven en verdraagzaamheid waarmee ze leefden.

Van het verbond dat God met het volk had gesloten bleef niks meer over. Maar er gloorde in de woorden van Ezechiël een sprankje hoop. De God van Israël had zijn hoop niet opgegeven. Ezechiël gebruikt het beeld van de hoogovens. Metaal wordt in zeer hete vuren gesmolten. Het stroomt uit het erts en kan als edelmetaal worden behandeld. Goud, zilver, ijzer, tin, alle soorten edelmetalen komen vrij. Die kunnen vrij komen als het gesteente waarin ze zaten achterblijft, als alle vuil en alle ongerechtigheden worden weggegooid. En daar is die ballingschap voor bedoeld. Dat geeft de kans anders te gaan leven, weer terug te keren tot het verbond dat ze met God hadden gesloten. Als het hen lukte de minsten te steunen, gerechtigheid te betrachten, eerlijk te delen met de zwaksten van het volk, dan zouden ze weer terugkeren naar het land Israël, dan zouden ze Jeruzalem weer mogen herbouwen. De belofte is dus eigenlijk dat als ook wij de armen rijker maken en de rijken armen ons land welvarender wordt. De nieuwe regering is dat niet van plan, misschien dat ook wij als Ezechiël weer moeten gaan spreken. De vrije zondag moet gewoon weer terug.

Oordeel over de bloedstad

maandag, 16 oktober, 2017

Ezechiël 22:1-16

1 ¶  De HEER richtte zich tot mij: 2  ‘Mensenkind, oordeel over de bloedstad, oordeel en laat haar al haar gruweldaden beseffen. 3  Zeg: “Dit zegt God, de HEER: Je bent een stad van bloedvergieten, en daarom is je tijd gekomen! Je bent een stad vol afgodsbeelden en daardoor ben je onrein. 4  Je bent schuldig door al het bloed dat je hebt vergoten, je bent onrein door de afgodsbeelden die je hebt gemaakt. Daarom zijn je dagen geteld en is de grens van je jaren bereikt. Ik zal je uitleveren aan de hoon en spot van alle volken en landen. 5  Dichtbij en ver weg zullen ze zich vrolijk over je maken, want je naam is bezoedeld, en groot is de verwarring binnen je muren. 6  Israëls vorsten hebben er hun macht misbruikt en bloed vergoten, 7  kinderen hebben er hun vader en moeder veracht, vreemdelingen zijn er uitgebuit en weduwen en wezen zijn er onrechtvaardig behandeld. 8  Wat aan mij was gewijd, is door jou geminacht, en de sabbat heb je niet in ere gehouden. 9  Door je bewoners werd kwaad gesproken, bloed vergoten en ontucht gepleegd, er werden offermaaltijden gehouden op de bergen. 10  Mannen bezoedelden hun vaders bed en misbruikten onreine, menstruerende vrouwen. 11  De een heeft met de vrouw van een ander geslapen, een tweede zijn schoondochter met ontucht bezoedeld, een volgende heeft zijn zuster, de dochter van zijn vader, verkracht. 12  Voor geld heb je bloed vergoten, je hebt je vooraf rente laten betalen en toeslag achteraf, je hebt anderen schade berokkend en uitgebuit, en mij ben je vergeten-spreekt God, de HEER. 13  Ik sla mijn handen in woede op elkaar omdat je woekerwinsten maakt, en omdat er binnen je muren bloed vergoten wordt. 14  Zal je hart het houden, zullen je handen sterk blijven wanneer ik tegen je optreed? Ik, de HEER, heb gesproken, en dit is wat ik zal doen: 15  Ik zal je verdrijven naar verre landen en verspreiden onder vreemde volken; ik zal een einde maken aan je onreinheid. 16  Alle volken zullen zien hoe je wordt ontwijd, en dan zul je beseffen dat ik de HEER ben.”’ (NBV)

Eerbiedig waren de oudsten van Israël, van de ballingen in Babel, naar de profeet Ezechiël gekomen. Het waren vrome mannen, ze geloofden in de God van Israël. Het volk had heimwee naar het eigen land. Als ze aan Jeruzalem dachten dan schoten ze vol. Een prachtige stad was dat geweest. Nu mochten ze wonen op het platteland, aan kanalen en rivieren. Nu mochten ze werken voor de Koning van Babel. Nu hadden ze een gerucht gehoord dat Jeruzalem helemaal verwoest was, dat zelfs de Tempel van Salomo, het mooiste gebouw op de wereld steen voor steen was afgebroken. Samen waren ze naar Ezechiël gekomen. Die profeet had verteld dat de God van Israël zelfs in de ballingschap met hen meegetrokken was. Maar als dat zo was, waar moesten ze aan het eind van de ballingschap naar terugkeren als hun stad Jeruzalem verwoest was. Ezechiël had daarop wel een antwoord.

Jeruzalem betekent stad van vrede. En het volk Israël geloofde dat het leven van mensen en dieren huisde in het bloed. Nu in Jeruzalem was het bloed rijkelijk gaan vloeien. Eerbied voor het leven was er ver te zoeken. Eerbied voor de God van Israël ook. Overal waren afgodsbeelden verschenen. Overal werden vreemde goden aanbeden. Sommige van die goden schenen te eisen dat je je eigen bloed moest laten vloeien voor hen en zo sneden de gelovigen zich in armen en benen. Het ergste was misschien dat men zelfs kinderoffers had durven brengen. Van de gerechtigheid die de God van Israël aan het volk had meegegeven bleef niets mee over. Vreemdelingen werden uitgebuit, weduwen en wezen onrechtvaardig behandeld. Denk niet dat de tijden veranderd zijn. Het ergste was wellicht de vrijheid voor mannen hun lust te bevredigen zoals zij dat goed vonden. Vrouwen waren tot voorwerpen geworden.

Of ze nu met hun vaders waren getrouwd, of met een zoon, of ze zuster waren, of moesten worden ontzien omdat tijdens hun maandelijkse periode ook iets van hun leven aan het verliezen waren, het maakte allemaal niks uit, de mannelijke lust moest bevredigd worden. Ook moesten er winsten gemaakt worden, winstmaximalisatie net als in onze dagen. Dat wat de mensen toeviel, dat wat ze wisten te verdienen werd niet ervaren als van de God van Israël ontvangen, maar gebruikt om het eigen leven te verfraaien. De ballingschap is het antwoord op de schandelijke praktijken uit het heilige Jeruzalem. Een volk dat zich zo gedraagt verdient geen Jeruzalem. Aan ons de vraag waarin wij onszelf herkennen. Worden ook bij ons vrouwen gebruikt als voorwerpen waar mannen hun lust mee kunnen bevredigen? Buiten wij onze buitenlandse werknemers ook uit? Zorgen we nog wel voor de weduwen en de wezen, in onze dagen de minsten in de samenleving, de gehandicapten, de ouderen? Elk woord van de profeet Ezechiël moet ons aan het denken zetten, ook vandaag nog.

Terug in je schede!

zondag, 15 oktober, 2017

Ezechiël 21:33-37

33 Jij, mensenkind, moet profeteren. Zeg: “Dit zegt God, de HEER, over de Ammonieten en over hun schande, ”zeg: “Zwaard, om te slachten ben je getrokken, om te verwoesten ben je geslepen, bliksemen zul je, zwaard! 34 Ze zeggen dat je niets voorstelt en ze doen valse voorspellingen. Toch zul je die goddeloze en ontaarde mensen de hals doorsnijden. Voor hen is de dag van de afrekening gekomen. 35 Terug in je schede! Daar waar je gemaakt bent, in het land waar je vandaan komt, zal ik je straffen. 36 Mijn toorn zal ik over je uitstorten, het vuur van mijn woede zal ik over je heen blazen, en ik zal je aan barbaren overleveren, aan mannen die dood en verderf zaaien. 37 Je zult aan het vuur ten prooi vallen, overal in het land zal bloed vloeien en je naam zal niet meer worden genoemd-ik, de HEER, heb gesproken.”’ (NBV)

In het zwaardlied van Ezechiël werd duidelijk dat Babylon bij de wegsplitsing niet de weg naar Rabba van de Ammonieten zou nemen maar de weg naar Jeruzalem omdat het volk Israël andere goden achterna was gaan lopen en zelfs de tempel in Jeruzalem daarmee had ontheiligd. Ontlopen de Ammonieten nu de straf die ze als Heidens volk en vijand van het Israël van de God van Israël verdienen? Die Ammonieten hadden lachend het zwaardlied meegezongen. Dat godje van Israël, waar die Israëlieten toch nog trouw aan hadden gezworen had niks voorgesteld. Dat volkje rond Jeruzalem had geen enkele kans tussen sterke volken, sterk zoals de Ammonieten zich sterk waanden.

We kennen de kleine volken die zich sterker achten dan de wereldmachten. Die roepen dat ze die grote machten wel even klein zullen maken. We kennen ook de leiders van de wereldmachten die daarin gaan geloven. Dat als een klein arm land roept dat ze de grootmacht klein zullen krijgen zij moeten laten zien dat de grootmacht groter is dan elke andere macht. In onze dagen maakt de hele wereld zich grote zorgen over de wederzijdse grootspraak waar dit in kan eindigen. Voor we het weten zijn we meegesleurd in een echte oorlog die niemand anders op de wereld wil. Jezus van Nazareth heeft niet voor niets gewaarschuwd dat wie het zwaard opneemt ook door het zwaard zal vergaan.

Ezechiël vertelt aan de oudsten van het volk dat ze niet jaloers op de Ammonieten hoeven te worden. Ook al kiest de koning van Babylon voor de weg naar Jeruzalem. Als hij met Jeruzalem klaar is dan zal hij ook de Ammonieten onder handen nemen. Juist een volk dat zo gemakkelijk aan grootspraak doet daagt ook de wereldmacht uit. Daarna moet het afgelopen zijn. Het zwaard moet weer in de schede. Ook Babylon zal zonder vrede te stichten uiteindelijk aan oorlog en geweld ten onder gaan. De laatste koning van Babylon die een feestmaal voor de elite hield en daarvoor het goud en zilver uit de Tempel in Jeruzalem gebruikte wordt verder nergens in de geschiedenisboeken vermeld. Vrede stichten en vrede bewaren daar gaat het om. Ook wij kunnen daaraan bijdragen.

Zet af die kroon!

zaterdag, 14 oktober, 2017

Ezechiël 21:23-32

23 De HEER richtte zich opnieuw tot mij: 24 ‘Mensenkind, teken twee wegen waarlangs het zwaard van de koning van Babylonië kan gaan. Beide wegen komen uit hetzelfde land. Maak aan het begin van de twee wegen, die beide naar een stad leiden, een open plek. 25 Langs de ene weg gaat het zwaard naar Rabba in Ammon, langs de andere naar het versterkte Jeruzalem in Juda. 26 Op de splitsing van de weg, aan het begin van de twee wegen, staat de koning van Babylonië, en hij vraagt om een teken. Hij schudt de pijlen, hij raadpleegt zijn godenbeeldjes, hij bekijkt de lever. 27 Rechts ligt het lot van Jeruzalem. Hij zal de stad met stormrammen aanvallen, hij zal zijn mond openen in een strijdkreet, hij zal zijn stem in krijgsgeschreeuw verheffen. Hij laat de stormrammen tegen de poorten beuken, hij maakt een bestormingsdam, hij werpt een belegeringswal op. 28 De Judeeërs zullen denken dat dit een valse voorspelling is, ze hebben immers eden van trouw gezworen! Maar hun schuld komt aan het licht, ze zullen gegrepen worden. 29 Dit zegt God, de HEER: Omdat jullie zelf mij aan je schuld hebben herinnerd, omdat jullie misdaden aan het licht zijn gekomen en al jullie zonden en wandaden zichtbaar zijn, omdat jullie zelf mij aan je gedrag hebben herinnerd-daarom zullen jullie in handen van de vijand vallen. 30 En wat jou betreft, goddeloze, ontaarde vorst van Israël: voor jou is de dag van de afrekening gekomen. 31 Dit zegt God, de HEER: Weg met je tulband, zet af die kroon! Niets blijft hetzelfde, wat laag is wordt hoog, wat hoog is wordt laag. 32 Puin, puin, niets dan puin blijft er over, maar eerst moet hij nog komen aan wie ik het oordeel toevertrouw. (NBV)

Ezechiël is de profeet van het beeld. De woorden die een profeet uitspreekt moet hij ook laten zien. Ezechiël wordt dan ook wel gezien als een zeer moderne profeet. Ook wij leven immers in een beeldcultuur. Ezechiël had al eens een maquette gemaakt van de belegerde stad Jeruzalem. Geleerden denken dat bij het zwaardlied dat aan dit gedeelte vooraf gaat ook echt gezongen en gedanst is. Nu moet de profeet een landkaart maken. De vertegenwoordigers van de ballingen, de oudsten, die naar Ezechiël waren gekomen om zijn mening te vragen over de totale verwoesting van de stad waar ze van hadden gehoord. Zou de God van Israël daar niet een stokje voor willen steken. Ezechiël zwijgt eerst. Hij tekent een weg uit een land, die weg splitst zich in tweeën. De ene weg gaat naar Rabba van de Amorieten de andere weg gaat naar het versterkte Jeruzalem. Op de splitsing staat de Koning van Babylon. Welke weg zal hij nemen?

Zo’n Heidense Koning neemt niet zomaar een beslissing. Daar gaan rituelen aan vooraf. Een bundel pijlen wordt losgelaten en de manier waarop ze uiteen gevallen zijn moet de richting bepalen. Daar blijft het niet bij, waarzeggende priesters moet een lever lezen, de vorm van de lever, de loop van de aderen in de lever geven aanwijzingen over de te nemen beslissing. En dan zijn er nog de huisgoden die geraadpleegd worden. Hoe de Heidense Koning ook raadpleegt. Er is maar één mogelijke uitkomst. De weg naar Jeruzalem ligt voor hem open. Die stad zal hij aanvallen en belegeren. Nu zijn voorspellingen van een bundel pijlen, een lever en wat huisgoden natuurlijk onzin. Belachelijk Heidens gedoe om achteraf de goden van een eventuele mislukking de schuld te kunnen geven. En als je wint dan mag het volk meer offers brengen aan die goden. De inwoners van Jeruzalem zullen zich dan ook geen zorgen maken over de uitkomst van de Heidense voorspellingen. Zij horen bij de God van Israël.

Maar ze vergissen zich. Ze hebben in Jeruzalem afgoden altaren opgericht. Zelfs in de Tempel wilden ze beelden neerzetten. De eden van trouw aan de God van Israël gingen niet over het gebod geen andere goden te aanbidden. Door die afgoderij zelfs in de Tempel te brengen maak je dat ook de God van Israël dat gedrag op haar waarde kan schatten. Het zijn niet domme burgers die niet anders weten, het is de elite in Jeruzalem, de Koning met zijn kroon en de hogepriester met zijn tulband voorop. God zal die wereld, waarin de armen worden onderdrukt en de weduwe en de wees onrecht wordt aangedaan, omkeren. Wat hoog is wordt laag. De enige manier om dit tegen te houden is een totale zuivering en recht betrachten aan de ontrechten. Is het bij ons anders? Luisteren onze machthebbers ook liever naar de tabakslobby en de fossielebrandstofindustrie? Zijn ze doof voor de wetenschap die God onze geleerden heeft gegeven en daarom verworden tot klimaatsceptici. Het wordt tijd dat we gaan inzien hoe de wereld in elkaar zit en uit die wereld op te staan.

Er is een zwaard gewet

vrijdag, 13 oktober, 2017

Ezechiël 21:13-22

13 De HEER richtte zich tot mij: 14 ‘Mensenkind, profeteer, zeg: “Dit zegt de Heer: Er is een zwaard gewet, er is een zwaard geslepen 15-16 om te slachten is het gewet, om te bliksemen is het gescherpt. Moeten wij ons erover verheugen dat de staf van mijn zoon al het hout veracht? Het zwaard is gescherpt om te worden gegrepen. Het is gewet, het is geslepen, moordenaars grijpen het vast.” 17 Schreeuw het uit, mensenkind, en sla je op je heup, want het zwaard treft mijn volk, het verwondt Israëls vorsten, mijn volk wordt door het zwaard geveld. 18 Het volk wordt beproefd, en wat als ook de staf die al het hout veracht er niet meer is? -zo spreekt God, de HEER. 19 Mensenkind, profeteer, sla je handen op elkaar, en laat het zwaard tweemaal, driemaal zijn werk doen. Het is een zwaard dat klieft, dat velen doorboort, dat diep in hen doordringt. 20 De schrik slaat hun om het hart, velen struikelen en vallen! Het zwaard stuur ik af op hun steden, verwoestend doet het zijn werk. Ja, het is gemaakt om te bliksemen het is gewet om te slachten. 21 Doe een uitval naar rechts, val aan naar links, waarheen je maar gestuurd wordt!22 Ook ik sla mijn handen op elkaar, ik zal mijn woede koelen. Ik, de HEER, heb gesproken.’ (NBV)

Vandaag zingen we een zwaardlied met de profeet mee. Zwaardliederen vinden we in sommige landen nog in de folklore. Ze gaan dan meestal ook met dansen gepaard. Kruiselings worden twee zwaarden over elkaar en daar wordt dan een loflied op gezongen en gedanst. De zwaarden van vijanden deren ons niet en de zwaarden van onszelf zullen de vijanden ombrengen. Eigen volk eerst en wij zijn de besten. Maar zo is het zwaardlied van de profeet niet. Het lijkt eerder een parodie op de zwaardliederen van koningen en legerleiders. Want het volk wordt beproefd. Je kunt wel oorlog voeren en vijanden vernietigen, maar wie bouwt de stad Homs weer op? Die stad ligt in puin door de bommen die er door de strijdende partijen op zijn gegooid.

De vijand lijkt hier overwonnen, maar het gewone volk dat niet mee deed aan de strijd, de strijd ook niet heeft gewild, is het slachtoffer. De soldaten zijn weg en zij staan er alleen voor. In de dagen van Ezechiël lieten de koningen alle bomen omhakken. Vruchten van bomen, olijven, citrusvruchten, noten, waren er niet meer zodat er honger in het land kwam en de armen geen wintervoorraden konden aanleggen. De staf van de koning die alle bomen aanwees om gekapt te worden maakt het niet alleen de vijand moeilijk maar maakt het eigen volk tot slachtoffer. De vijand verjagen is mooi, maar niet genoeg. Twee of drie maal zal de vijand terugkomen. Elke keer dat de vijand terugkomt vallen er slachtoffers. Alleen de angst regeert uiteindelijk nog.

De zwaarden zijn alleen gewet om te slachten. Van de richtlijn “Gij zult niet doden” heeft niemand nog gehoord. Zwaarden brengen dood en verderf. Bommenwerpers zaaien dood en verderf. Kanonnen bulderen dood en verderf, als de juiste munitie is gebruikt. In onze dagen kun je oorlog voeren op verre afstand, kruisraketten en drones worden vanaf verre plaatsen bestuurd. Ze zaaien dood en verderf. Geen van die wapens, geen van die vliegtuigen zaait vrede, de vrede van God. Gods kinderen, de minsten, de armen, de weduwen en de wezen, worden het eerste slachtoffer. Wij willen ze niet opnemen, wij weigeren hen vrede te brengen en de kans een toekomst op te bouwen. Willen we luisteren naar de profeet en het anders gaan doen? Dan zouden we daar vandaag mee kunnen beginnen.